Iran Iraniërs moeten zich niet alleen verzetten tegen hun eigen onderdrukkende staat, maar ook navigeren tussen externe machtsblokken die de Iraanse strijd gebruiken voor hun eigen doelen, schrijft Farinaz Aryanfar.
De afgelopen tijd bereikten ons uiterst verontrustende berichten uit Iran. Verspreid en fragmentarisch, maar juist daardoor des te schrijnender. Beelden van straten vol lichamen, asfalt dat rood kleurt van bloed. Meldingen van zwaarbewapende eenheden die bewust op demonstranten schoten. En daartussendoor korte berichten die ons als Iraniërs in het buitenland bereikten via WhatsApp, niet als nieuws maar als noodkreten, in rauwe zinnen:
„Ik denk dat ik een operatie nodig heb aan mijn been.”„We zijn aan het rouwen.”
Farinaz Aryanfar is Iraans-Nederlandse activiste, al jarenlang betrokken bij Iraanse gemeenschappen binnen en buiten Iran en werkt voor Oxfam Novib.
Geen verdere uitleg. Die kan niet en is ook niet nodig. De context is pijnlijk duidelijk.
Na dagen van massale protesten werden mensen met overweldigend geweld hun huizen, gevangenissen en ziekenhuizen terug in geduwd. De straten zijn in veel steden nu grotendeels rustig. Niet omdat het verzet verdwenen is, maar omdat het met harde hand is onderdrukt en van vorm is veranderd. Op verschillende universiteiten, waaronder de medische universiteiten van Teheran en Shiraz, zijn stakingen uitgebroken om de vrijlating van gearresteerde artsen en studenten te eisen. Bij begrafenissen van omgekomen demonstranten mengden nabestaanden rouw en verzet: tussen gehuil en applaus door klonken leuzen en werd hun geliefde een ‘offer voor het land’ genoemd.
Tegelijkertijd heerst onder veel Iraniërs een diepe moedeloosheid: het gevoel dat het opnieuw niet is gelukt, dat de autoritaire staat te machtig is. Het is vermengd met hoop en angst: hoop op internationale druk, maar ook de vrees dat een mogelijke Amerikaanse aanval het land verder in chaos zal storten. En de vraag die blijft hangen: wie kan – of wíl – nog helpen?
Internationaal is er wel degelijk iets in beweging gekomen. Op diplomatiek niveau werden nieuwe stappen gezet: zo werd vorige maand de Iraanse Revolutionaire Garde op de EU-terreurlijst geplaatst, en vond er een noodvergadering plaats van de VN-Mensenrechtencommissie over de situatie. Deze formele reacties laten zien dat de gebeurtenissen niet onopgemerkt zijn gebleven.
Daarnaast kregen uitspraken van de Amerikaanse president Donald Trump wereldwijd aandacht, waarin hij Iraanse demonstranten opriep door te blijven gaan en suggereerde dat zij op zijn steun konden rekenen, inclusief militair ingrijpen, iets wat de afgelopen week weer dichterbij lijkt.
Binnen de Iraanse diaspora worden de ontwikkelingen wisselend ontvangen. Sommige Iraniërs ervaren de genomen stappen als broodnodige internationale erkenning en steun. Anderen zien ze als onvoldoende, of vrezen dat ze symbolisch blijven. Die verdeeldheid is belangrijk om te benoemen: helpen deze internationale reacties de mensen in Iran daadwerkelijk?
Of een militaire aanval van de VS op Iran de situatie zou verbeteren, is maar de vraag. Wat we wél weten, is dat zulke aanvallen tot nu toe niet hebben plaatsgevonden, en dat Trump als internationale actor moeilijk betrouwbaar te noemen is gezien zijn handelen op het wereldtoneel. Alleen al daarom is het riskant om de hoop van miljoenen mensen te verbinden aan uitspraken waarvan de gevolgen onvoorspelbaar zijn.
Juist die onzekerheid verklaart waarom er onder een deel van de Iraanse intellectuelen scepsis bestaat over buitenlandse inmenging, zeker wanneer die afkomstig is van staten die zelf mensenrechten schenden, oorlogen legitimeren of vrouwen structureel onderdrukken. Zij willen geen nieuwe ‘redders’ met eigen geopolitieke agenda’s, maar ruimte om zélf hun toekomst vorm te geven.
Tegelijkertijd bestaat een ander geluid. Bij demonstraties georganiseerd door aanhangers van Reza Pahlavi, de zoon van de voormalige koning (sjah), worden Israëlische en Amerikaanse vlaggen gezwaaid en wordt openlijk opgeroepen tot Amerikaanse militaire interventie én tot het installeren van Pahlavi. Wat daarmee wordt bedoeld, verschilt sterk: sommige aanhangers zien hem als toekomstige monarch, anderen als leider van een overgangsperiode na het huidige regime, weer anderen als internationale spreekbuis die met steun van de VS en Israël verandering kan afdwingen.
Over zijn rol en legitimiteit bestaat echter diepe verdeeldheid onder Iraniërs, in Iran en in de diaspora. Voor veel demonstranten in Iran draait het protest in de eerste plaats om verzet tegen de Islamitische Republiek en een noodkreet om vrijheid, niet om het aanwijzen van een nieuwe leider. Juist daarom vraagt dit om context en analyse – en die ontbreekt vaak.
Al meer dan twintig jaar wordt het publieke debat over Iran, zowel binnen Iran als binnen Iraanse gemeenschappen in ballingschap, gedomineerd door Perzische satellietzenders en mediakanalen die worden gefinancierd vanuit Saoedi-Arabië, Israël en de rechts-extremistische hoek in de VS. Deze zenders doen iets wat het Iraanse regime niet doet: ze benoemen corruptie, geven woorden aan de woede en ontmaskeren propaganda. Dat verklaart hun populariteit. Maar daar staat iets tegenover: ze vertellen vrijwel consequent één verhaal over de toekomst van Iran, waarin slechts van één alternatief sprake is en andere stemmen structureel ontbreken.
Die eenzijdigheid wordt verder versterkt via sociale media, waar aanzienlijk veel geld voor wordt uitgetrokken. Jongeren in Iran, afgesneden van onafhankelijke informatie door censuur en internetblokkades, krijgen een sterk versimpeld beeld voorgeschoteld. Reza Pahlavi wordt in dat narratief neergezet als verlosser. Hier wringt het, in het uitwissen van interne verschillen en pluraliteit onder Iraniërs. Terwijl juist een diversiteit aan ideeën, stemmen en toekomstdromen de essentie vormt van wat vrijheid betekent.
Dit is geen abstract mediaprobleem. Het raakt aan de kern van wat er in Iran op het spel staat. Een samenleving die vecht voor waardigheid, vrijheid en zelfbeschikking dreigt opnieuw speelbal te worden van krachten die spreken óver Iraniërs, in plaats van mét hen. In de praktijk moeten mensen in Iran zich niet alleen verzetten tegen hun eigen onderdrukkende staat, maar ook navigeren tussen externe machtsblokken die hun strijd gebruiken voor hun eigen doelen.
In mijn werk binnen internationale ngo’s ervaar ik oprechte solidariteit en de wil om iets te doen. Tegelijkertijd zie ik de harde realiteit: directe steun van westerse overheden, internationale ngo’s of publieke mensenrechtenfondsen aan burgerbewegingen in Iran kan mensen in levensgevaar brengen. Elke zichtbare buitenlandse betrokkenheid kan door het regime worden aangegrepen om activisten als ‘spionnen’ te bestempelen, met arrestaties, martelingen of erger tot gevolg.
Maar niets doen is geen optie. Als directe steun gevaarlijk is, ligt een andere vorm van hulp voor de hand: het actief tegengaan van desinformatie en eenzijdige narratieven. Dat vraagt om gerichte investeringen in onafhankelijke analyse, factchecking en veilige mediaplatforms, én om de inzet van deskundige Iraniërs – journalisten, onderzoekers, digitale experts – die dit werk kunnen doen zonder zelf doelwit te worden.
Wie Iran wil steunen in de richting van democratie en vrijheid, zal verder moeten kijken dan verklaringen en morele steun. Er is behoefte aan concrete plannen: aan het mogelijk maken van onafhankelijke informatie, aan het beschermen van de ruimte voor journalisten, vakbonden, vrouwenorganisaties en studenten om zich vrij te organiseren en uit te spreken. En er is behoefte aan internationale druk, inclusief het bespreekbaar maken van vrije en onafhankelijke verkiezingen onder toezicht van de Verenigde Naties; niet om Iraniërs een toekomst op te leggen, maar om hun de ruimte te geven die toekomst zelf vorm te geven.
Volg de laatste politieke ontwikkelingen in de VS op de voet