Oorlog in Oekraïne Georgiërs, Wit-Russen en Tsjetsjenen vechten in de oorlog tegen Rusland mee aan Oekraïense zijde. Gedreven door persoonlijke ervaringen willen ze afrekenen met het Russische imperium. „Met Rusland is het nooit vredig geweest.”
Dimitri Tsjitisjvili, commandant van de drone-eenheid van het Georgische Nationale Legioen, test een drone in de regio Zaporizja, november 2025.
Terwijl Dimitri Tsjitisjvili’s ogen een drone volgen die testminuten vliegt boven een Oekraïens veld, heeft de Georgiër zijn knieën licht gebogen. Voortdurend stapt hij enkele meters kruislings naar rechts en terug, tikt hij zijn hakken tegen de grond, wiegt hij soepel zijn bovenlichaam kort heen en weer. Soms doet hij een paar passen naar voren en dan weer naar achteren.
Zachtjes zingt Tsjitisjvili in zijn groene legerkleding mee met het opzwepende Georgische liefdeslied dat uit de luidsprekers komt van een terreinwagen met open deuren. De volumeknop staat vol open, de muziek waaiert uit over het Oekraïense veld, ten noordoosten van de Zuid-Oekraïense stad Zaporizja. Terwijl Tsjitisjvili verschillende Georgische dansen door elkaar heen uitvoert, om warm te blijven, proberen naast hem twee Georgiërs de drone uit, voordat die later zal worden ingezet aan het front.
De 39-jarige Tsjitisjvili was vroeger danser in Tbilisi, nu leidt hij een Georgische drone-eenheid in Oekraïne als onderdeel van het Georgische Legioen dat vecht aan Oekraïense zijde tegen de Russen. Georgiërs, Wit-Russen en Tsjetsjenen strijden in Oekraïne tegen de Russische krijgsmacht. Gedreven door persoonlijke ervaringen willen mannen als Tsjitisjvili in Oekraïne afrekenen met het Russische imperium.
Tsjitisjvili zingt en danst tijdens de testmissie mee met Georgische muziek.
Als Tsjitisjvili niet aan het front zit, verblijft hij met zijn drone-eenheid in een opgeknapte flat in de provincie Dnipropetrovsk. Vanwege veiligheidsredenen wordt hun locatie niet bekendgemaakt. In de woonkamer hangt aan de muur een groot televisiescherm met verschillende camerabeelden van het front, gemaakt door verkenningsdrones.
In Oekraïne vecht Tsjitisjvili voor de bevrijding van zijn huis in het dorp Akhalgori. Dat is bezet door de Russen sinds de oorlog met Georgië in 2008 toen Rusland de Georgische provincie Zuid-Ossetië veroverde. „Als we hier winnen, kan ik terug naar mijn dorp. Het is daar zo mooi”, zegt hij dromerig. „De rivier is maar 50 meter verderop. Je bent zo in de bossen. Het doet me pijn dat ik daar niet kan zijn.”
Net als momenteel in Oekraïne heeft Rusland 20 procent van het Georgische grondgebied in handen – naast Zuid-Ossetië ook Abchazië. „Met Rusland is het nooit vredig geweest”, zegt Tsjitisjvili. „Al tweehonderd jaar worden we door Rusland bezet, zijn we niet onafhankelijk. Ook nu weer controleren ze Georgië.”
Dimitri Tsjitisjvili, commandant van de drone-eenheid van het Georgische Nationale Legioen, tijdens een interview met de Georgische televisie vanuit de regio Zaporizja.
De Russische dreiging beïnvloedt de politiek van Georgië. De huidige regering waakt ervoor Moskou te irriteren uit vrees voor een reactie: wie de confrontatie met Rusland zoekt, vraagt om problemen. Het gebeurde met Oekraïne, waarschuwt de propaganda van de pro-Russische regeringspartij Georgische Droom. Die legt de schuld van de oorlog bij Kyiv.
De slag om een vrij geboorteland speelt zich af in Oekraïne, meent Tsjitisjvili. „Als Oekraïne wint door de Russen terug te dringen uit het land, winnen wij ook. Dat zal het einde van de bezetting van Georgië inluiden. Bij een nederlaag komt Rusland verzwakt uit de oorlog. De financiële en militaire middelen zullen uitgeput zijn en de diplomatieke druk om zich terug te trekken uit Georgië zal groeien.”
Na het eten hangt Tsjitisjvili een vlag aan de muur met het symbool van het Georgische Legioen: een wolf met een landkaart van Georgië en de Oekraïense nationale kleuren blauw-geel. „Dit vindt Georgische Droom niet leuk”, grinnikt hij.
Met de vlag op de achtergrond en zijn telefoon voor zich zit Tsjitisjvili klaar voor zijn maandelijkse video-interview met een Georgische publieke zender. Hij keert zich ermee tegen de propaganda van Georgische Droom. „Ik doe mijn verhaal zodat mensen kunnen begrijpen wat hier speelt en zodat ze echte, objectieve informatie krijgen.”
