Femke Kok is de snelste vrouw op schaatsen. En kanshebber voor een medaille op de schaatsmijl, die vrijdag wordt verreden. Hoe maakt zij die omslag tussen 500 en 1.500 meter?
is sportverslaggever van de Volkskrant en schrijft vooral over schaatsen, atletiek en roeien.
Met twee handen op de rug glijdt Femke Kok over de olympische ijsbaan in Milaan. In haar kielzog rijdt Gerard van Velde. Hij bestudeert heel nauwkeurig haar slag, haar houding en de timing van haar bewegingen terwijl ze over het rechte eind zwiert. Daarna volgt, glijdend over de inrijbaan, overleg met Dennis van der Gun. Het drietal heeft nog maar een paar dagen om de olympisch 500 meterkampioen om te katten tot een 1.500 metermedaillist.
Hoe doe je dat? Van de snelste schaatsster op aarde een kanshebber maken voor eremetaal op een afstand die om meer gaat dan pure explosiviteit. Waar uithoudingsvermogen en energiebesparing een cruciale rol vervullen. Aan de conditie van Kok valt in elk geval in zulke korte tijd vrijwel niets meer te doen. ‘Die arbeid voor de 1.500 meter moet je allang hebben verricht. Dat kun je niet in een week bij trainen. Maar de techniek van de 1.500 meter is anders dan die van de 500 meter’, zegt Van der Gun direct na Koks zege op de 500 meter.
Hij grijnst na de vraag wat het onderscheid dan precies is. Die details geeft hij liever niet prijs. Maar de kijker zal het grootste verschil zelf ook wel zien. Op de 500 meter, waar Kok in minder dan 37 seconden al haar kracht wil aanspreken, gooit ze heel haar lichaam in de strijd en rijdt ze met twee armen los. Op de 1.500 meter zal ze zo veel mogelijk beide armen op de rug houden.
Die houding is, behalve aerodynamisch, ook een middel om rust te brengen in haar slag. Om stabiliteit te bieden en haar afzet efficiënt te houden. Zuinig in kracht, veel ontspanning. Daar draaiden de trainingen op weg naar de 1.500 meter om. Voelen hoe dat moet: snelheid ontwikkelen zonder de batterij direct leeg te trekken en het tempo dan te onderhouden. Dat is wat ze doet als ze met Van Velde samen haar rondjes maakt.
De kilometer, waarop Kok als tweede eindigde, is in de woorden van Van der Gun ‘hoog-coördinatief’. Elke beweging moet heel nauwkeurig worden uitgevoerd omdat, bij de hoge snelheden, elke fout fataal kan zijn. En dat terwijl de verzuring in de slotronde van de 1.000 meter keihard binnenkomt. Bij de 1.500 meter is de snelheid lager en zijn de foutmarges groter. De belasting van het lijf is anders, de coördinatie minder alles of niets. Van der Gun: ‘De 1.500 meter is eigenlijk makkelijker dan de 1.000 meter.’
Er zijn meer vrouwen die, zoals Kok, op de drie kortste afstanden goed uit de voeten kunnen. Miho Takagi oogstte bij de vorige Spelen, in Beijing, goud op de kilometer en zilver op zowel de 500 als 1.500 meter. Nu in Milaan ligt de Japanse, na brons op de 500 en 1.000 meter, opnieuw op koers voor een drieslag. Maar wat Kok zou bereiken als ze het podium haalt is toch echt een slagje specialer.
Er zijn maar twee olympisch kampioenen op de 500 meter die tijdens dezelfde Spelen een 1.500 metermedaille grepen. Sheila Young was de laatste. De Amerikaanse won in 1976 in Innsbruck goud op de 500 meter, brons op de 1.000 meter en zilver op de 1.500 meter. De andere was Lidia Skoblikova, die 12 jaar eerder op dezelfde baan überhaupt geen tegenstand duldde. De Sovjet-rijdster won alle vier de afstanden die toen op het olympisch vrouwenprogramma stonden: de 500, 1.000, 1.500 en 3.000 meter.
‘Ik zou voor de grap ook wel een keer de 3 kilometer willen draaien’, zegt Kok na de 500 meter. Ze kent die afstand wel. De 25-jarige Friezin is, zoals gebruikelijk in Nederland, in haar jeugdjaren als allrounder opgeleid. En met succes. Toen ze in 2020 voor de tweede keer op rij wereldkampioen allround bij de junioren werd, won ze de 500 en 1.500 meter, haalde zilver op de 1.000 meter. En op de 3 kilometer eindigde ze als vierde, op slechts een paar tellen van Merel Conijn, die brons pakte.
De geschiedenis van haar duurvermogen gaat zelfs nog verder terug. Haar eerste nationale titel behaalde Kok als pupil op de marathon. Al is marathon misschien een misleidende term. ‘Het was vijf ronden of zoiets’, herinnert Kok zich. Nog geen twee kilometer dus. Ze was van tevoren heel nerveus voor dat kampioenschap in Hoorn. Bijna was ze helemaal niet aan de start verschenen. ‘Ik was zó zenuwachtig dat mijn ouders op de Afsluitdijk zeiden: we draaien om.’
Met de jaren, en de successen, sleet die wedstrijdspanning. En tegelijkertijd verlegde Kok haar aandacht steeds meer naar de sprint, waarop ze over exceptionele vermogens bleek te beschikken. De 500 meter was de afstand waarop ze doorbrak. Maar de 1.000 meter was vaak te ver voor haar, merkte Van der Gun, die sinds vier jaar bij de Reggeborgh-ploeg werkt. ‘Ze heeft als junior wel allround getraind, maar toen ik bij de ploeg kwam, kwam ze de 1.000 meter amper meer door. Ze heeft het echt moeten aanleren.’
De afgelopen jaren ging ze, zeker in het perspectief van een sprinter, meer als een allrounder trainen. Meer uren op de fiets, langer op het ijs. Haar 1.000 meter ging met sprongen vooruit, hetzelfde gold voor haar 500 meter omdat ze aan het slot meer energie overhoudt. Zo kwam uiteindelijk zelfs de 1.500 meter weer in beeld. Van der Gun: ‘De 500 en 1.500 meter versterken elkaar.’
Het bewijs voor Van der Guns stelling leverde Kok deze winter. Niet alleen verpulverde ze met 36,09 het al 12 jaar oude wereldrecord van Lee Sang-hwa (36,36) op de 500 meter, ze scherpte op zomaar een trainingswedstrijd in Heerenveen ook het baanrecord in Thialf aan op de 1.500 meter. Dat is niet zomaar iets, weet ze. ‘Alle grootheden hebben in Thialf gereden.’
Ze heeft haar olympisch ticket op de 1.500 meter nooit als een extraatje beschouwd. Geen bonus naast de 500 en 1.000 meter. Want ze weet door dat baanrecord dat ze tot de besten van de wereld kan behoren, ook al heeft ze deze winter pas tweemaal een wedstrijd over die afstand gereden.
Kok beseft dat ze in de korte tijd tussen 500 en 1.500 meter niet veel meer kon doen. Maar dat hoeft ook niet, zegt ze. ‘Ik kan wel helemaal op de 1.500 meter proberen te trainen, maar wie zegt dat ik daar beter van word? Ik moet hem rijden zoals ik nu rijd, vanuit mijn sprint. En dan zien we wel waar het schip strandt.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant