In het kabinet-Jetten verdwijnt het onderscheid tussen de eerste en tweede minister op een ministerie. Kenners van het staatsrecht vinden dat vreemd: ‘Wie dat verschil overbodig wil maken, moet dat in de Grondwet regelen.’
Het aanstaande kabinet-Jetten telt op zes ministeries een dubbele bezetting met ‘ministers van’, waarbij de ‘ministers voor’ zijn vervallen. Staatsrechtgeleerde Hans Engels, voormalig D66-senator, vindt dat ‘staatsrechtelijk wringen’.
Het is gebruikelijk dat een tweede minister op een ministerie de titel ‘minister voor’ voert. Een ‘minister voor’ heet ook wel projectminister, of minister zonder portefeuille, omdat hij of zij niet de politieke leiding heeft over het departement. Artikel 44 van de Grondwet zegt: ‘Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.’ En: ‘Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.’
Met de gewoonte om zo’n bewindspersoon ‘minister voor’ te noemen, is nu gebroken. Engels schrijft in een bericht op LinkedIn dat hiermee ‘de figuur van de minister zonder portefeuille (departement) geruisloos onder het staatsrechtelijk vloerkleed wordt geveegd’. Hij vindt dat dat ‘conceptueel wel wat zuiverder had gemogen’.
Desgevraagd zegt Engels, die in 1987 promoveerde op het proefschrift De minister zonder portefeuille: ‘Ik vind deze gang van zaken opmerkelijk en jammer. Het is bovendien niet nodig, want ook een ‘minister voor’ neemt deel aan de ministerraad. Hij kan een eigen begroting hebben en is lang niet altijd de beklagenswaardige figuur die er weleens van wordt gemaakt.’
Met zijn bericht reageerde Engels op een bijdrage van Jan Postma, voormalig secretaris-generaal van Financiën, geschreven voor de site van het Montesquieu Instituut. Postma wijst daarin op de mislukking onder het gevallen kabinet-Schoof om drie nieuwe ministeries op te richten, een experiment dat hij eind 2024 al ‘een gekunstelde, onwerkbare constructie’ en ‘symboolpolitiek’ noemde.
Jetten laat de ministeries terugkeren in de moederschoot: Asiel en Migratie bij Justitie en Veiligheid, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (tot 2010 een zelfstandig departement) bij Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en Klimaat en Groene Groei bij Economische Zaken en Klimaat. Jetten was zelf ‘minister voor’ Klimaat en (toen nog) Energie in het kabinet-Rutte IV, op het ministerie van EZ.
Na de bekendmaking van de postenverdeling zei Jetten over het verdwijnen van de drie ministeries: ‘We gaan voor een slagvaardigere en kleinere overheid. Daar hoort ook bij dat we niet nu ministeries gaan bedenken. Het afgelopen kabinet heeft ervoor gekozen om een aantal aparte ministeries op te richten, maar dat leidt eigenlijk vooral tot veel onnodige extra overhead bij de overheid. Dus we willen het weer simpeler organiseren. We krijgen wel aparte bewindspersonen voor deze belangrijke onderwerpen, maar binnen de departementen zoals we die eerder kenden.’
Verder krijgen Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (bij Buitenlandse Zaken), Werk en Participatie (bij Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en Langdurige Zorg, Jeugd en Sport (bij Volksgezondheid, Welzijn en Sport) een eigen ‘minister van’. Gebruikelijk was de terminologie ‘voor’. Onder Schoof heette Ontwikkelingssamenwerking plotseling weer Ontwikkelingshulp (zoals tot 1971), ook in handen van een ‘minister voor’.
De ploeg van Schoof wilde met nieuwe, zelfstandige ministeries en eigen ‘ministers van’ het belang van de betreffende beleidsterreinen benadrukken, maar ze hebben in feite alleen op papier bestaan. Organisatiebesluiten bleven uit en ze kregen pas bijna een jaar na hun oprichting de vereiste eigen secretaris-generaal en directeur financieel-economische zaken. Dit in weerwil van het eindverslag van toenmalig formateur Richard van Zwol, dat ze ‘een eigen begroting en ambtelijke leiding’ zouden krijgen.
VVD-leider Dilan Yesilgöz zei in een reactie over het korte bestaan van de nieuwe ministeries, die de ministers meer cachet hadden moeten geven: ‘Het heeft heel veel zaken niet makkelijker gemaakt. Ik vroeg me toen ook al af of dit het beste was wat we voor de ambtenaren konden doen. We houden nu de posten wel zo, die uniekheid blijft, maar inderdaad weer binnen één departement.’
In het vakblad Regelmaat (Nederlands tijdschrift voor wetgeving) noemden juristen Robert Jan Hekket en Thijs Boomhouwer vorig jaar de gang van zaken rond de oprichting van de nieuwe departementen ‘staatsrechtelijke verrommeling’ die ‘geen navolging’ verdient.
Van het politiek verantwoordelijk zijn voor een eigen ministerie kwam volgens Hekket en Boomhouwer in de praktijk niets terecht. ‘Het zijn van ‘minister van’ werd niet uitgewerkt en feitelijk was sprake van drie ‘ministers voor’.’ Wie dat verschil overbodig wil maken, moet dat volgens de auteurs in de Grondwet regelen. Dat is zuiverder dan het met een dubbele anomalie te negeren.
Zeker nu de ministeries weer terugverhuizen, zouden de betreffende bewindslieden daarom volgens Postma weer ‘minister voor’ moeten heten. Hij noemt het ‘verwonderlijk en jammer’ dat ‘het grondwettelijke verschil in positie tussen ‘ministers van’ en ‘ministers voor’ verdoezeld gaat worden. Het verschil is er en de aanduidingen zijn eenvoudig en helder’. Hij vermoedt dat het ‘een statuskwestie’ is.
Engels: ‘Het is goed dat aan de staatsrechtelijke verrommeling met geforceerde en kunstmatig opgetuigde nieuwe ministeries een einde komt. Maar het wringt dat ministers die niet tot hoofd van een departement worden benoemd, nu ook ‘minister van’ worden. De ‘minister voor’ is juist zo’n aardige manier om het verschil tussen bewindslieden aan te duiden.’
Volgens Postma is nu ‘de vaardigheid tot samenwerking van de bewindslieden de kernfactor voor het slagen van dit experimentele minderheidskabinet’, waarin Jetten een ‘spilfunctie’ heeft. De ministeriële bevoegdheden zullen beschreven staan in de koninklijke besluiten die aan de beëdiging op 23 februari voorafgaan. Daarna volgt in de eerste ministerraad nog het zogeheten constituerend beraad, met de definitieve taakverdeling.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant