Het Rijksmuseum in Amsterdam wijdt een grandioze tentoonstelling aan kunst die is geïnspireerd door de Romeinse dichter Ovidius. In zijn ‘Metamorfosen’ worden nogal wat vrouwen ‘overmeesterd’, en dat zie je terug in de schilderijen. Maar het Rijks biedt tegenwicht.
schrijft voor de Volkskrant over kunst, cultuur en moderne mores.
De ongeëvenaarde Britse bioloog en natuurfilmer David Attenborough, die dit voorjaar 100 jaar oud wordt, maakte recent een aantal documentaires als een soort nalatenschap van zijn leven op aarde. Bijna een eeuw observeerde hij de levende wereld, en legde hij vast hoe die drastisch veranderde. Je kunt het zien als getuigenis van een metamorfose – een gestage gedaanteverwisseling van de aarde.
Tragisch wordt zichtbaar hoe rigoureus de mens de natuurlijke bronnen is gaan uitputten, tegen het eigen belang in. Maar het toont ook het bijna bizarre aanpassingsvermogen van de natuur; daar waar ze opnieuw ruimte krijgt, wordt ze weer een bron voor leven.
Sommige eeuwenoude verhalen zijn kneedbaar als Barbapapa, steeds weer een bron voor creativiteit, en daarmee in elke tijd weer actueel. Daarom ook kwamen de gedachten aan David Attenboroughs verslag op bij het zien van de nieuwe tentoonstelling in het Rijksmuseum over de Metamorfosen van de Romeinse dichter Ovidius, een reuzengedicht uit de oudheid vol mythen over verandering.
Zo wordt in de catalogus Paëthon beschreven, de onbezonnen zoon van zonnegod Helios, die zijn vaders zonnewagen voor een ritje meeneemt, met desastreuze gevolgen voor het klimaat. Te dicht vliegt hij langs de aarde, zodat alles in de hens vliegt. De zee trekt samen, schrijft Ovidius, en verwordt tot zanderige vlakte. De grond scheurt en de hitte is ondraaglijk. Herkenbaar?
De wereld zal niet eindigen, klinkt de zalvende stem van Attenborough in zijn documentaire, die redt het wel. Natuur herstelt zich. De mens echter, die kan zichzelf wel uitroeien. ‘Als de zee en de hemelpolen zullen worden vernietigd, keren wij terug tot de vroegere chaos’, schrijft Ovidius. Is dit echt tweeduizend jaar oud?
Een van de eerste zalen van de tentoonstelling gaat over chaos. Je ziet de metamorfose in actie. In het aangrijpende beeld La Terre, de aarde, van August Rodin lijkt een mens zijn lichaam uit de ruwe massa te trekken. Het is een beeld van wit gips, bijna de helft van het lichaam is verbonden aan een klomp materiaal, alsof de man zijn best doet zich eruit te bevrijden. Je kunt er een verbeelding van de schepping van de mens in zien. Maar ook van het scheppingsproces van een kunstwerk, want het lijkt alsof Rodin op de helft van het boetseren is gestopt. De indruk die achterblijft, is dat we verbonden zijn met alle materie. De levende wereld en de mens, we horen bij elkaar.
De zaal is een staaltje tentoonstellingskunde van de hoogste orde; er hangen kunstwerken die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben, die in materialiteit en omvang onverenigbaar lijken en in totaal verschillende tijden en plaatsen zijn gemaakt. Gewoonlijk werkt dat niet. Hout naast marmer, een foto naast een schilderij, 16de eeuw naast de 20ste. Het beeld Birth van de Cubaanse kunstenaar Ana Mendieta, waarin uit de aarde de vorm van een vrouw en een vulva opdoemen, naast La Terre van de Fransman Rodin. Een marmeren beeld van Constantin Brâncusi naast een rond schilderijtje van Adam en Eva. Chaos, schijnbaar. Maar o, wat een poëzie ontstaat hier.
Conservator Frits Scholten kneedde deze selectie tot iets dat bij elkaar meer is dan de losse elementen. Dit is chaos, schepping en verbondenheid, verbeeld door de meest kundige mensexemplaren. Er is beeldrijm, vormverwantschap en, vooral, onverwachte harmonie. Het bindmiddel is die grote barbapapa van de menselijke verbeelding: de verhalen uit de Metamorfosen. In elke tijd en onder elke kunstenaarshand werden die weer in een andere gedaante vormgegeven, keer op keer weer actueel.
Ovidius was een klassieke dichter; daarover kun je heel gewichtig doen of dat kan juist best intimiderend zijn. Maar wel een dichter van wie de verhalen in zo veel verschijningen door de geschiedenis piepen, dat iedereen er wel iets van kent. Narcissus bijvoorbeeld, naamgever aan de bloem en het fenomeen narcisme, die niet kon stoppen met staren naar zijn evenbeeld in de vijver. Jawel, hier hangt een van de mooiste verbeeldingen, Caravaggio’s jongeling Narcissus, in close-up geschilderd. Verstrengeld in zichzelf, gevangen in zijn spiegelbeeld als een verloren tiener in zijn telefoonscherm. Bijna duikelt hij erin, zijn ziel is er al in verdwenen.
Of Medusa, de schoonheid die werd gestraft nadat ze was verkracht, die veranderde in een monster met slangen als haar, en die ieder mens dat haar aankeek zou verstenen. Als je haar niet kent van antieke beelden, dan vast wel van de ontelbare versies in de popcultuur. Hier is ze te zien op drie grote schermen in het videokunstwerk Spawn van Juul Kraijer. Een vrouw, close-up, die de krioelende slangenkuil die haar eigen haar is geworden gelaten ondergaat.
En er zijn twee beelden uit de renaissance van Perseus die Medusa heeft onthoofd. Een is een model in brons van het beroemde beeld van Benvenuto Cellini uit Florence. Medusa’s lichaam ligt aan Perseus’ voeten, het bloed dat uit haar vloeit zal de koralen in de zee rood kleuren en het gevleugelde paard Pegasus zal eruit ontstaan. Zo gaat dat bij Ovidius: het een transformeert tot het ander, onder de handen van de goden en de elementen, continu. Huup huup, barbatruc.
Alles verandert, niets gaat teloor. Dit motto van Ovidius wordt in het museum gevierd met een grandioze selectie van kunstwerken; ieder object is op zich een bewijs dat materie kan transformeren in een verbeelding van diepe menselijke emoties en passies. Kunstenaars hielden van de Metamorfosen, ze zijn immers zelf illusionisten die een gedaanteverandering veroorzaken in verf, marmer, parelmoer, tapijt, hout, glas, of welk materiaal ze ook beheersen. De 16de-eeuwse biograaf Karel van Mander noemde het monumentale gedicht al ‘een bijbel voor kunstenaars’.
Dat zet het kijkplezier hier aan, want iedere kunstenaar geeft een eigen draai aan de verhalen. Neem de metamorfose van de weefster Arachne, die door de godin Pallas wordt gestraft voor haar eigengereidheid en zelfvertrouwen. Ze wordt veranderd in een spin, zodat ze voortaan alleen nog de zilveren draden van een web kan weven. Schilder Luca Giordano liet uit de vingers van de angstige vrouw spinnenpootjes groeien. Rubens laat Pallas in razernij Arachne te lijf gaan met een weefspoel. Op de achtergrond schilderde hij het tapijt dat Arachne weefde, een ánder verhaal uit de Metamorfosen.
En dicht bij deze kunstwerken staan twee enorme spinnen van brons, je zou er onderdoor kunnen lopen (mag niet), uit de beroemde serie spinnen van Louise Bourgeois. Haar moeder was weefster. Er zit in dit beeld liefde, zorg, dominantie en een zweem van geweld. Sommige spinnensoorten eten hun moeder immers op, de zwarte weduwe verslindt haar mannetje na het paren. Als je wilt, zit de associatie erin.
Het mooie van de Metamorfosen is, volgens Frits Scholten, dat ze niet moralistisch zijn. Het zijn ontstaansmythen en verhalen over de invloed van de goden op de mensheid, die niet zijn geschreven om mensen een bepaalde kant op te bewegen in een spectrum van goed en kwaad. Dat is waar, als je ze vergelijkt met de christelijke verhalen, maar er valt wel wat op af te dingen.
Uit de lange rij straffen voor vrouwen vanwege mooi zijn, een wil hebben of gewoon bestaan, valt wel iets van een visie op de vrouw te destilleren. Die wordt dubbel versterkt in de flinke reeks verkrachtingen van vrouwen door oppergod Zeus in de Metamorfosen. Zijn echtgenote Juno was jaloers – heel raar, als je man constant achter jonge meiden aanzit – en daarom vermomde Zeus zich telkens als hij zijn oog had laten vallen op een mooie vrouw.
In een zwaan bijvoorbeeld, om Leda, de koningin van Sparta, te kunnen nemen. Op een zwoel schilderij, een 16de-eeuwse kopie naar een werk van Michelangelo, lijkt Leda het zalig te vinden, die vogel tussen haar benen. Of hij veranderde in een donkere mist, om de jonge nimf Io haar eer te ontnemen. Als we de schilder Correggio mogen geloven, die er een adembenemend tedere voorstelling van maakte, ging Io met rode wangen in volle overgave de mist in.
Hij vermomde zich als gouden munten, om zich te storten op de schitterende Danaë, die het toch al niet had getroffen met een vader die haar opsloot om haar maagdelijkheid te bewaken. Hij hield geen rekening met Zeus, die zich in de vorm van deze gouden regen naar binnen drong. Hendrick Goltzius verbeeldde het magistraal, de slapende Danaë. Zeus veranderde in een stier om de prinses Europa te kunnen ontvoeren – twee weelderige schilderijen laten een feest zien van vlees en volle vrouwen, waarvan er niet een ook maar een blijk van ongenoegen toont om de overmeestering.
