Nathalie van Berkel
Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevatmeningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groepredacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer eenhandvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.
Een kabinet dat een politieke cultuuromslag wil bereiken en het vertrouwen van burgers wil herstellen, heeft bewindslieden nodig die eerlijk zijn, ook over hun eigen verleden. Alleen zo kunnen zij geloofwaardig functioneren. In dat licht was het onvermijdelijk dat beoogd staatssecretaris van Financiën Nathalie van Berkel (D66) zich maandag terugtrok en daarna op dinsdag liet weten ook de Tweede Kamer te verlaten. Van Berkel, zo bleek uit een publicatie van de Volkskrant, suggereerde op LinkedIn dat zij de universitaire studies bestuurskunde in Leiden en rechten in Rotterdam had afgerond, maar dat bleek niet het geval. Op vragen van de Volkskrant stelde ze haar cv meerdere keren bij, wat het sterke vermoeden geeft dat ze bewust een verkeerde voorstelling van zaken gaf over haar studieloopbaan.
Het is goed dat Van Berkel, al dan niet onder druk van D66 en formateur Rob Jetten, maandag snel de eer aan zichzelf hield. Zij constateerde in een verklaring terecht dat de twijfel over haar cv vanaf het begin zou afleiden „van de belangrijke opgaven waar dit kabinet voor staat”. Een bewindspersoon die met zo’n valse start begint, zou in iedere kwestie die raakt aan het volledig of juist informeren van de Tweede Kamer de schijn tegen hebben. Dat is geen werkbare uitgangspositie voor bewindslieden van het minderheidskabinet-Jetten, die voor het vinden van meerderheden volledig afhankelijk zijn van hun relatie met de Kamer en dus volledig vertrouwd moeten kunnen worden.
De positie van Van Berkel was ook onhoudbaar vanwege de positie die ze zou krijgen op het ministerie van Financiën. Op dit ministerie ontstond het toeslagenschandaal, inclusief de gebrekkige afhandeling daarvan die nog altijd gaande is. Daarin stelde de overheid zich hardvochtig op richting burgers die veelal onbedoeld administratieve fouten maakten in te complexe systemen en regelingen. Als foutieve informatievoorziening wel door de vingers zou worden gezien bij kandidaat-bewindslieden, geeft dat aan burgers een volstrekt verkeerd signaal af.
Het vertrek van Van Berkel is tegelijkertijd ook een gemiste kans. Het feit dat zij haar studies niet heeft afgerond en toch op een succesvolle manier carrière wist te maken binnen bestuurlijk Nederland, had als voorbeeld kunnen gelden voor veel mensen. In haar maidenspeech in de Tweede Kamer vertelde Van Berkel dat ze opgroeide in een gebroken gezin dat geplaagd werd door schulden, verslaving en huiselijk geweld en dat haar maatschappelijke weg omhoog dus allerminst vanzelfsprekend was. Dat Van Berkel met deze achtergrond uit het aanstaande kabinet verdwijnt is te betreuren, de bewindsliedenploeg bestaat zoals vaker uit vooral universitair opgeleiden.
Het is pijnlijk dat Van Berkel zich, zonder iets goed praten, blijkbaar gedwongen voelde zich op haar cv beter voor te doen dan zij in werkelijkheid was. Uit een hernieuwde uitgave van het boek Diplomademocratie bleek onlangs dat de kloof tussen academisch en praktisch opgeleiden zich steeds verder verdiept, de auteurs spreken van een „nieuwe verzuiling”. De doorstroom van mensen met het profiel van Nathalie van Berkel naar het hoogste politiek-bestuurlijke niveau is in dat opzicht keihard nodig. Het is daarom eeuwig zonde dat ze niet open en eerlijk was over haar lagere opleidingsniveau.