Met zijn presidentscampagnes wist hij miljoenen Amerikanen naar de stembus te krijgen, onder wie velen die zich tot dan toe niet vertegenwoordigd voelden. Jesse Jackson, een van de bekendste en invloedrijkste leiders van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging, overleed dinsdag op 84-jarige leeftijd.
is nieuwsverslaggever van de Volkskrant.
Zijn familie noemt hem in een verklaring een ‘onvermoeibare veranderaar’ die ‘de stemmen van de stemlozen verhief’. Zijn inzet voor rechtvaardigheid en gelijkheid hielp, zo schrijven zij, ‘een mondiale beweging voor vrijheid en waardigheid’ vorm te geven.
Jackson werd geboren op 8 oktober 1941 in Greenville, South Carolina, in het gesegregeerde zuiden van de Verenigde Staten. Tijdens zijn studie sociologie raakte hij betrokken bij de burgerrechtenbeweging. Die verzette zich onder meer tegen rassenscheiding en de politieke uitsluiting van zwarte Amerikanen. Later studeerde hij ook theologie in Chicago en werd hij baptistisch predikant.
In de jaren zestig werkte Jackson samen met Martin Luther King bij de Southern Christian Leadership Conference (SCLC), een van de belangrijkste organisaties van de burgerrechtenbeweging. Jackson groeide uit tot een van Kings vertrouwelingen. Hij was in Memphis toen King daar op 4 april 1968 werd vermoord, op het balkon van het Lorraine Motel.
Voor Jackson en anderen van zijn generatie markeerde die moord het begin van een nieuwe fase, waarin de strijd zich steeds meer verplaatste van protest op straat naar politieke invloed en vertegenwoordiging.
In 1971 richtte Jackson Operation Push op (People United to Save Humanity), een organisatie die zich richtte op economische vooruitgang en politieke invloed voor zwarte Amerikanen. Ruim tien jaar later volgde de National Rainbow Coalition, waarmee hij een bredere politieke beweging probeerde op te bouwen van minderheden en andere achtergestelde groepen.
Landelijke bekendheid kreeg Jackson vooral met zijn kandidaturen voor de Democratische presidentsnominatie in 1984 en 1988. Hij won de voorverkiezingen en wist een groot en divers electoraat aan zich te binden, bestaande uit zwarte kiezers, progressieve witte Amerikanen, arbeiders, jongeren en andere groepen die zich politiek ondervertegenwoordigd voelden.
Zijn campagne stond in het teken van grotere politieke en economische gelijkheid, een doel waarvoor hij zich ook bleef inzetten nadat hij de nominatie niet had gewonnen. In een interview in 1996 met PBS, waarin hij terugblikte op zijn presidentskandidatuur, zei hij dat hij het als zijn verantwoordelijkheid zag om economisch achtergestelde Amerikanen weer op de politieke agenda te zetten. ‘Dit is een gevaarlijke missie, maar het is een noodzakelijke missie.’
Zijn ambitie ging in tegen de gevestigde politieke orde, in een tijd waarin een zwarte presidentskandidaat nog op grote weerstand stuitte.
Jackson bleef ook op latere leeftijd een actief pleitbezorger van burgerrechten. In 2017 maakte hij bekend dat bij hem parkinson was vastgesteld, wat hij een ‘fysieke uitdaging’ noemde. In november werd hij opgenomen in het ziekenhuis met een zeldzame hersenaandoening die onder meer het evenwicht en de spiercontrole aantast.
Zijn familie noemt hem een ‘dienend leider’, niet alleen voor zijn gezin, maar ook voor ‘onderdrukten en stemlozen overal ter wereld’. Jackson laat zijn vrouw Jacqueline en zes kinderen na.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant