Cody Hochstenbach | stadsgeograaf Bij het oplossen van het woningtekort wordt vooral gekeken naar het bouwen van nieuwe woningen – en dat terwijl Nederlanders bovengemiddeld ruim behuisd zijn.
Als de 4,1 miljoen ruimst wonende huishoudens allemaal 11 vierkante meter van hun woning zouden afstaan, zou het gehele Nederlandse woningtekort in één klap zijn opgelost. Deze prikkelende onderzoeksconclusie, deze week in economenvakblad ESB, komt van stadsgeograaf Cody Hochstenbach (Universiteit van Amsterdam). Hij onderzocht de verdeling van vierkante meters woonruimte in Nederland en stelt dat die verdeling flink scheef loopt.
Toegegeven: van elke ruim opgezette koopwoning gedwongen een kamer afsplitsen voor een woningzoekende, dat is in de praktijk niet werkbaar, zo zegt Hochstenbach telefonisch. „Dan komen we in de Sovjet-Unie terecht. En het is ook een wel heel kille en berekenende manier om naar het woningtekort te kijken.”
Cody Hochstenbach is stadsgeograaf aan de UvA en schrijver bij DasMag.
Toch pleit de woningmarktdeskundige ervoor verder te denken dan alleen het bouwen van 100.000 nieuwbouwwoningen. Zijn boodschap: kijk ook naar wat er al aan vierkante meters woonoppervlak is en hoe dat beter benut kan worden. Hoeveel mensen er in woningen zitten die eigenlijk groter zijn dan eigenlijk nodig, terwijl anderen juist naar een grotere woning op zoek zijn?
Het is bekend dat huizen in stedelijke gebieden gemiddeld kleiner zijn dan daarbuiten. Maar evengoed, zo stelt Hochstenbach, horen Nederlanders zelfs volgens een conservatieve berekening gemiddeld tot de ruimst wonende burgers in Europa – en dat terwijl er nog altijd een tekort van 390.000 woningen bestaat.
„Nieuwbouwwoningen zijn de afgelopen jaren inderdaad een paar vierkante meter kleiner geworden. Maar nog altijd hebben Nederlandse huishoudens zo’n 53 vierkante meter woonruimte per persoon. Dat is volgens cijfers van Eurostat meer dan de landen om ons heen, waar veel meer kleine huizen en appartementen staan. Weinig mensen beseffen dat we gemiddeld gezien heel groot wonen.”
„Nederland is in internationaal opzicht een rijtjeshuizenland. We hebben buiten de steden hele gemeenten volgebouwd met doorzonwoningen van zo’n 120 vierkante meter. Die woonruimte is bovendien ongelijk verdeeld. Met name koopwoningen zijn bovengemiddeld ruim, en naarmate het inkomen van mensen hoger is wonen zij op een groter oppervlak.”
„Nederland staat al vol met dit soort woningen, dus daar hoef je er volgens mij niet nog meer van te bouwen. Daarnaast: al die individuele voorkeuren bij elkaar opgeteld zorgen voor een collectief probleem. Als alle mensen mochten wonen zoals ze wilden, zou je simpel gezegd heel veel vrijstaande huizen rond de Dam in Amsterdam krijgen. Daar krijg je geen duurzaam en aantrekkelijk land van, maar uitgesmeerde binnensteden waar amper nog bedrijvigheid kan plaatsvinden. Daar gaat de bouwlobby volgens mij nog iets te gemakkelijk aan voorbij.”
Wanneer is een huis eigenlijk ‘groot genoeg’? Hochstenbach berekende dat, en hield rekening met het schaalvoordeel van een gezin met veel kinderen. Die kunnen immers allemaal van één woonkamer gebruikmaken.
Op basis van de berekening stelt hij dat een woning van een eenpersoonshuishouden vanaf 40 vierkante meter voldoende oppervlak heeft. Vanaf 80 is er sprake van overdadig veel woonruimte – en vanaf 160 vierkante meter sterk overdadig. Voor tweepersoonshuishoudens ligt ‘voldoende’ tussen de 50 en 100 en is er vanaf 200 sprake van overdadig veel. Enzovoort.
Volgens Hochstenbach woont meer dan de helft van alle huishoudens in Nederland in een woning die ‘overdadig’ of ‘sterk overdadig’ veel ruimte gebruikt. Meer dan 40 procent heeft voldoende vierkante meters woonruimte, passend bij hoe groot het huishouden is. Het goede nieuws: de groep die statistisch gezien op een te klein oppervlak leeft, is volgens Hochstenbach het kleinst.
„Je kunt mensen wel op een positieve manier proberen te prikkelen. Bijvoorbeeld door het makkelijker te maken om een deel van hun woning te verhuren in een hospitaconstructie. Of om grote woningen te splitsen in kleinere appartementen. In de sociale huursector kun je bij het toewijzen van woningen naast de plek op de wachtlijst ook de gezinssamenstelling laten meewegen. Grotere woningen voor gezinnen met veel gezinsleden. Dat gebeurt in Amsterdam al en dat werkt goed.”
„Maar ik denk dat we ook in maatregelen moeten denken die pijn doen. De waarde van een woning verder belasten [het eigenwoningforfait], of een belasting instellen vanaf een aantal vierkante meters woonoppervlak per persoon. Zo stimuleer je kleinere huishoudens kleiner te gaan wonen – zodat hun woning beschikbaar komt voor grotere gezinnen.”
„Eerlijk gezegd niet heel realistisch. De nadruk ligt toch wel sterk op meer bouwen. Nieuwe steden, nieuwe wijken. Straatjes erbij.”
„Precies. Eigenlijk wordt wonen hiermee gesubsidieerd. Het wordt voor mensen aantrekkelijk gemaakt om meer vierkante meters ‘woning’ te consumeren – misschien wel meer dan ze eigenlijk nodig hebben. Dat komt ook doordat het makkelijk is om in Nederland hoge hypotheken af te sluiten. Als je die subsidies weghaalt, wordt het minder aantrekkelijk om zo groot te gaan wonen.”
„Het is natuurlijk niet zo dat individuen hier ‘schuld’ aan hebben. We hebben een systeem ingericht dat ervoor zorgt dat er veel grote woningen worden gebouwd en dat mensen gemakkelijk in een te grote woning kunnen wonen. De kanttekening die ik altijd bij dit verhaal maak, is dat het wel gaat om mensen die zijn gehecht aan hun buurt, waar ze hun sociale netwerk en hun herinneringen hebben opgebouwd. Dat zijn hele goede redenen om niet alleen maar in spreadsheets te denken over het zo efficiënt mogelijk indelen van vierkante meters woonruimte. Maar we moeten ons daar ook weer niet helemaal door laten weerhouden.”
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen