Arabische Lente In Tunesië begon vijftien jaar geleden de Arabische Lente. Door de burgeroorlogen en staatsgrepen die erop volgden, worden de opstanden in Noord-Afrika vaak als mislukt beschouwd. Maar er is ook trots: „Vrijheid ligt binnen handbereik als een volk zich verzet.”
Inwoners van Sidi Bouzid - waar de Arabische Lente begon - protesteren bij het kantoor van de Tunesische premier, op 24 januari 2011.
Op de op één na bloedigste dag van de Tunesische revolutie werd de 23-jarige restaurantmanager Anis Farhani neergeschoten. Het was donderdag 13 januari 2011, hij stond in de Rue de Cologne, hartje Tunis, bij een protest tegen het regime van president Zine El Abidine Ben Ali. Er was geen enorme meute en de sfeer was goed. Totdat de schutter, een eerste luitenant bij de oproerpolitie, zijn geweer ontgrendelde.
Sofiane Farhani zag zijn broer later op amateurbeelden en bij Euronews tussen de andere demonstranten staan. Anis werd door de schutter – „die crimineel” – in zijn dijbeen geraakt, waardoor een belangrijke slagader scheurde, laat Sofiane weten via een privébericht op Facebook. „Vervolgens raakte hij een activist, en daarna schoot hij op twee jonge jongens. We zagen het ware gezicht van het Ben Ali-regime.”
Anis Farhani overleed de volgende ochtend, op dezelfde dag dat president Ben Ali Tunesië ontvluchtte. „Dat verzachtte het bittere verdriet”, zegt Sofiane.
Anis Farhani.
Al snel bleek dat de nieuw bevochten democratie de stevigheid had van een kaartenhuis. In de overgangsregering zaten oud-ministers van het Ben Ali-regime. Om hier tegenwicht aan te bieden ontstond in 2011 Awfiya (De Getrouwen), een netwerk van families van slachtoffers van de revolutie. „Onze vrijheid is gesmeed in bloed en opoffering”, legt Sofiane Farhani uit. „Dat laten we ons door niemand meer afnemen. Die boodschap moest tot de democratisch gekozen politici en het publiek doordringen.”
De Tunesische protesten begonnen nadat fruitverkoper Mohamed Bouazizi zich op 17 december 2010 in de Centraal-Tunesische stad Sidi Bouzid in brand stak. Twee maanden later verkeerden vrijwel alle Arabische leiders in politiek levensgevaar. Op 25 januari 2011 brak een opstand uit in Egypte, twee dagen later in Jemen, en op 17 februari in Libië, Marokko en Syrië. De revoluties hadden op het oog alles van een succesverhaal. De Arabische wereld, die eeuwenlang gevangen leek in wrede dictaturen en oerconservatieve islamitische denkbeelden, werd ‘cool’. „De Arabische Lente zal politieke protesten voorgoed inspireren”, schreef de Britse krant The Guardian een jaar later.
Slechts weinigen hadden oog voor het tegenoffensief van antirevolutionaire krachten. Formeel waren de regimes omvergeworpen, maar diep in de instituties waren de overblijfselen ervan nog springlevend. Deze deep states vormden een strategische coalitie met angstig geworden leiders van Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Koeweit. De geest moest terug in de fles en de revoluties moesten uit het collectieve geheugen verdwijnen, of hooguit voortbestaan als onaangename herinnering.
„De Tunesische transitie voltrok zich niet in een geopolitiek vacuüm”, zegt Sofiane Farhani, indertijd lid van de Instance Vérité et Dignité (IVD), de Tunesische waarheidscommissie. „Buitenlandse grootmachten, bondgenoten van het gevallen regime, wilden hun invloedssfeer behouden en het politieke proces bijsturen. Dus steunden ze partijen die de waarheidsvinding en de erkenning van slachtoffers van de revolutie tegenwerkten. Ze oefenden druk uit om dossiers gesloten te houden en mengden zich in het publieke debat over de wandaden van het oude regime.”
Demonstranten verbranden bij het kantoor van de premier in Tunis een afbeelding van de dan al gevluchte president Ben Ali, 24 januari 2011.
Zo brachten de tijdens de Arabische Lente opgerichte Saoedische zender Sky News Arabia en het veelbeluisterde Saoedische Al Arabiya met enige regelmaat verhalen over hoe de revoluties het resultaat waren van buitenlandse complotten. Bovendien werden afgezette leiders opgevolgd door machthebbers die hun autoritaire beleid voortzetten. Zo schoof het Egyptische leger in juli 2013 Abdel Fattah al-Sisi naar voren. Deze generaal maakte met een minutieus georganiseerde strategie en miljoenen dollars van de Golfstaten een eind aan het democratische experiment. Analisten van denktank Carnegie waarschuwden dat Al-Sisi „het totalitarisme dichter benaderde dan de Egyptische dictator Hosni Mubarak ooit had gedaan”.
Ook van de vermoorde Libische dictator Moammar Gaddafi kwam er een nieuwe versie: generaal Khalifa Haftar, de leider van het machtige Libische leger, dat met rugdekking van Egypte, de Golfstaten, Rusland, Frankrijk, Italië en Griekenland het oostelijke deel van het chaotische Libië wist te veroveren.
De Libische generaal Khalifa Haftar op bezoek bij de Russische president Vladimir Poetin in Moskou, mei 2025.
„Ze hadden een nieuwe Gaddafi nodig, iemand die ervoor kon zorgen dat democratie niet besmettelijk zou worden”, zei de Libische politiek analist Anas El Gomati vorig jaar tegen Euronews. „Haftar paste in die mal: meedogenloos, ambitieus en bereid om soevereiniteit in te leveren in ruil voor steun.” De Europese angst dat Libië zou afglijden richting islamitisch extremisme speelde Haftar in de kaart.
De herinneringen aan de trendy jongeren en vrouwen van de Arabische Lente zijn vervangen door beelden van staatsgrepen, burgeroorlogen en politieke instabiliteit. De Arabische Lente werd de Arabische Winter.
In Tunesië kwam tien jaar na de Arabische Lente, net als in Egypte en Libië, een kopie van Ben Ali met behulp van Saoedi-Arabië aan de macht. President Kais Saied vormt volgens de oppositie een grotere bedreiging voor de toekomst van Tunesië dan Ben Ali. Met een wetswijziging veranderde Saied de herdenkingsdatum van de revolutie van 14 januari – de val van president Ben Ali – in 17 december: het begin van de volksopstand.
Sofiane Farhani is inmiddels uit Tunesië vertrokken. Door zijn activiteiten voor Awfiya was het daar niet langer veilig voor hem. Hij maakt zich zorgen, maar wil ook optimistisch blijven: je krijgt, zegt hij, de gebeurtenissen van 14 januari 2011 niet zomaar uit het collectieve geheugen gewist. „Die dag herinnert ons eraan dat vrijheid bevochten moet worden. En binnen handbereik ligt wanneer een volk de moed vindt om zich te verzetten. Onze revolutie leerde dat vrijheid geen luxe is, maar een recht.”
In Tunis wordt geprotesteerd voor de vrijlating van politieke gevangenen, 10 januari 2026.
Terugblikken, extra analyses en leestips bij de laatste uitzending van de podcast Wereldzaken.