De vrouw speelt kortom in de Metamorfosen geen andere rol dan als eigendom, trofee of lustontvanger van een mannelijke god, meestal Zeus. En als ze een eigen wil of behoefte heeft, straft oorlogsgodin Pallas Athene haar af. Als ze aan een mannelijke belager wilde ontsnappen, transformeerde ze, in bijvoorbeeld een laurierboom of rietstengel.
Dit legde in de literatuur mede de basis voor de alomtegenwoordige male gaze. Eeuwenlang bestonden verhalen slechts uit het perspectief van de man. En in de eeuwen die volgden werd het patriarchaat er niet minder op; keer op keer zagen kunstenaars in de Metamorfosen een kans om naakte vrouwen te verbeelden, waarmee steeds weer verhalen van seksueel geweld werden schoongewassen tot erotische idylles.
Zie hier het dilemma van menig kunstliefhebber: scheve, onaangename verhalen vol geweld gepresenteerd als romantiek, maar wél gevat in indrukwekkende kunstwerken. Het zijn maar verhalen, natuurlijk. Ze kunnen niet in het echt en Zeus bestaat niet, maar ze tonen tezamen een langdurige pijnlijke vanzelfsprekendheid van de onmacht en futiliteit van de vrouw.
Het Rijksmuseum is zich hiervan bewust en heeft bovendien sinds een aantal jaar het streven een evenwichtiger balans tussen mannelijke en vrouwelijke perspectieven te laten zien. Daaraan dragen de visies op Ovidius van Juul Kraijer, Femmy Otten en de Zuid-Afrikaanse Nandipha Mntambo bij, net als de queer transformaties van kunstenaar Ulay en de ‘omgekeerde Pygmalion’ door Paul Delvaux. Die schilderde niet een mannelijke kunstenaar die verliefd wordt op zijn eigen sculptuur van een vrouw, zoals Ovidius beschreef, maar een vrouw (naakt, dat wel) die zich vleit tegen een stenen torso van een man. Het biedt evenwicht, niet alleen vanwege meer balans in genderperspectieven, maar in het algemeen. Elk kunstwerk vliegt de oermythes van Ovidius weer net anders aan.
Het vreemde toeval wil dat ook de Week van de Poëzie, vorige week, in het teken stond van het thema ‘Metamorfose’. Ellen Deckwitz schreef een wonderschoon geschenk met dezelfde titel, waarin ze in negen ‘metamorfosen’ verhaalt van de krochten waar een mens door kan gaan wanneer een liefdesrelatie stukloopt. Het is puur toeval, er is niets afgestemd met het Rijksmuseum, toch is de bundel een toevoeging. Want wat er in het innerlijk leven kan ontstaan in zo’n ontwrichtende fase is soms weinig minder dan een radicale gedaanteverandering.
‘Als je weggaat zal er nog steeds adem zijn/ en Netflix, de stad stort niet in’, schrijft Deckwitz in de achtste metamorfose, bijna laconiek, maar de optie dat er géén adem is, ligt ondertussen op tafel. Even later: ‘Dan zal ik naar de kikkervissen staren, zien/ dat er uit hun kieuwen alweer longen bungelen,/ de staart op afsterven staat,/ zich ledematen ontwikkelen waardoor ze kunnen vertrekken.’ Hoe raak, dit beeld, dat de binnenwereld met de processen in de natuur verbindt. De metamorfosen uit de natuur, die uiteraard óók inspiratie waren voor Ovidius. Visje wordt kikker, larve wordt libelle, water wordt sneeuwvlok. Alles verandert, niks gaat teloor.
In de laatste grote zaal krijgt de vreugde over het kunstwerk als metamorfose een slinger. Voor Frits Scholten, die naast hoofd beeldhouwkunst ook hoogleraar is aan de Universiteit van Amsterdam en waarschijnlijk de grootste beeldhouwkunstexpert is in Nederland, is dit formeel de laatste tentoonstelling van zijn lange carrière als conservator bij het Rijksmuseum.
In deze zaal lijkt hij bijna te freestylen met een aantal pareltjes van objecten die je als metamorfose van natuur tot kunst kunt zien. Zoals het gewei van een eland, dat een kunstenaar duizend jaar geleden bewerkte tot fijnmazig kunstwerk, of een narwaltand, van nature gedraaid, die tot bokaal is gesneden. Het geeft het gevoel van een feestelijke toegift.
Uiteindelijk zijn de Metamorfosen, en ook deze tentoonstelling, één grote ode aan veranderlijkheid. Een middelvinger naar het idee van status quo. We hoeven niet vast te zitten, dingen hoeven niet te blijven zoals ze zijn. Verandering is beweging. Van gedachten in nieuwe ideeën, van materiaal in emotie, van fantasieën in woorden, van natuur in kunst. Het is bijna alchemie. De metamorfose viert de vitale energie van de natuur en het vermogen van de mens om ideeën om te zetten in woorden en kunst – en daarmee de eigen sterfelijkheid te ontstijgen.
Metamorfosen
Beeldende Kunst
★★★★★
Rijksmuseum Amsterdam (i.s.m. Galleria Borghese, Rome), t/m 25 mei.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant