Home

Nooteboom als openbaring

Dat Cees Nooteboom de dood nabij was, werd duidelijk in het laatste interview dat hem werd afgenomen. Het staat in De prullenmandheeft veel plezier aan mij, een bundel met schrijversportretten van Thomas Heerma van Voss, die Nooteboom bezocht in zijn huis op het Spaanse eiland Menorca.

Heerma van Voss noemt zijn taalgebruik „beknopt, soms stroperig” en constateert dat zijn geheugen soms danig hapert. In Trouw, dat het interview ook afdrukte, staat één foto waarop Nooteboom in zijn tuin zit met zijn rug naar de fotograaf. „Hij wilde niet herkenbaar in beeld”, aldus het bijschrift. Een oude man, eenzaam zittend in zijn tuin, dat was er van hem overgebleven. Hij leed aan parkinsonisme.

Het contrast met zijn vitale, breed uitwaaierende oeuvre – gedichten, columns, reisverhalen, romans – is groot. In het buitenland, vooral in Duitsland, stond zijn werk hoger in aanzien dan in Nederland, al kreeg hij ook hier de belangrijkste literaire prijzen. Hermans, Mulisch, Van het Reve en Wolkers waren bij het Nederlandse lezerspubliek geliefder dan Nooteboom. Toch hoort hij bij de grote namen van de Nederlandse literatuur van na de Tweede Wereldoorlog.

Zelf gaf hij aan zijn poëzie de voorkeur en zijn non-fictie vond hij minstens zo belangrijk als zijn fictie. In een interview uit 1982 zei hij tegen Jan Brokken: „Ik heb nooit op de journalistiek neergekeken. Net zoals García Márquez beschouw ik de journalistiek als een vak dat je heel goed moet kunnen. De meeste schrijvers kunnen het niet; ze kunnen geen reisverhaal schrijven en ze kunnen geen interview maken. Toen ik later voor Avenue ging werken heb ik daar heel wat schrijvers naar binnen geloodst maar in negen van de tien gevallen werd het niks. Journalistiek is een stiel waar schrijvers ten onrechte de neus voor optrekken.”

Ik trof dit interview aan in Over Cees Nooteboom, een bundel uit 1984 met beschouwingen over zijn werk. In de inleiding schrijft de samensteller, Daan Cartens, dat Nooteboom zélf wilde dat naast alle lovende stukken ook een aantal ‘tegenstemmen’ werd opgenomen van critici die zijn werk afwezen, zoals J.J. Oversteegen, Hans Warren en K.L. Poll. Een indrukwekkende geste van een schrijver die zijn critici nu eens niet weghoonde, maar serieus nam.

Zelf heb ik altijd het meest genoten van zijn vroege columns uit de Volkskrant en zijn reisverhalen. De poëzie vond ik te gesloten en de romans, ook Rituelen, alleen bij vlagen overtuigend. Met zijn columns, waarin hij al veel reislust toonde, ben ik als jonge lezer opgegroeid; ze waren voor mij een nieuw genre, een openbaring tussen al het grauwe nieuws.

Zijn bundel Voorbije passages bevat een voortreffelijk interview met filmregisseur Federico Fellini. Bij het afscheid geeft Fellini hem een gesloten enveloppe met een introductie voor een befaamd restaurant. Hij krijgt een diner met „zesdubbele porties”. Slotzin: „Als ik wankelend naar buiten wil in de Romeinse nacht, blijkt dat ik niet mag betalen: de maestro uit Rimini heeft de hoorn des overvloeds uit de Romagna uitgestort over de schrijver uit Amsterdam.”

De ene maestro had de andere naar waarde geschat.

Frits Abrahams

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next