Schrijver Joris van Casteren is coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Onregelmatig schrijft hij over zijn wederwaardigheden bij dat werk. Zoals bij mevrouw H., een lerares Frans die het schoolgeld betaalde voor kansarme kinderen.
Anderhalf jaar geleden verliet de onderbuurvrouw van mevrouw H. haar gerieflijke woning in Zuid-Limburg om dichter bij haar kinderen te kunnen zijn, die met hun gezinnen in de hoofdstad waren neergestreken.
Ze moest wennen aan de Amsterdamse mentaliteit, vertelt ze op een gure dag in januari. Bovendien bleek de woning die ze vond, in de Amsterdamse Pijp, best gehorig te zijn.
Het was wel fijn dat boven haar een alleenstaande mevrouw bleek te wonen. Mevrouw H. was in Suriname geboren en huurde al meer dan dertig jaar de verdieping op tweehoog.
Mevrouw H. veroorzaakte nooit overlast, vertelt de onderbuurvrouw. We treffen elkaar in het trappenhuis, als ik bij haar wil aankloppen komt ze juist naar buiten om boodschappen te gaan doen. Ze hoorde haar ’s nachts wel eens scharrelen, maar dat was, verklaarde mevrouw H. toen ze elkaar hier in ditzelfde trappenhuis voor het eerst spraken, omdat ze moeite had met slapen.
De onderbuurvrouw merkte wel dat mevrouw H., een ranke verschijning die zich keurig kleedde en er jonger uitzag dan ze was (68), op straat soms vreemd gedrag vertoonde.
Omdat ze zelf niet meer werkt en er regelmatig opuit trekt om de drukke, anonieme buurt wat beter te leren kennen, kwam ze haar bovenbuurvrouw om de haverklap tegen.
Het viel haar op dat mevrouw H. er een merkwaardige manier van wandelen op nahield. Ze draaide plotseling om en herhaalde dat een eindje verderop, waardoor haar actieradius beperkt bleef.
Toen ze elkaar een volgende keer spraken vroeg de onderbuurvrouw of ze even binnen kwam. Ze was erg mager toen. ‘Ik zei nog: goed eten, hè, want je bent wel erg dun.’
In het najaar zag de onderbuurvrouw haar aan de Ferdinand Bolstraat een belwinkel van Odido binnengaan. Overstuur kwam ze weer naar buiten, de onderbuurvrouw vroeg of het wel ging.
Mevrouw H. zei dat haar pinpas niet meer werkte, binnen weigerde men te helpen. ‘Maar dan moet je toch ook niet bij Odido zijn’, sprak de onderbuurvrouw.
Ze bracht mevrouw H. naar ING. Het was een heel stuk lopen, want bankfilialen zijn er nauwelijks meer in Nederlandse steden. Ter plaatse zei een strenge medewerker dat ze eigenlijk een afspraak dienden te maken.
Maar er werd in het systeem gekeken, belangrijke gegevens ontbraken. Mevrouw H. moest naar een loket van de gemeente gaan, dan konden ze de pinpas misschien weer activeren.
Onderweg naar huis zei mevrouw H. dat ze het zelf wel zou regelen. Ineens was ze vrolijk, honderduit vertelde ze. Dat ze werkte als ‘schooljuffrouw’, de onderbuurvrouw kon het niet geloven.
Terwijl we staan te praten in het trappenhuis komt een andere bewoner bij ons staan. Ze is van tweehoog, haar voordeur bevindt zich tegenover de voordeur van mevrouw H. Ze werkt in een kroeg en woont hier het langst van iedereen.
De overbuurvrouw weet nog dat mevrouw H. arriveerde. Een aantrekkelijke dame, vriendelijk maar heel erg op zichzelf. De dochter van de overbuurvrouw was net geboren, mevrouw H. kwam op kraamvisite en hield de baby vast.
In het begin kwam er heel soms iemand bij haar langs. Een eventuele partner of familieleden heeft de overbuurvrouw nooit bij haar naar binnen zien gaan.
Mevrouw H. zou inderdaad les hebben gegeven, dat was minstens twintig jaar geleden. ‘Omdat ze zo alleen was, wilde ze altijd praten’, zegt de overbuurvrouw. ‘Terwijl ik in de kroeg al veel moet aanhoren.’ Haar dochter, een volwassen vrouw inmiddels, dook weg als ze mevrouw H. op straat zag naderen.
Tegen de man van de overbuurvrouw, die vorig jaar overleed, zou mevrouw H. hebben gezegd dat de bewoner boven haar een spion was. Deze jongeman, die het appartementje op de derde verdieping had gekocht, zocht contact met haar omdat hij van zolderberging wilde ruilen. ‘Op het laatst zag ze dingen die er volgens mij niet waren’, aldus de overbuurvrouw.
In december besefte de onderbuurvrouw dat ze mevrouw H. al een poos niet had gezien op straat, er kwam ook geen geluid meer uit de woning. ‘Ineens had ik een gevoel dat er iets niet klopte.’
Dat gevoel verdween ook weer. ‘Je gaat niet de hele tijd geobsedeerd staan luisteren, je doet je eigen ding.’ Bovendien waren de feestdagen in aantocht. ‘Dus misschien was ze wel bij familie of zo.’
De overbuurvrouw zegt dat ze mevrouw H. ‘ergens in november’ flink hoorde hoesten. Het klonk als de zware verkoudheid van haar man, kort voor zijn sterven.
Na de feestdagen begon de onderbuurvrouw zich zorgen te maken. Een stuk riet was van het balkon van mevrouw H. naar haar balkon gewaaid. Ruim voor de kerst had ze het voor haar deur gezet en het stond er nog steeds.
Bezorgd belde ze haar kinderen. ‘Dit is Amsterdam, mam, heel anders dan Limburg’, zei haar zoon. Een buurtteam verscheen, vanwege een schuld die mevrouw H. al een tijd niet meer afbetaalde. Vergeefs klopten ze bij haar aan.
Woensdag 7 januari sprak de onderbuurvrouw in het trappenhuis de overbuurvrouw aan, die juist op weg was naar de kroeg. Die nam het bange vermoeden serieus, al had ze eigenlijk geen tijd.
Een jaar of vijftien geleden had de overbuurvrouw haar bovenbuurman dood in zijn woning aangetroffen. Hij woonde op driehoog, naast het appartement dat de jongeman heeft gekocht.
Die bovenbuurman gaf ook al tijden taal noch teken. Via de zolderverdieping wist ze toen de woning te betreden. ‘Hij lag te ontbinden op bed, nachtenlang heb ik daar slecht van geslapen.’
De dochter van de bovenbuurvrouw, die als baby door mevrouw H. was vastgehouden maar haar op straat ontweek, zei dat in het trappenhuis een reservesleutel lag. Die had mevrouw H. daar ooit verstopt.
De reservesleutel lag er nog, gedrieën probeerden ze de voordeur van mevrouw H. te openen. ‘Maar aan de binnenkant zat een andere sleutel, het lukte niet.’
Ze belden de politie, agenten forceerden de deur. Daar lag mevrouw H., in het halletje bij de keuken, een graatmager geraamte. Uit forensisch onderzoek bleek dat ze bij overlijden nog maar 40 kilo woog. Mogelijk is ze van de honger omgekomen.
In de brievenbus zat zeer veel post. Onder meer van het energiebedrijf, dat opgewekt meldde dat in de maanden november en december aanzienlijk minder stroom en gas was verbruikt. ‘U heeft het goed gedaan!’
Team Uitvaarten van de gemeente Amsterdam deed onderzoek maar kon geen familieleden vinden. Mevrouw H. was nooit getrouwd geweest, kinderen had ze niet gekregen.
Zo werd het een eenzame uitvaart. Ik vroeg Antoine de Kom een gedicht voor mevrouw H. te schrijven en vertelde hem wat ik op dat moment van haar wist.
Geboren op 20 december 1957 in Paranam. School der Evangelische Broeder Gemeente doorlopen. Op haar 17de naar Nederland vertrokken. Studies Frans en Engels aan de Universiteit van Amsterdam.
De Kom zei dat ik een oproep op Starnieuws zou kunnen plaatsen, een populair Surinaams weblog. Mogelijk zouden zich alsnog bekenden melden. Ik deed het en mijn inbox stroomde vol.
Mevrouw H. bleek in de jaren negentig Franse les te hebben gegeven aan het Marcanti College in Amsterdam-West. ‘Als je niet je best deed ging ze enorm tekeer, tot schelden aan toe’, liet een oud-leerling weten.
Omdat ze zo streng was zou ze in conflict zijn geraakt met het schoolbestuur. Vervolgens werkte ze in Amsterdam-Zuidoost als huiswerkbegeleider. Ze betaalde schoolgeld voor kansarme kinderen als de ouders dat niet konden opbrengen, laat een vroegere bekende weten.
