Nederlandse literatuur Mensje van Keulen geeft in Omgeslagen dagen, een dagboek dat de jaren 1983-1987 beslaat, een fraai tijdsbeeld van de Amsterdamse culturele wereld. Soms kan ze mopperen en tobben, maar zelfs als haar verschrikkelijke dingen overkomen, blijft haar toon kranig.
Mensje van Keulen
Mensje van Keulen: Omgeslagen dagen. Dagboek 1983-1987. Atlas Contact, 224 blz. € 24,99
Negenendertig jaar en een dag is Mensje van Keulen als ze in haar dagboek noteert dat ze denkt wel wat van „mannen en lulkoek af te weten” – en gelijk heeft ze. In Omgeslagen dagen, het vierde deel in haar serie dagboeken, dat de jaren 1983-1987 beslaat, trekt een parade aan ‘kerels en andere kabouters’ voorbij. Ze heeft een scherp oog voor de snoeverij van „types die van zichzelf vinden dat ze een brede, wijze blik hebben, wat ze tot nietsige opscheppers maakt”. Ze noemt een trend, „vinden dat je anders bent en je daarop voor laten staan”. Dat soort mannelijke schrijvers is met hun zelfbeklag in de mode, stelt ze.
Zij trekt haar eigen plan. En zelfs al kan ze mopperen en tobben in haar dagboek, zeuren, klagen of zich ergens te goed voor voelen doet ze zelf nooit. Ze is en blijft laconiek en sterk, zelfs al ziet ze de ongelijkheid tussen de seksen in die tijd al scherp: „‘Klein gehouden’ speelt […] wel vaak voor vrouwen die schilderen, schrijven, componeren, enz. Het ‘Wat doet u naast het schrijven?’ of ‘Wat is uw eigenlijke vak?’ is me meer dan eens gevraagd. Dat soort vraag krijgt een mannelijke kunstenaar niet.”
Ze werkt maar door, wat er ook gebeurt, aan een kinderboek, aan verhalen, aan een roman, terwijl ze alleenstaand moeder is van een kleuterzoon én een razend druk sociaal leven plus een nieuwe liefde heeft. Ze bezoekt kroegen, theaters en bioscopen, treedt af en toe op en reist veel. Ze leest ook veel en geeft in haar dagboek korte, heldere oordelen over het werk van andere schrijvers. Net als de drie eerder gepubliceerde dagboeken geeft ook Omgeslagen dagen een fraai tijdsbeeld, niet alleen van de Amsterdamse literaire en kunstwereld, maar ook van wat er wereldwijd gebeurt, zoals de aidsepidemie of de politiek van Thatcher.
Zelfs als haar persoonlijk verschrikkelijke dingen overkomen, blijft haar toon kranig. Op een nacht, haar kind is uit logeren bij haar moeder, wordt ze door twee vrienden thuisgebracht na het uitgaan. Een derde figuur, meer een kennis, blijkt ongevraagd meegelopen te zijn. Bij hem thuis zit de deur op het nachtslot, beweert hij vervolgens, kan hij blijven slapen? Hij is een beetje handtastelijk, maar Van Keulen duwt hem van zich af en loodst hem naar het bed van haar zoon. „Welterusten gek”, zegt ze nog. Ze poetst haar tanden, verwijdert haar mascara en gaat slapen.
Tot ze wakker wordt: „Een lichaam dat tegen me aan schoof en een lul die naar binnen drong. […] Het duurde niet lang, het lichaam maakte zich van me los, ik viel weer weg. Toen ik in het eerste ochtendlicht wakker werd, drong hard en met walging tot me door wat X me had geflikt.” Ze is er ziek van, naar al snel blijkt ook letterlijk (ze moet antibiotica slikken tegen een schimmelinfectie), en vreest dat ze dit „misschien wel nooit, maar alsjeblieft wel god in de hemel, vergeet”. In de nasleep, waarin deze verkrachting als roddel Amsterdam doorgaat, heeft ze niet zozeer met zichzelf medelijden, maar met de vrouw van de dader, die ze ook goed kent en als vriendin beschouwde. „Een collega van X zegt dat X ervoor kan worden ontslagen als ik het aanhangig maak. Dat doe ik niet, de drek er nog eens insmeren, en al helemaal niet voor X’ vrouw.” Zelfs niet als ‘X’ haar opbelt alsof er niets aan de hand is.
Haar moeder zegt „dat sommige mannen vast ook woedend op X waren omdat ze zelf wel hadden gewild”.
Van Keulen noteert zoiets gewoon, zonder zich er kwaad over te betonen. Ze wil zich herpakken, ze moet door: dit dagboekdeel heeft niet voor niets als titel Omgeslagen dagen. Het is verdrietig, maar ook imponerend. Van Keulen is niet klein te krijgen.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews