Home

Zo wijdbeens op de tribune stond ik er wat ongepast bij, misschien. Wat moest ik daar?

Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant

Ik was te vroeg, wel twintig minuten. (Als ik ergens twintig minuten te vroeg ben, ben ik stiekem tien minuten te laat, omdat ik me een halfuur vergist heb. Mijn tennismaat zat nog op thuis op de bank uit te buiken.)

Op de baan waar ik moest zijn, baan 11, stonden vier jochies te dubbelen. Het is mijn lievelingsbaan. Verscholen tussen hoge hagen ligt baan 11 als enige op ‘de club’ los van andere banen, je hebt er dus geen last van de buren. Het is een Bredaas centercourtje met bescheiden tribunes dat kan veranderen in een kolkende arena. Maar voor ons, laagbegaafden, is het veeleer een knusse hondenmand, afgesloten van het geraas en het gebral.

Ik keek naar de ventjes. Pas na een minuut begreep ik dat het geen wedstrijd was die ze in zwijgende concentratie afwerkten, maar een geoliede oefenvorm. Over die olie zo meer, eerst wat over de klassieke kinderlokkerij die analoog is, en achterhaald.

Gezien bovengenoemde beschutheid (je met je tegenstander in een bubbelbad laten zakken is minder intiem), stond ik er, zo wijdbeens op de tribune, wat ongepast bij, misschien. Wat moest ik daar? Ik ben me bewust van mijn afwijkende, verdachte tennistas waarin precies één racket past, als in een foedraal. Iedereen op ‘de club’, ook deze knulletjes, is voorzien van een ruime, driedimensionale tas waarin extra benodigdheden als petjes, handdoeken en drinkflessen passen. In de mijne, de platgeslagen variant, allemaal niet. Het lijkt de tas van een bedrieger. Er staat in rode letters ‘Boris Becker’ op, de ex-gedetineerde – ook dat nog.

Iedereen verdient een tweede kans, kindertjes!

Zodra ze mijn kant op keken, glimlachte ik vriendelijk, net als de man die zich ooit aan de rand van ons speelveldje opstelde in een afgeragde Toyota. Op de achterbank stond een koe van papier-maché die zijn kop opzij draaide als de man glimlachend aan een koord trok. Wilden mijn broertjes en ik, luidde zijn vraag door het omlaag gedraaide portierraam, zijn koe komen aaien?

Nee.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Ontspan, leken de knaapjes me gerust te willen stellen, wij denken heus niet dat u uw tennistasje zelf heeft gemaakt met naald en draad (niet: naaimachine). We zijn hier niet op TikTok moet u maar denken. Schrijft u liever iets over de olie in onze machine!

Graag. Wat deze basisschoolleerlingen deden, zwijgend en onverzettelijk, was elkaar van achter de baseline met lange, harde slagen de bal toespelen, afwisselend kruislings en rechtdoor, zodat ze alle vier even vaak aan de beurt kwamen. Er vloeiden lange, gelijkmatige rally’s uit voort, wat verschrikkelijk moeilijk is, geloof mij maar. Gefascineerd toeschouwend begon ik twee zaken heel goed in te zien, namelijk A. hoe het moet, tennissen, en B. hoe het komt dat ik het nooit meer zal leren.

De beste van het stel was 8 ofzo, en hij bereidde zijn slagen chirurgisch voor. Mij is al zeshonderd keer toegebruld: Peter, éérder voorbereiden. Hoe graag ik het zou willen, de voorbereidingen vroeger starten, ik vergeet het steeds. Pas als de bal er bijna is, kom ik in actie. Voor deze jongetjes moet dat eruit zien als iemand die tijdens het tafeldekken begint met aardappels schillen.

De minst sterke schakel, een kleuter met een Harry Potter-brilletje, stapte overdonderend soepel in en maakte zijn slag helemaal af. Die gozer was even groot als zijn racket. Wanneer was hij met tennissen begonnen? In de baarmoeder? Had zijn moeder haar buik tegen het scherm gedrukt toen Nadal en Djokovic elkaar de tent uit vochten? En wat deed ik hier eigenlijk?

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next