De meeste mails kwamen van mensen die mevrouw H. helemaal niet kenden. De familie had beter op haar moeten letten. Het was een schande voor de Surinaamse gemeenschap dat mevrouw H. geruime tijd dood lag in de woning.
‘Dat komt er nou van als je naar Nederland vertrekt’, schreef iemand uit Paramaribo. Een familie met dezelfde achternaam verklaarde op Facebook dat ze ‘absoluut’ geen verwanten waren, bij hen zou ‘dit’ nooit zijn gebeurd.
Tientallen mensen boden aan naar de uitvaart te komen, want die mocht niet eenzaam zijn. Ook actrice Gerda Havertong stuurde me een mail. Ze wilde graag een lied in het Sranantongo voor mevrouw H. zingen.
En toen gebeurde wat ik hoopte: een nicht nam contact op. Namens haar moeder en een oom – broer en zus van mevrouw H. – die gewoon in Nederland bleken te wonen.
Het klopte dat er al jaren geen contact meer was, maar ze wilden wel graag naar de uitvaart komen. Ze begrepen niet waarom Team Uitvaarten hen niet had kunnen vinden.
Dat kwam omdat de al geruime tijd geleden overleden ouders van mevrouw H. in Suriname verbleven. Ze beschikten niet over een Nederlands burgerservicenummer, in de Basis Registratie Personen (BPR) kwamen ze niet voor.
Team Uitvaarten kon dus wel zien dat mevrouw H. ongetrouwd was gebleven en kinderloos. Maar eventuele broers en zussen hadden alleen via de in het systeem ontbrekende ouders kunnen worden getraceerd.
Begraafplaats Sint Barbara, vrijdagmorgen 30 januari. Maar liefst zestien belangstellenden verschijnen. De zus, de broer, neven en nichten met wat vrienden en twee evangelische dames die klaagzangen aanheffen.
We draaien muziek van Édith Piaf, omdat mevrouw H. daar graag naar luisterde, en Adjossi van Max Nijman. Er wordt gevraagd of de kist nog even open mag. ‘De conditie van mevrouw is helaas niet goed genoeg’, zegt de uitvaartondernemer.
Na afloop stelt de broer dat hij en z’n zus makkelijk gevonden hadden kunnen worden. ‘De familienaam is vrij bekend.’ Een halfbroer van mevrouw H., niet aanwezig op de uitvaart, zou ‘de eerste zwarte Prins Carnaval’ van Nederland zijn geweest.
Herinneringen worden opgehaald. Als klein kind was mevrouw H. al erg eigenzinnig. Hun vader, die een hoge positie bekleedde in bauxietfabriek Suralco en z’n kinderen de ruimte gaf zich creatief te ontwikkelen, hield haar kort en kapte tegendraadse monologen bruusk af. Maar hij stimuleerde haar ook, door veel in het Frans en Engels met haar te praten.
Ze mocht studeren in Nederland, net als de broer en de zus. Volgens de broer was het gastgezin in Amsterdam-Zuidoost geen veilige plek, omdat er cannabis werd gerookt, waarna ze een poosje bij hem inwoonde.
Hij had een volkstuin, ze hielp met aardbeien plukken. De kinderen schaterden toen ze de vruchten in haar neus en oren stak. Ze kreeg een vriend. Broer en zus hoopten dat het iets zou worden, het gebeurde niet.
Vanaf die tijd was ze alleen. Nadat ze de woning in de Pijp had betrokken, belden broer en zus nog een paar keer bij haar aan. Door de gesloten deur zei ze dat ze geen behoefte had aan contact.
wezens dansend naar
ons eigen einde zijn wij en daar
aangekomen verlangen we net zoals
wie eerder troost
en rust tussen de zielen zochten.
zielen die voor ons uit steeds lichter stegen
na hún onvermijdelijke oversteek.
ook zij glansden ooit in al hun kracht die toch
steeds weker als een onmachtig
lichaam aan zichzelf ontvallen
zou: we zien je even weer diep
ademhalen lucia en
we beseffen mildred
dat jouw altijdslaap ook
leven met ons is dat zacht|
vervallend teder
op een nacht
de dood voorbij
zijn mag
Antoine de Kom schreef dit gedicht speciaal voor de gestorvene en las het bij de uitvaart voor.
Schrijver Joris van Casteren doet in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor de gestorvene voor.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant