Cees Nooteboom (1933-2026) Als schrijver en dichter laat Cees Nooteboom een rijk en gevarieerd oeuvre na, waarin reisverhalen een belangrijke plaats innemen. Reizen was voor hem een geconcentreerde vorm van schrijven, maar ook een manier van mediteren en denken.
Cees Nooteboom leest voor uit eigen werk bij een Leidse studentenvereniging in 1983.
Op 2 september 2019 kreeg Cees Nooteboom een eredoctoraat van het University College Londen vanwege zijn uitzonderlijke bijdrage aan de Europese literatuur. Hij kreeg een schitterend kostuum aan van glanzend goudbruine en paarse stof, een fluwelen hoofddeksel. Het was tevens de graduation ceremony van de studenten, die zeker drie uur lang voor hem langs liepen om hun diploma in ontvangst te nemen. Na de hele ceremonie moest Nooteboom knielen op een met rood fluweel bekleed bankje en kreeg hij een heuse ridderslag. Hij vond het prachtig.
In zijn dankwoord vertelde hij dat hij in 1954 een opschrijfboekje kocht en begon te schrijven. Meer was het niet, zei hij. Hij vertelde dat hij ‘een moeilijk kind’ was en op zijn zeventiende uit huis was gegaan. Hij ging liften in Frankrijk, in Spanje en elders in Europa. Geen betere manier om overtuigd Europeaan te worden dan onderweg zijn met Duitsers, Fransen, Engelsen, Zweden, Polen en anderen, hield hij zijn duizendkoppig gehoor voor. Toen hij zijn vriend Rüdiger Safranski eens had gevraagd wanneer hij in ’s hemelsnaam al zijn biografieën had geschreven (Goethe, Schiller), antwoordde die hem dat dat was in de tijd dat Nooteboom de wereld las’.
Het is een van de vele prijsceremonies die in de loop der decennia ter ere van Nooteboom zijn georganiseerd. Woensdag overleed hij, op 92-jarige leeftijd, in een ziekenhuis op zijn geliefde eiland Menorca, waar hij al meer dan vijftig jaar een huis had. Hij ontving tientallen prijzen, van de P.C. Hooftprijs tot de Oostenrijkse Staatsprijs, van de Constantijn Huygensprijs tot de Spaanse Premio Formentor. Alleen die ene, de Nobelprijs waarvoor hij zo vaak werd genoemd, ontving hij niet.
De jeugd waarover hij in Londen sprak en de Tweede Wereldoorlog hebben hem én zijn oeuvre gevormd. ,,De eerste Duitsers die ik in mijn leven zag, kwamen uit de hemel”, vertelde hij graag, daarop kwamen die uit het water, daarna die over land. Hij stond hand en hand met zijn vader, op het balkon van hun woning in Rotterdam, te kijken naar de parachutisten die op 10 mei 1940 neerdaalden. Zijn vader kwam aan het einde van de oorlog om bij het Britse vergissingsbombardement op het Bezuidenhout.
Als hem gevraagd werd hoe hij schrijver werd, herhaalde hij de vraag zuchtend. Hoe wordt iemand schrijver? Zijn ouders verhuisden veel, scheidden, zijn vader verdween uit zijn leven, hij groeide op in pleeggezinnen en op kostscholen en internaten die door monniken werden geleid. Van de franciscanen en de augustijnen leerde hij Grieks en Latijn, de klassieke talen die aan de basis van de Europese geschiedenis staan, hij was ze ‘eeuwig dankbaar’.
Hij ging uit huis, werd jongste bediende bij de Rotterdamsche Bank in Hilversum, fietste door het bos om betalingen te doen, ging bij een beekje zitten om ‘iets te doen wat hij denken noemde’, en ‘wat misschien al schrijven was’. Het echte schrijven begon aan de leestafel van de bibliotheek in Hilversum. Nee, schrijver had hij nooit echt willen worden. Het liep gewoon zo.
