Home

‘Voor het slapen gaan doe ik een gebed en leg al mijn zorgen bij God neer. Mocht het slapen toch niet lukken, dan neem ik twee paracetamol’

Tjimmie Hacquebord-Leegsma is 100 jaar. Aan welke periode in haar leven denkt zij liever niet terug?

Tjimmie Hacquebord-Leegsma ziet op tegen het interview, en overwoog het af te zeggen. De geboren en getogen Friezin wil haar herinneringen aan de oorlog niet oprakelen – voor bijna elke 100-jarige tenslotte de meest ingrijpende levensfase. Bij de kennismaking overhandigt ze een volgeschreven vel papier in een handschrift alsof het gedrukt staat. Prakkiserend over het vermaledijde interview heeft ze vooraf notities gemaakt over haar tienerjaren vol spanning en verdriet. Maar ze ontmoette óók haar grote liefde Tjerk.

Uw aantekeningen gaan over de tijd waarover u liever zwijgt.

‘Zo begon mijn leven, met die oorlog.’

Op uw 14de was u in een klap uw onschuld kwijt?

‘Ja.’

Wat was voor u de ingrijpendste gebeurtenis tijdens uw tienerjaren?

‘Dat ze mijn buurjongen Broer hadden meegenomen, hij was van mijn leeftijd. Wij waren met zes meisjes thuis, onze buren hadden drie jongens, dus we kwamen graag bij elkaar over de vloer.

‘Mijn ouders hadden onderduikers in huis genomen. Op een dag kwamen er twee jongens bij ons langs, Tjerk en Jelle. Zij zaten verderop ondergedoken, omdat ze zich niet hadden gemeld voor tewerkstelling in Duitsland. De twee kwamen vragen of ze onze telefoon mochten gebruiken, om te informeren naar de situatie in Dokkum, waar ze vandaan kwamen. Er ontstond een vriendschap tussen Tjerk en mij, ik was niet direct verliefd. Toen hij kwam telefoneren, had hij gaten in zijn broek, dat vond ik niks. Tjerk kon aan het werk in ons dorp en dook bij ons onder.

‘Onze buurman had een boot en vroeg Tjerk en mij een dag mee te gaan varen, met nog twee vrienden. Het was in het najaar van 1944. We gingen naar Eernewoude, daar lagen veel boten met onderduikers, verscholen tussen het riet. Een van die boten was van Jaap Boorsma, hij had vier onderduikers aan boord. Hij nodigde ons uit een nacht te blijven logeren. Er kwam een jongetje langs om te waarschuwen dat er vier Duitse overvalwagens onze kant op kwamen. Jaap pakte een schep, haalde de houtblokken uit het vuur en gooide die het water in, zodat er geen rook meer uit de schoorsteen kwam. Het jongetje kwam terug: ‘Ze zijn afgeslagen, een andere richting in.’ Wat bleek later? De overvalwagens reden rechtstreeks naar ons huis. Er moet verraad in het spel zijn geweest.

‘De Duitsers vielen ons huis binnen, en telden de aanwezigen en het aantal borden dat op de gedekte tafel klaarstond. ‘Waar zijn de anderen?’, vroegen ze een van mijn zussen. ‘Dat weet ik niet’, zei ze. Met een speurhond doorzochten ze ons huis en het pakhuis van de eierfabriek van mijn vader, dat ernaast stond. Daar had hij op zolder tussen de eierdozen een schuilplaats gemaakt. Drie mannen namen ze mee: mijn zwager, mijn vader en mijn 18-jarige buurjongen Broer – die alleen maar buiten stond toe te kijken. Broer werd op transport gesteld naar concentratiekamp Neuengamme, waar hij drie maanden later stierf aan dysenterie. Hier heb ik nog steeds verdriet van – zo’n jonge jongen.’

Wat gebeurde er met uw vader en zwager?

‘Mijn vader werd op zijn hoofd geslagen en met mijn zwager opgesloten in het huis van bewaring in Leeuwarden. Omdat hij als eierhandelaar belangrijk was voor de voedselvoorziening, werd hij snel vrijgelaten.’

En Tjerk ontsprong de dans.

‘Dat we op het moment van de inval uit varen waren, was geluk. Dan denk ik: ‘Dat heeft God zo geregeld.’

‘De ouders van Tjerk kwamen ons ophalen, brachten mij naar huis en Tjerk naar een afgelegen onderduikplek in het buurtschap Egypte, waar even later ook verzetsleider Piet Oberman onderdook. Piet is nog steeds een begrip in Friesland, in 1944 leidde hij een overval op het huis van bewaring in Leeuwarden, waarbij tientallen politieke gevangenen werden bevrijd. Tjerk deed ook verzetswerk, als chauffeur hielp hij met het vervoeren van Joodse onderduikers naar een veiliger schuilplaats, midden in de nacht. Een keer zat er een echtpaar op de achterbank ruzie te maken. Tjerks bijrijder zei: ‘Stop, jullie brengen ons allemaal in gevaar!’’

Hoe herinnert u zich de eerste naoorlogse dagen?

‘Tjerk kwam op een nacht naar mij toe en riep: ‘We zijn bevrijd, we hebben al mensen opgepakt!’ Alle NSB’ers uit ons dorp, onder wie onze buren, de dominee en Lange Hessel en zijn drie dochters, die bij de Nationale Jeugdstorm zaten, werden buiten in een rij opgesteld, de veters uit de schoenen. Meisjes werden kaalgeschoren, er was een klasgenoot van mij van de mulo bij. Van mij had dit niet zo gehoeven, we waren dorpsgenoten, maar ik ben wel gaan kijken.’

Hoe bouwden jullie een nieuw leven op?

‘De vader van Tjerk had een draadfabriek in Dokkum, waar prikkeldraad en harmonicagaas werden gemaakt. Voor de bevrijding hadden de Duitsers de machines gestolen, ze werden gelukkig vlak bij de grens gevonden. Het personeel keerde terug van tewerkstelling in Duitsland. Zodra alles en iedereen terug was, zijn ze dag en nacht gaan werken om de fabriek weer draaiend te krijgen. Tjerk en zijn broer moesten meewerken. We trouwden in 1946, een jaar later werd ons eerste kind geboren, in het huis van mijn schoonouders, waar we inwoonden omdat we door de woningnood geen huis konden vinden. Tjerks vader liet later op het fabrieksterrein een houten woning voor ons neerzetten.’

Wat maakt het leven voor u waard om te leven?

‘Nu niet zoveel meer. Al mijn zussen en zwagers zijn overleden, ik wil niet ook nog meemaken dat een van mijn kinderen overlijdt, een is ziek. Ik had lieve vrienden, die zijn er ook niet meer, en doordat ik vorig jaar ben gestopt met autorijden, is het niet meer mogelijk om vrijwilligerswerk te doen. Dat is voor mij heel belangrijk geweest, het gaf mij voldoening om iets voor een ander te kunnen betekenen.’

Hoelang heeft u dat vrijwilligerswerk gedaan?

‘Dat kan ik zien aan het aantal handdoeken dat ik heb gekregen van de UVV, de Unie van Vrijwilligers. Elke vrijwilliger kreeg er een na 5 jaar, 10 jaar, 15 jaar, 20 jaar – ik moet er acht hebben, want ik heb het zeker 40 jaar gedaan. Ik blies de padvinderij in Dokkum nieuw leven in, bezocht mensen in het verpleeghuis en was bestuurslid van de UVV.’

Wie van al die mensen die u bezocht is u bijgebleven?

‘Och, er was een mevrouw die 42 jaar voor haar invalide zoon had gezorgd – hij lag de hele dag op bed. Nadat hij was gestorven, verhuisde ze naar een verpleeghuis. Iedere keer als ik haar opzocht, zei ze: ‘Je moet ervoor zorgen dat ik hier wegkom!’ Na haar overlijden, stonden we met zes mensen bij haar graf: twee verpleegkundigen, de dominee, een ouderling, mijn man en ik. Hoe triest, als iemand zo eenzaam sterft.’

Ik hoorde een mooi verhaal over uw rijbewijs

‘Vijf jaar geleden, ik was 95 jaar, moest mijn rijbewijs worden verlengd. Het ging mij niet snel genoeg, dus belde ik het CBR. Ik kreeg de directeur aan de lijn en somde alle mensen op die ik nu niet kon bezoeken, zoals mijn schoonzus Catrien, en de mensen die ik zondags naar de kerk breng. Het had effect.

‘Pas kreeg ik weer bericht dat mijn rijbewijs moet worden verlengd, maar ik doe het niet meer. Vorig jaar ben ik al rijdend een sloot in geduwd, mijn auto was total loss. Iemand in een invalidewagen keek niet uit bij het oversteken, waardoor ik snel moest uitwijken. Voordat ik het wist lag ik met mijn auto in de sloot, ik zag alleen maar water bij de voorruit en dacht: de auto ligt schuin, ik moet aan de andere kant gaan zitten, op de passagiersstoel. In de omgeving stond maar één huis, de bewoner had mij gezien, kwam naar mij toe, opende de portier en haalde mij uit de auto.’

Had u graag betaald werk willen doen?

‘Daar heb ik geen ervaring mee, dus ik weet niet wat het is. Na de mulo ging ik huishoudkunde studeren, waarmee je lerares kon worden. Voor het laatste jaar moest je naar Den Haag, maar ik merkte dat lerares niets voor mij was, dus heb ik het niet afgemaakt. Ik ging trouwen en kreeg al snel mijn eerste kind. Moeders bleven thuis, zo ging dat in die tijd.’

Stel dat u nu jong zou zijn, wat voor opleiding en beroep zou u dan graag kiezen?

‘Ik denk verpleging, dat ligt mij. Ik heb mijn vijf zussen en vijf zwagers in hun laatste levensfase begeleid. Bij alle tien was ik erbij toen ze afscheid van het leven moesten nemen. De laatste was mijn zwager Henk, hij is vorig voorjaar overleden. Bij mijn zus Janke bleef het bloed uit haar neus stromen. Ik kon het niet laten lopen en depte het op.’

Zoals een verpleegkundige ook zou doen.

‘Ik denk het wel, ja.’

Hoe is het voor u dat we weer leven in een tijd met oorlogsdreiging?

‘Heel benauwend. ’s Avonds voor het slapen gaan doe ik een gebed en leg al mijn zorgen bij God neer, daarna ben ik het kwijt en kan ik rustig slapen. Mocht het slapen toch niet lukken, dan staat er een glas water met twee paracetamol klaar.’

Tjimmie Hacquebord-Leegsma

geboren: 22 september 1925 in Zwaagwesteinde

woont: zelfstandig, in Dokkum

familie: 5 kinderen, 14 kleinkinderen, 22 achterkleinkinderen

weduwe sinds 2000

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next