is opinieredacteur en columnist voor de Volkskrant.
Deze week speelde een smakelijke fittie in de krant over het publieke debat, wat dat tegenwoordig ook moge betekenen. Bernice Franssen, adjunct-directeur van de Nationale Denktank, nam de aftrap met een betoog over ‘vuur niet met vuur bestrijden’. Want ‘een toon die voor gelijkgestemden morele helderheid biedt, vergroot voor andersdenkenden vaak alleen de afstand’. Die wijsheid moet je dan voor ogen houden als je in gesprek gaat met, bijvoorbeeld, een aanhanger van het fascisme.
Kleuterspeelzaalwijsheden, concludeerde collega-columnist Sander Schimmelpenninck in een reactie. Want ‘als Donald Trump of Geert Wilders een vervelende jeugd hebben gehad, is dat alleen voor hun therapeut relevant; op dat microniveau hoort compassie thuis’. Ik zou daaraan willen toevoegen: ook op microniveau is het maar de vraag of je wel of geen compassie moet opbrengen met iemand die abjecte standpunten uitboert. Maar dan moet je wel de finesse in huis hebben om die verschillende situaties en mensen aan te voelen.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Dat vrijwel elke toondiscussie over het ‘publieke debat’ zelden iets bijdraagt, is dan ook te wijten aan wat ik het Grote Culturele Gebrek noem: nauwelijks in staat zijn om een ruimte te lezen en op een gelijkwaardige manier de ander te begrijpen, omdat Nederland al decennia een individualistische maatschappij is.
Tussen het continue vertoon van dat Grote Culturele Gebrek van de dominante meerderheid, moeten de sociale klimmers – die vaak nog wél een hechte gemeenschap (al dan niet toxisch) gewend zijn – dan maar navigeren. Een beetje geestig en vriendelijk doen om veilig over te komen, triggers bij anderen aanvoelen en daar de-escalerend op inspelen, naargeestige paternalisme en aanstellerij aanhoren, rustig proberen te verbinden met doodongelukkige, agressieve of angstige mensen die rabiate onzin roepen.
Kijk maar eens in de grote steden wie vaak als eerste ingrijpt bij een gevecht of bij dreigend gedrag van een verward persoon. In mijn ervaring, en ik ben van nogal wat incidenten getuige geweest, zijn dat vrijwel altijd allochtone mannen. En zo gek is dat niet. Ze bewegen zich vaker in groepen, herkennen onveiligheid en de dreiging van escalatie sneller dan anderen, en weten daardoor als geen ander dat er geen kudde mensen bestaat zonder eikels of mensen met mentale problematiek.
Ze weten ook als geen ander hoe ze er zelf op staan als ze níét bijdragen aan de-escalatie, mede dankzij de breed uitgemeten incidenten waarbij allochtone mannen met onbehandelde emotieregulatie problemen er juist een teringbende van maakten (en vervolgens weer in het gareel werden gehouden door buurtvaders en mannelijke allochtone jongerenwerkers).
Je zou dus denken: misschien moeten deze mannen eens gevraagd worden hoe je een discussie voert of abject gedrag aanspreekt, omdat we nu eenmaal niet in een steriele wereld leven waar alle ongemak en moeilijke mensen uitgefilterd zijn. Maar nee, men luistert liever naar Deense filosofen, paternalisten en bekende opiniemakers.
Welnu, ik heb me uit zelfbehoud lang geïdentificeerd als boze middenklasser met een karakterstructuur die gebouwd is voor gierende escalatie, maar ik begin steeds meer waardering te voelen voor de sociale finesse van allochtone mannen. Zo leerde ik van hen dat het ‘publieke debat’ vrij overrated is. En dat het echte werk, het schaduwwerk, waarbij de weg naar een ontdooid hart centimeter voor centimeter wordt gewonnen, buiten het publieke debat wordt verricht.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns