Winterspelen Als regerend wereldkampioen is Kimberley Bos topfavoriet voor olympisch goud op het onderdeel skeleton – op de buik, hoofd naar voren, met meer dan 120 kilometer per uur door een ijskanaal sleeën. Voor NRC tekende Bos de ideale lijn door de bochten die haar dit weekend de titel moet opleveren.
Kimberley Bos op trainingskamp in Lillehammer, ter voorbereiding op de Olympische Winterspelen.
„Track is clear, track is clear.” De stem uit de luidspreker galmt door het geelverlichte starthuis bovenaan het olympische ijskanaal in Lillehammer. Door de ochtendschemer wordt langzaam de rivier in het met dennenbomen bedekte dal zichtbaar.
Kimberley Bos trekt haar trainingspak uit. De regerend wereldkampioen skeleton doet haar helm op, drukt het vizier naar beneden en legt dan voorzichtig de ijzers van haar slee in de gleuven in het ijs. Ze zakt in een starthouding, zet af en na een pas of tien over het ijs springt ze in vliegende vaart met haar buik op de slee.
Precies in het midden van de baan, parallel aan beide muren, glijden slee en bestuurder rechtdoor. Dan buigt het ijskanaal de bocht om en verdwijnt het donkerblauwe racepak met oranje en witte accenten van Bos uit het zicht. „Skeleton in track”, klinkt het.
In het Noorse Lillehammer begon Bos in oktober aan haar olympische seizoen. Niet lang daarna reisde Bos en haar team af naar Italië, om kennis te maken met de gloednieuwe olympische baan in Cortina d’Ampezzo.
Voor Bos en haar concurrenten begon op dat moment een race tegen de klok. In een aantal weken moesten ze de Italiaanse baan ontdekken, haar eigenaardigheden leren kennen, zich elke bocht zien eigen te maken.
Een afdaling in het skeleton duurt gemiddeld minder dan een minuut, de sporters op de slee hebben fracties van seconden om bij snelheden van boven de 120 kilometer per uur te sturen, en dus zal de wedstrijd bepaald worden door details.
„De essentie van de sport”, zegt Bos, „is om uit elk deel van de baan de maximale versnelling halen. Daarvoor heb je de ideale lijn nodig. Als je die sleet, dan voel je dat je almaar sneller gaat.” Zelfs de wereldkampioen lukt het zelden om de ideale lijn te sleeën, geeft Bos toe. „Eigenlijk denk ik dat dat dat onmogelijk is, maar het doel is om elke afdaling weer zo dichtbij mogelijk te komen.”
Dit weekend strijden vijfentwintig atletes om het skeletongoud in Cortina-d’Ampezzo. Topfavoriet Kimberley Bos vertelde NRC over haar zoektocht naar de ideale lijn.
Die begint met een plattegrond van de baan. Bos bekeek de bochten in Cortina d’Ampezzo in de zomer van 2025 voor het eerst. Ze prentte het type, de richting en de volgorde in haar hoofd.
Maanden later, in november vorig jaar, zag ze de olympische baan pas met eigen ogen, in aanloop naar de eerste wereldbeker van het seizoen. Bos ging met haar team ‘baanlopen’. Stijgijzers aan, en dan van boven naar beneden, bocht voor bocht, ruim een uur lang, alle bochten bekijken en aantekeningen maken in een notitieboekje.
„Mijn halve notitieboek heb ik volgekrabbeld, na elke afdaling die ik maakte kwamen er wel twee à drie blaadjes bij. In totaal zijn het er denk ik meer dan honderd vol ideeën, lijnen en concepten.”
Thuis werkte Bos haar aantekeningen verder uit op haar iPad. Elke bocht kreeg een nummer, een schets en begeleidende tekst. In Lillehammer liet ze een pagina zien: met zwart waren de contouren van een bocht getekend, met kleurtjes trokken er verschillende lijnen doorheen. Ernaast in keurig handschrift opmerkingen over de dikte van het ijs, het profiel, op welke plek ze de bocht het beste in en uit kan sleeën.
Daarna is het afdalen. Heel veel afdalen. „Uitproberen en kijken”, omschrijft Bos het. In november ging ze in twee weken tijd dertig keer naar beneden. In de weken voor de Spelen nog eens tien keer. „Ik heb pakweg dertig runs nodig om een heel eind te komen.”
Terwijl Bos met elke afdaling meer informatie verzamelde, hielp ook de concurrentie haar onbewust. Besloten trainen, zoals in het voetbal, kan niet in het skeleton. Van elke training verschijnt bovendien een lijst met tijden; van de hele afdaling maar ook per sectie van de baan. „Daar kun je een grafiek van maken”, zegt Bos. „Als iemand dan veel sneller is op een bepaald gedeelte van de baan dan de rest van de groep, dan ga ik bij diegene bij dat punt van de baan kijken.”
Ze keek niet alleen. Ze luisterde ook. „Aan het geluid kun je horen hoe iemand over het ijs komt, hoeveel druk ze op de slee uitoefent, of ze remmen of niet. Als iemand goed een bocht inkomt, dan hoor je vrijwel niets.” Hoe minder geluid, hoe beter, zegt Bos, want hoe minder glijweerstand, hoe hoger de versnelling.
De data zijn een referentiepunt, zegt Bos. „Ik probeer verschillende lijnen uit, en de tijden vertellen me wat sneller of langzamer is. Zo filter je de beste opties eruit.”
Scroll om stap voor stap door de illustratie heen te gaan. De tekst gaat verder onder de graphic.
Bij skeleton ligt de sporter op zijn buik met zijn hoofd naar voren op de slee. Hoe meer gewicht, hoe sneller je gaat; daarom heeft de internationale skeletonbond ISBF regels voor een gelijk speelveld opgesteld.
1. Het stalen frame fungeert als zadel.2. Met de handgrepen duwt de skeletonner de slee in beweging.3. Bumpers dienen ter bescherming tegen botsingen met de ijsmuren.4. De ijzers (‘runners’) zijn gemaakt van stalen buizen
Een skeletonner heeft een strakke, aerodynamische outfit. Op de helm na biedt de kleding weinig bescherming.
1. De helm moet stevig maar niet te zwaar zijn, omdat skeletonners hun hoofd boven het ijs moeten houden.
2. Het vizier is van perspex en komt in verschillende kleuren voor elke weersomstandigheid.
3. Het racepak is van lycra, een synthetisch rubber, en op maat gemaakt.
4. Skeletonners dragen spikes, schoenen met honderd pinnetjes, voor grip bij hun explosieve start.
Om te sturen oefenen skeletonners druk uit op de slee. Van belang is dat ze zo plat mogelijk op de slee blijven liggen, om aerodynamisch voordeel te behouden.
1. Sturen gebeurt met schouders en knieën, die kruislings gebruikt worden. Willen ze naar links, dan duwen ze met hun rechterschouder en linkerknie. Rechts andersom.
2. De tenen worden of héél subtiel of in nood gebruikt, omdat de aanraking met het ijs veel snelheid kost.
Als Bos de ideale lijn heeft bepaald, moet ze die ook kunnen sleeën. Daarvoor is grip cruciaal. Maar op de vele rechte stukken van een ijskanaal ontbreekt die; daar is de slee praktisch onbestuurbaar.
In de bochten is dat anders, dankzij een aantal natuurkundige krachten: de baan en de middelpuntzoekende kracht trekken de slee opzij, maar omdat massa traag is, wil de slee het liefst rechtdoor. De druk die daarmee wordt opgebouwd, doet twee dingen: hij duwt de slee naar de buitenkant van de baan, en zorgt dat de ijzers van de slee grip op het ijs ontwikkelen. De slee is nu bestuurbaar.
Sturen komt met een prijs: hoe meer je stuurt, hoe meer frictie de ijzers met het ijs hebben, hoe meer snelheid je verliest. Een keuze voor de ideale lijn is dus niet alleen een keuze voor de kortste afstand, maar ook voor de route met de minste weerstand. Ergens tussen die twee extremen ligt de ideale lijn.
Elke bocht heeft een of meer drukpunten, waar de druk door de natuurkundige krachten het hoogst is. Op dat punt wordt de slee het verst naar buiten (of in het geval van een schuine kombocht: naar boven) geduwd. Na een drukpunt valt de druk weg en duikt de slee naar binnen (of beneden).
Met die drukpunten kun je spelen, zegt Bos. „De vraag bij elke bocht is: geef je tegendruk om te sturen en niet naar buiten geduwd te worden, of laat je de slee lopen om meer snelheid te ontwikkelen?”
Haar ideale lijn voor de olympische baan in Cortina d’Ampezzo houdt Bos voor zichzelf; ze wil de concurrentie niet wijzer maken. Maar op verzoek van NRC tekende Bos voor drie veelvoorkomende bochten in het skeleton – die ook in het ijskanaal in Italië zitten – de ideale lijn.
Een van de meest voorkomende bochten in het skeleton is de U-bocht. De snelste lijn erdoorheen is keurig in het midden door de bocht heen, met dezelfde afstand tot zowel de binnen- als buitenmuur. Maar dat is niet haalbaar, zegt Bos. „Je moet eerst druk opbouwen voordat je kunt sturen.”
De bocht draait de baan 180 graden en heeft twee drukpunten. Daarom zul je skeletonners erdoorheen zien ‘waven’: omhoog (stijgen) en omlaag (vallen) sleeën, afhankelijk van hoe groot de druk op de slee is. Dat is geen teken van controle- of snelheidsverlies, zegt Bos. „Als de neus van de slee maar parallel blijft aan de muren, is er niets aan de hand.”
Niks doen in een U-bocht zorgt voor twee ‘waves’, maar is volgens Bos geen goed idee. „Want dan wordt je bij de uitgang van de bocht, direct na het tweede drukpunt, schuin richting de binnenmuur gestuurd zonder dat je grip hebt om er iets aan te doen.”
Het beste is om een beetje tegen te sturen, zegt Bos. Zo worden de drukpunten iets verder in de bocht gelegd. De slee blijft langer laag, houdt langer druk vast en daalt en valt minder extreem. Dat heeft twee voordelen: de afstand wordt korter, en de slee valt later de bocht uit, waardoor de slee in het midden van de baan de bocht uitkomt.
Dit luistert nauw, zegt Bos. „Als je te hard stuurt, loop je het risico dat je ijzers wegbreken of dat je snelheid verliest. Maar als je niks doet, zal de de slee niet parallel blijven aan de muren en zul je botsen. Bepalen waar je de drukpunten moet leggen, hoeveel je moet tegensturen, dat is iets waar je met jaren ervaring gevoel voor moet ontwikkelen.”
Scroll om stap voor stap door de illustratie heen te gaan. De tekst gaat verder onder de graphic.
De kortste (rode) lijn is niet haalbaar door de drukpunten in de bocht. Daardoor wordt de skeletonner naar buiten (of boven) gedrukt. Bijsturen kan, maar zorgt voor weerstand en kost snelheid.
Als de skeletonner niets doet, volgt hij de blauwe lijn ; de druk duwt de slee tot het eerste drukpunt naar buiten en valt dan weg waardoor de slee naar beneden duikt. Dit heet ‘waven’. Dankzij het tweede drukpunt ontstaat een tweede ‘wave’, maar daarna valt de druk en grip opnieuw weg. Er volgt een botsing met de muur.
De oplossing is om in de bocht lichtjes bij te sturen , waardoor je de drukpunten naar achter kunt verleggen.
Doordat het eerste drukpunt naar achter is geschoven, blijft de slee blijft langer laag in de bocht.
Door de lage positie van de slee houdt die langer de druk vast en is hij beter bestuurbaar. De val na het eerste drukpunt is minder extreem, waardoor de afgelegde afstand korter wordt. En de ‘wave’ naar het tweede drukpunt is minder groot.
De slee komt in het midden van de baan de bocht uit zonder te botsen. Dit is in praktijk de ‘ideale lijn’ ; de snelste manier om door deze bocht te gaan.
Twee of meer korte bochten, elk met een drukpunt, die elkaar snel opvolgen: dat is een labyrint. Kies je in het begin voor de verkeerde lijn, dan kun je niet meer corrigeren, zegt Bos. „In het ijskanaal van Lillehammer moet je bijvoorbeeld bocht zes wel goed insturen, anders kun je net zo goed opnieuw beginnen. Want bocht zeven, acht en negen ga je dan ook niet goed doen.”
Bij een labyrint werk je van achter naar voren, zegt Bos. „Je zoekt de plek waar je in het midden van de baan moet zitten, en meestal is dat de uitgang van het labyrint. Vervolgens ga je op zoek naar de lijn die ervoor zorgt dat je daarop uitkomt.”
De kortste route, waarbij je vroeg instuurt, is hier geen optie. Weliswaar kom je de eerste bocht goed door, maar als je te dicht op de linkermuur komt, wordt de druk in de volgende bocht te groot en wordt de slee helemaal naar rechts geduwd. Daarna volgt een val naar links, en kom je niet in het midden uit.
Te laat insturen werkt ook niet, zegt Bos. „De druk die je dan opbouwt, zorgt dat je de eerste bocht goed doorkomt, maar daarna zit je al snel te hoog in de baan.” Het resultaat: in plaats van een drukpunt zijn er nu twee, en gaat de slee waven. „Extra afstand, dat wil je niet”, zegt Bos.
In een labyrint loont het om zo te sturen dat de slee in het midden blijft, zegt Bos. „Zo loop je de kortst mogelijke route zonder te veel tegen de krachten in de bochten te werken.”
Scroll om stap voor stap door de illustratie heen te gaan. De tekst gaat verder onder de graphic.
In een labyrint volgen de drukpunten elkaar snel op.De truc is om van achter naar voor te plannen. Plan hoe de slee de laatste bocht uit moet komen, en bepaal op basis daarvan de route.
Voor de kortste route moet je vroeg insturen. Maar bij de volgende bocht wordt dan de druk te hoog. De slee stijgt, valt naar beneden en bij de exit van de bocht volgt een botsing.
Te laat insturen bij de eerste bocht zorgt voor een extra drukpunt in de volgende bocht. De slee gaat ‘waven’, extra afstand die je niet wil afleggen.
Opnieuw is lichtjes bijsturen de oplossing. Zo blijft het snelheidverlies beperkt, de slee in de overgang van bochten in het midden en werk je de natuurkrachten het minst tegen – de ideale lijn.
Een stuk ijskanaal dat recht lijkt, maar het niet is, wordt in het skeleton een bendaway genoemd. Zulke stukken komen veel voor, zegt Bos. „Meestal zitten er twee korte knikjes in die geclassificeerd worden als bochten, maar die zo weinig afbuigen dat er geen druk wordt opgebouwd en je dus niet kunt sturen.”
Waar een skeletonner tijdens een afdaling normaliter de slee parallel aan de muren wil houden, moet dat bij een bendaway juist niet. Een skeletonner wil recht door een bendaway heen zonder de muren te raken. Daarvoor moet de uitgang uit de bocht voorafgaand aan de bendaway goed zijn. „De kortste weg is geen slim idee, want daarvoor moet je in de bocht ervoor teveel bijsturen”, zegt Bos. „Als de lijn daar niet goed is, raak je een muur en begint de slee dan te pingpongen.”
Op sommige parcoursen kun je niet anders, zegt Bos, en moet je de slee als een volleerd driebander in contact laten komen met de ijswanden. „In Königsee in Duitsland is er geen rechte lijn door de bendaway heen. Daar moet je tegen de muur aan om jezelf de juiste lijn richting de volgende bocht te geven.”
Scroll om stap voor stap door de illustratie heen te gaan. De tekst gaat verder onder de graphic.
De bendaway lijkt recht maar heeft twee kleine bochten.
Een skeletonner wil recht door een bendaway heen zonder de muren te raken. Hoe je de bocht uitkomt voorafgaand aan de bendaway is daarbij cruciaal.
De kortste weg is niet slim, want daarvoor moet je in de bocht ervoor 1 teveel bijsturen; dat kost vaart.
Maar een beetje sturen is wel noodzaak: kom je de bocht voor de bendaway 1 niet goed uit, dan begint de slee te pingpongen.
Nadat Bos de lijnen door deze bochten heeft geschetst, komt ze met een disclaimer. „Elke bocht is anders. Sommigen hebben maar anderhalve drukpunt, anderen een verhoging van ijs aan de zijkant waardoor je niet de ideale ingangslijn kunt nemen. Dus elke bocht heeft zijn eigen unieke ideale lijn.”
De ideale lijn hangt ook af van je sleestijl, zegt Bos. Zij vindt dat de slee het werk moet doen, niet de sporter die erop ligt. „Sturen zorgt voor weerstand, dat remt af. Ik weet dat het soms sneller is om een foutje te maken – door de muur te raken of niet de kortste route te nemen – dan heel erg te sturen om op de ideale lijn te blijven.”
De mooiste lijn, wil ze maar zeggen, levert niet altijd de snelste tijd op. „Mijn teamgenootjes, die een stuk minder ervaring hebben dan ik, kunnen een hele goede run neerzetten. Nergens een muur raken, niet uitbreken, mooie rechte lijn. En toch zijn ze dan niet supersnel, want ze hebben teveel gedaan. De echte toppers weten wanneer ze moeten sturen, maar vooral ook wanneer niet. Dat is de laatste stap naar het hoogste niveau.”
Omdat de bochten elkaar snel opvolgen als je met meer dan 120 kilometer per uur door een ijskanaal glijdt, is het niet altijd mogelijk de beste route te pakken, zegt Bos. „Je wil voor elke lijn een scenario hebben om zo snel mogelijk terug te keren naar de ideale lijn.”
Naast de G-krachten die Bos tijdens het afdalen ervaart, die kunnen oplopen tot vijfmaal de zwaartekracht, is dit mentale aspect wat skeleton zo zwaar maakt, zegt ze. „Je moet mentaal heel erg aanstaan, zodra je bepaalde informatie krijgt moet je lichaam een laatje kunnen optrekken met de juiste oplossing. Continu vooruit kijken, schakelen tussen alle opties, en dat allemaal in een minuut.”
Heeft Bos het olympische ijskanaal in Cortina d’Ampezzo onder de knie gekregen? Het was een uitdaging, zegt ze. „Het is een gek baantje, met veel secties die omhoog lopen en waar je veel snelheid kan verliezen.” De baan duikt ook twee keer onder de grond, zowel aan het begin als aan het einde, en komt dan weer boven. „Dat zie je bijna nergens anders”, zegt Bos.
De baan is 1.445 meter lang, telt zestien bochten en is niet per se moeilijk, zegt Bos. „Iedereen komt wel beneden. Maar de snelheid opbouwen en behouden, dat is een ander verhaal.”
Cruciaal zijn het labyrint dat de bochten 4, 5 en 6 samen vormen, en de combinatie van bocht 8 en 9. „Het labyrint is heel lastig omdat de combinatie van bochten ongewoon is en de ingang van de laatste bocht heel nauw luistert”, zegt Bos. Naar eigen zeggen heeft ze dit deel van de baan inmiddels als een van de besten onder de knie.
Waar ze het nog laat liggen, zijn bochten 8 en 9. „Daar zitten de grote vraagtekens”, zegt Bos. De ideale lijn heeft ze gevonden, die ook daadwerkelijk sleeën is haar nog niet gelukt. Het was de belangrijkste reden waarom ze in november, tijdens de eerste wedstrijd op de olympische baan, slechts elfde werd. „Als dat wel lukt, dan ga ik dicht bij de top zitten.”
Als regerend wereldkampioen geldt Bos dit weekend als topfavoriet voor olympisch goud. Ze heeft er alle vertrouwen in dat ze de ideale lijn gaat sleeën. „Het heeft een paar weken geduurd voordat ik een ritme vond, maar daarna kwam er muziek in. Nu vinden de baan en ik elkaar wel leuk.”