Dezelfde vlag hangt ook 475 kilometer noordelijker, in Kyiv, op een basis van het Georgische Legioen. De 47-jarige Mamoeka Mamoelasjvili – een man met het lichaam van een worstelaar – richtte in 2014 het Georgische Legioen op toen Rusland dat jaar Oost-Oekraïne en de Krim binnenviel. Aan het begin van de grootschalige invasie telde het legioen tweeduizend leden, vertelt hij op de basis. Nu zijn dat er ongeveer duizend, als gevolg van omgekomen Georgiërs en leden die om verschillende redenen zijn vertrokken. Langs de oprit naar de basis staan portretten van gedode Georgiërs.
Mamoelasjvili’s leven bestaat uit vechten tegen Rusland. Als 14-jarige jongen vocht hij begin jaren negentig samen met zijn vader tegen de Russische krijgsmacht tijdens de Georgisch-Abchazische oorlog. Thuis was daar geen discussie over.
Hoewel zijn moeder nerveus was toen hij als kind besloot te vechten, begreep zij hem. „In de Georgische geschiedenis is dit helaas normaal. Want Georgië is een klein land midden in Azië en Europa. We hebben veel oorlogen gehad en tegen alle rijken gevochten.”
Daarna was hij actief in de twee Tsjetsjeense oorlogen en de Russisch-Georgische Oorlog in 2008. Hij ziet de oorlog in Oekraïne als een onderdeel van een lange strijd tegen het imperialistische Rusland. „Ik ben al 33 jaar in oorlog.”
Sandro Ochmann, soldaat van de drone-eenheid van het Georgische Nationale Legioen, voert testvluchten uit met drones in de regio Zaporizja, november 2025.
De oorsprong van zijn motivatie gaat terug naar 1921. Toen vermoordden de Sovjets een aantal van zijn voorouders die tot de Georgische elite behoorden. Vooral zijn oma vertelde hem vroeger thuis over hoe de Russen hebben geprobeerd de Georgiërs te onderwerpen en hun vrijheid af te pakken. „Ik vecht voor gewone mensen. Om Oekraïners te helpen bij wat ze nu doormaken, omdat Georgiërs dat zelf hebben ervaren. Dezelfde oorlogsmisdaden, dezelfde oorlogsgruwelen die Rusland in Georgië pleegde, herhaalt het in Oekraïne.”
Met zijn pistool zichtbaar in zijn schouderholster steekt de Tsjetsjeen Sabbach af bij het uitgaanspubliek rond hem. Hij zit in een club in het centrum van Zaporizja waar discomuziek klinkt, een lichte damp hangt van waterpijpen en Oekraïners zich hebben uitgedost. „Dit is mijn oorlog”, lacht hij, om zich heen kijkend. Sabbach (38) leidt een drone-eenheid bij het Tsjetsjeense Sjeik Mansoer Bataljon.
De dag daarvoor was hij nog op een dronemissie aan het front. Sabbach is zijn call sign. Hij vreest problemen voor zijn familieleden in Tsjetsjenië als zijn voor- en achternaam bekend worden.
Als negenjarig kind zag hij tijdens de Eerste Tsjetsjeense oorlog (1994-1996) de Russische wreedheden in zijn dorp Samasjki. „Ik heb het in elke cel van mijn lichaam ervaren.”
Sabbach vertelt over de slachtpartijen onder de Tsjetsjeense bevolking. Over dorpen die werden omsingeld en in brand gestoken. Over mensen die levend verbrandden. Over kinderen die hun ouders en vriendinnetjes met afgerukte ledematen en uitpuilende ingewanden zagen sterven. Over de talloze doden die hij moest begraven. „Net als we hebben gezien in Marioepol.”
Tussen het opgedirkte Oekraïense uitgaanspubliek denkt Sabbach terug aan het lot van zijn toen 72-jarige vader. Hij raakte gewond door een mortiergranaat. De granaatscherven troffen zijn lever en vitale organen, waardoor hij inwendige bloedingen kreeg. Sabbach herinnert zich de laatste momenten met hem, vlak voor zijn dood.
„Een paar minuten voordat zijn ziel zijn lichaam verliet, riep hij me bij zich en vroeg hij me om zijn gezicht naar de qibla te plaatsen, de richting waarheen moslims bidden. Ik draaide zijn gezicht naar die kant en legde zijn hoofd op mijn schoot. Hij was aan het bidden toen hij stierf.”
Vijf jaar later pakte Sabbach als 14-jarige jongen tijdens de Tweede Tsjetsjeense oorlog een machinegeweer op en sloot zich aan bij de strijd tegen Rusland. Toen Ramzan Kadyrov, berucht om zijn bikkelharde optreden, de macht kreeg in Tsjetsjenië, vluchtte Sabbach naar Oostenrijk.
Samen met duizend andere Tsjetsjenen vecht hij in Oekraïne opnieuw tegen de Russen. Ze hebben zich aangesloten bij het Sjeik Mansoer Bataljon, vernoemd naar een Tsjetsjeen die in de achttiende eeuw het verzet leidde tegen Russische expansie in de Kaukasus.
Hoe meer Russische soldaten hij doodt, hoe minder er overblijven, geeft hij als simpele reden voor zijn strijd. „Als ik in Oekraïne kinderen, ouderen en vrouwen zie lijden onder de oorlog, zie ik mijn moeder, mijn vader en mezelf. Poetin heeft niet het recht om iemands leven af te pakken, simpelweg omdat Rusland groot of sterk is. Dit motiveert mij om op te komen voor de Oekraïners.”
Hij vecht in Oekraïne om een fout te herstellen, zo zegt de Wit-Rus Salam (33) het zelf in een koffiebar in Zaporizja. „Als de protesten in Belarus in 2020 niet waren mislukt, als we hadden gewonnen, zou deze oorlog nooit zijn uitgebroken. Het was onze nederlaag in 2020 die het regime van Loekasjenko in extreme slavernij dreef van Rusland. Het noordelijke front werd alleen geopend omdat we in 2020 verloren.”
In dat jaar braken er in Wit-Rusland protesten uit als reactie op de frauduleuze verkiezingswinst door dictator Aleksandr Loekasjenko. De demonstranten kregen de Wit-Russische leider niet weg. Om aan de macht te blijven schakelde hij de hulp in van het Kremlin. Deze afhankelijkheid vergrootte de Russische greep op het kleinere buurland: Loekasjenko heeft voor een groot deel te doen wat de Russische president Vladimir Poetin wil. Twee jaar na deze protesten trok de Russische krijgsmacht tijdens de grootschalige invasie vanuit Wit-Rusland Oekraïne binnen en vuurde ze Russische raketten vanaf Wit-Rusland af op Oekraïne.
Salam, een soldaat van het Wit-Russische Kastoes Kalinouski-regiment, tijdens schietoefeningen op een oefenterrein in de regio Zaporizja.
De anarchistische Salam – die sinds 2010 deelneemt aan protesten tegen Loekasjenko – moest zijn land in 2020 verlaten uit vrees voor de toenemende repressie. Hij vluchtte naar Polen. In de vroege herfst van 2022 sloot hij zich in Oekraïne aan bij het Kastoes Kalinouski-regiment, Wit-Russische vrijwilligers die vechten tegen Rusland. De naam verwijst naar Kastoes Kalinouski, een nationale held in Wit-Rusland die in de negentiende eeuw het verzet leidde tegen Russische dominantie. „We vechten in Oekraïne voor de oude democratische wereld, tegen een dictatoriaal regime en een klassiek Oost-Europees despotisme.”
Een dag later mikt Salam met zijn machinegeweer op een schietschijf op een oefenterrein buiten Zaporizja. Deze ochtend krijgen Wit-Russen schiettraining. De 35-jarige Kos moet even later hijgen van de extra burpees die hij moet doen, omdat hij te ver afschoot van de roos. Om veiligheidsredenen worden alleen hun call signs genoemd. Ze willen niet zeggen hoeveel Wit-Russen in Oekraïne vechten.
De Wit-Russische soldaten Kos en Salam tijdens een militaire oefening nabij Zaporizja.
Toen de invasie begon, woonde Kos in Kyiv. Ook hij was het land ontvlucht vanwege de onderdrukking van de Wit-Russische oppositie. In de Oekraïense hoofdstad dreigde opnieuw het gevaar voor hem nadat de Russen hun aanval op Kyiv hadden geopend.
Kos – als beroep ontwerper – koos ervoor om terug te vechten. „Als Kyiv bezet zou raken dan zouden de Russen me vroeg of laat vinden. Ze werken samen met de Wit-Russische geheime dienst. Als ze op mijn deur zouden kloppen, zou ik niet eens een wapen hebben om mezelf te verdedigen. Ik wilde me niet zomaar overgeven zonder te vechten.”
Hij herinnert zich een ander voorval dat hem ook deed besluiten te vechten en zich aan te sluiten bij het Kastoes Kalinouski-regiment. Kos was in die eerste oorlogsdagen op straat in Kyiv en Oekraïners kwamen erachter dat hij uit Wit-Rusland kwam, het land dat meewerkt aan de invasie. Ze zagen hem als verrader. „En dan word je ineens een vijand, zonder dat je iets verkeerds hebt gedaan. Ik besefte dat ik de reputatie van Wit-Rusland moest oppoetsen en moest laten zien dat er een verschil is tussen Loekasjenko en het Wit-Russische volk.”
Soldaten van het Wit-Russische Kastus Kalinouski-regiment tijdens schietoefeningen nabij Zaporizja in november.
De echte namen van Sabbach, Kos en Salam en hun contactgegevens zijn bij de hoofdredactie bekend.