In 1954 besloot de jonge Nooteboom liftend de wereld in te trekken. Hij deed voorgoed de deur naar de vrijheid open. Met lopen is hij nooit meer opgehouden, en met lezen en schrijven ook niet. In de jaren ’60 kwam hij op Frankendael, het grote huis in Amsterdam waar de familie woonde van zijn eerst vrouw, Fanny Lichtveld. Hij vond er een soort familieleven, dat hij nooit gekend had. Heerlijk kon hij vertellen over die eerste grote overtocht op een cargo, naar Suriname waar een deel van haar familie woonde.
Jaloers kon Nooteboom zijn op schrijvers als Proust, Borges en Nabokov, die de beschikking hadden over de bibliotheken van hun vaders en in hun jeugd al alles hadden gelezen waar ze hun leven lang uit konden putten. Nootebooms grootvader van moederskant werkte bij de spoorwegen. Zijn moeder zorgde ervoor dat hij op het gymnasium kwam. Proust heeft Nooteboom later in zijn leven van a tot z gelezen, vertelde hij in deze krant. Rond zijn veertigste las hij de hele A la Recherche du Temps Perdu, in het Frans, in een paar zomers. Hij vond het magnifiek, en bewonderde als schrijver vooral het feit dat Proust vanaf de eerste zin de hele constructie van ‘die kathedraal’ al in zijn hoofd had.
Nooteboom debuteerde in 1955, op tweëntwintigjarige leeftijd met Philip en de anderen, een dromerige, mysterieuze roman, waarvoor een Frans meisje model stond dat hij tijdens een lifttocht had ontmoet. In zijn roman Rituelen (1980), de roman waarmee hij doorbrak bij het grote publiek, staat de zin die zo vaak is herhaald: ‘herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil’. Een goed geheugen, nee, dat had hij niet. Zijn grote liefde, Simone Sassen, was zijn geheugen. Hij onthield wat hij zag, wat hij observeerde op een terras, op straat, op zijn vele reizen. Maar data, jaren, nee. Reizen was, zei hij, ‘een bepaalde vorm van eenzaamheid die je zelf zoekt’, een vorm van ‘verhevigd leven’. Alles werd scherper. Reizen werd, in zijn woorden, ‘een geconcentreerde vorm van schrijven’, en zelfs ‘een vorm van mediteren’, een manier van denken. Maar het was ook een confrontatie met zichzelf. Het onlangs gepubliceerde eerste deel van zijn dagboeken (De danser en de monnik), met toewijding bezorgd door zijn grote vriend Philippe Noble, die bijna zijn hele werk in het Frans vertaalde, getuigt ervan: hij is onzeker, twijfelt, zoekt en onderzoekt.
Vaak was Nooteboom precies daar waar het gebeurde in de Europese geschiedenis. Het maakte van hem een Europeaan in hart en ziel. Spanje was zijn grootste liefde, hij doorgrondde wat er werd gezegd en geschreven over dictatuur, censuur en ballingschap. In 1956 was hij bij de opstand in Boedapest. Een jaar later voer hij als matroos naar de Caribische Zee en Zuid-Amerika, zag wat kolonisatie voor sporen had achtergelaten. In de landen van Zuid-Amerika zou hij vaak zou vertoeven als gast op literaire festivals. Daarna reisde hij verder en putte er een belangrijk deel van zijn verhalen uit. In Parijs en Praag observeerde hij de gebeurtenissen van mei ’68. In 1989, toen de muur viel, was hij in Berlijn. Bolivia, Brazilië, Niger, Mali, Gambia, Maleisië, Iran, Mexico, Japan – er is bijna geen land dat hij niet bereisde en waar hij niet over schreef. Tientallen reizen maakte hij samen met fotograaf Eddy Posthuma de Boer, in de jaren zestig tot tachtig. Daarna ging hij vooral op pad met zijn vrouw, de fotografe Simone Sassen. Samen maakten ze Tumbas, een prachtig boek over graven van dichters en denkers en Saigoku, een beeld en woordverslag van hun pelgrimage naar de 33 tempels bij Kyoto.
Veel vroege verhalen en reportages verschenen in Het Parool, Elsevier en in Avenue. Voor dit tijdschrift maakte Nooteboom ook vertalingen van werk van auteurs die hij op zijn vele reizen had ontmoet. Hij las altijd, veel en vaak, hedendaagse auteurs én klassiekers. Zijn leven lang was hij genereus in het aanbevelen van jonge schrijvers bij buitenlandse uitgevers. Zijn eigen werk werd in meer dan dertig talen vertaald. Hij droeg zijn vertalers op handen en kwam op voor hun positie: ,,Zorg dat het honorarium voor literaire vertalers verlost wordt van het stigma van de nette armoede”.
De Duitse uitgeverij Suhrkamp publiceerde zijn Gesammelte Werke in elf delen. Belangrijk was ook zijn vriendschap met de Duitse filosoof en schrijver Rüdiger Safranski, die in 2008 een bloemlezing over zijn werk publiceerde (Zielsverhuizing vindt niet na, maar tijdens het leven plaats). Graag vertelde Nooteboom de anekdote dat Safranski in zijn jonge jaren Philip en de anderen een cultboek had gevonden, maar dacht dat de auteur ervan al jaren dood was. Tot ze elkaar bij toeval ontmoetten in een Duitse boekhandel. Een levenslange vriendschap was geboren. Een vergelijkbare band had Nooteboom met de Argentijnse filoloog en schrijver Alberto Manguel, die eveneens over zijn werk schreef (Alles voor het eerst, 2013). ,,Ze zijn zoveel erudieter dan ik”, verzuchtte hij soms.
Terwijl de wereld Nooteboom omarmde en met prijzen overlaadde, voelde hij zich zelden op juiste waarde geschat in zijn geboorteland. Met Nederland had Nooteboom een haat-liefderelatie. Hij was zelden tevreden over de aandacht die hij hier kreeg van de literaire kritiek. Zijn goede vriend Remco Campert vertelde hem waarom: ,,hoe kan het ook anders, je bent er nooit!” Inderdaad bracht hij doorgaans per jaar maar enkele weken door in Amsterdam. Als hij er tussen zijn vele reizen door, wel even was, ging hij vaak naar de Kring of café Zwart, waar hij de literaire collega’s van zijn generatie trof. Vaak sprak Nooteboom over zijn gestorven vriend Hugo Claus.
Zelf vond hij zich, ondanks het feit dat hij in Den Haag was geboren, en zijn leven lang een groot deel van het jaar op reis in het buitenland was, ‘onvervreemdbaar een Amsterdammer’. ,,Eigenlijk ben ik echt een Nederlander”, zei hij, ,,als we door de polder rijden, vind ik dat behoorlijk fantastisch. Ook historisch. Een beschaafd land. Misschien heeft het ook een beetje met het naderend einde te maken, dat je dat soort dingen gaat denken. Al ben ik bereid morgen weer het tegenovergestelde te zeggen. Ik weet dat ik dat doe.”
Veel van zijn essays hebben beeldende kunst tot onderwerp, waarbij het vooral om kijken gaat: fotografie, schilderkunst, architectuur. Onlangs verschenen bijvoorbeeld Bomen waarin stenen bloeien over het werk van de Italiaanse kunstenaar Giuseppe Penone en Nooit gebouwd Nederland, een poëtische benadering van niet-uitgevoerde architectonische ontwerpen.
Nooteboom was in staat in enkele woorden iemand of iets te treffen. Hij keek, en vatte de kern van wat hij zag. Zo gaat ook het prachtige essay Venetië. De leeuw, de stad en het water (2018) over kijken. Je kunt het lezen als een zelfportret van een schrijver die ons een inkijkje gunt in zijn leven en zijn denkwereld. Nooteboom neemt je mee naar de stad waar hij ruim vijftig jaar geleden voor het eerst kwam. Hij werd erdoor gevloerd. Neem de beschrijving van de eerste keer dat hij Venetië zag: ‘Lang geleden is het, maar het moment blijft onvergetelijk. De zon ketste op het plein, tegen al die ronde, vrouwelijke vormen van portaalbogen en koepels, de wereld maakte een kwartslag en ik voelde me duizelig. Hier hadden mensen iets gedaan wat niet kon, op deze paar moerassige stukken grond hadden ze een tegengif bedacht, een toverij tegen alles wat lelijk was in de wereld. Honderd keer had ik die afbeeldingen gezien en toch was ik er niet op voorbereid, omdat het volmaakt was. Dat geluksgevoel is nooit overgegaan’.
In al zijn werk komen tientallen andere levens voorbij – van mannen, vrouwen, van andere schrijvers en kunstenaars uit voorbije tijden. Van personages uit boeken, van afgebeelde mensen op schilderijen. Bij een mysterieus schilderij van de zestiende-eeuwse schilder Giorgione, in de Accademia, kijkt hij naar die zittende, half-naakte vrouw met haar baby, naar de jongeman links (..) en krijgt hij de aanvechting ‘om in dat schilderij naar binnen te mogen, langs haar te lopen, door die stad te dwalen (..) en dan uit die stad terug te komen, naar haar toe, om bij haar te zijn, van verf te worden en tegelijkertijd toch onzichtbaar.’ Nooteboom duikt als het ware het schilderij in, hij wil meer weten van dat leven, er zelf in opgaan. Zijn literaire referenties zijn persoonlijk. En internationaal.Nooteboom kon de ene na de andere anekdote vertellen, over zijn reizen, over zijn internationale schrijversvrienden. Hij sprak in cirkels, spiralen en pirouettes. Literair gezien hield hij niet van de ik-vorm. In zijn reisverhalen had hij het wel over zichzelf, ‘maar mijn zieleleven – voor geen goud! Als iemand mij vraagt wie ik als biograaf wil, zeg ik: geen één! Het is toch allemaal lichtzinnige niksigheid.’
Nieuwsgierig – als Nooteboom iets was, was het dat. Of het nu een plek was, een schilderij, een standbeeld of een tuin – altijd was hij benieuwd naar het verhaal erachter. Hij hield van mensen, van het observeren van mensen: ,,als je ziet hoe kwetsbaar mensen zijn, hoe ze door het leven tobben.. dat is een motor, als die er niet is, schrijf je niets.”
Hoewel Nooteboom vaak wordt gezien als de maestro van het reisverhaal, was hij ook een magnifiek dichter. Hij kon in zijn gedichten wonen, net als de door hem bewonderde dichter Jan Jacob Slauerhoff. Een van de eigenaardige dingen aan het oud worden, schreef Nooteboom in de bundel Rode regen (2007), is dat zo ongeveer alles een herinnering oproept. Die vind je ook, vermomd, in zijn poëtische werk. Nooteboom debuteerde met De doden zoeken een huis (1956) en publiceerde daarna vele dichtbundels. In 2020 verscheen Afscheid. Gedicht uit de tijd van het virus, dat hij voltooide in een landhuis in Zuid-Duitsland waar hij vaak de winter doorbracht. Het zijn beelden van oorlog, van verdwijnen en verdwalen, van verder trekken, de tijd, de dood, dromen, ‘lessen in afwezigheid’. Hij begon eraan in zijn huis op Menorca. Achter in zijn tuin, vlak bij de studio waar hij een groot deel van zijn werk schreef, plantte hij cactussen. Hij noemde ze zijn ‘vrienden die geen monden hebben’, maar ‘puntige en hoekige armen’. Er staat een vijgenboom, en ‘duizendjarige stenen van de muur’, ‘ganzen van de buren’. Ze komen voor in zijn gedichten en in zijn korte verhalen, zoals 533, een dagenboek. Soms drukt hij er een foto van af.
Een gevleugelde uitspraak van Nooteboom luidt ‘Ik had wel duizend levens en ik nam er maar één!’. Hij heeft meer levens geleid dan menigeen. Nostalgisch was hij niet. Hij besefte dat het ook Proust niet ging om herinnering en nostalgie: ,,Het gaat over het verleden als actief principe in je leven, over hoe je door het verleden terug te halen het heden activeert’. Nooteboom zelf was er een meester in geworden.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC