Trek je dit jaar voor het eerst naar Oeteldonk, Kielegat, Lampegat, Kruikenstad of Mestreech? Een Limburgse en een Brabantse redacteur gidsen je door het volksfeest van het zuiden.
Het geoefende oog spot ze meteen: carnavalstoeristen. Feestforensen. Import.
Ze knopen een sjaaltje om, trekken een onesie aan, of zetten een streep schmink op hun gezicht en stappen in de intercity naar Oeteldonk of Lampegat. Lallend met een harde G.
Carnavalssteden zijn klaar met de ‘festivalisering’ van hun volksfeest. De afgelopen jaren klinkt veel gemopper over de opkomst van dreunende housemuziek, zwarte capuchons of Randstedelingen in bananenpak die lokale tradities in het gedrang brengen. In Oeteldonk prijkte vorig jaar op een groot verkeersbord de tekst ‘Randstedelingen opgelet!! Friet voor 5 euro. Patat voor 50 euro’.
Toch: alle mensen uit het noorden weren, is de gastvrijheid van Noord-Brabant en Limburg te na. Maar hoe voorkom je scheve blikken en gedraag je je wél als een goede gast? Eerst vijf universele gedragsregels:
Túúrlijk bestaan er gemene delers: een pop van papier-maché als mascotte, een optocht met praalwagens, een carnavalsprins of -prinses, en evenementen die steevast om 11 over 11 beginnen, of het nou ochtend of avond is. Maar wie echt wil meedoen, moet zich verdiepen in de lokale details. NRC vroeg vijf carnavalsprominenten in de vijf grote carnavalssteden om de onwetende toerist wegwijs te maken in hun stad.
Roger Schouten vertolkt deze carnaval voor de 22ste en laatste keer de rol van Peer vaan den Muggenheuvel tot den Bobberd, een van de sleutelfiguren in Oeteldonk.
Tijdens carnaval verandert provinciehoofdstad Den Bosch in een dorp, pardon, ’n durp. Oeteldonkse vrouwen worden ‘durskes’, de mannen ‘boeren’. Vandaar de boerenkielen, rijkelijk versierd met rood-wit-gele versiersels en oetels, de kikkers die symbool staan voor de bewoners van het moerassige gebied rondom de stad. Een kiel wassen is strikt verboden, volgens de traditie dan. Luchten mag wel.
Al wekenlang is Roger Schouten in de weer als Peer, de ‘Burgervoajer’ van het ‘durp’. Maar op carnavalszondag, om precies 11 over 11 ’s ochtends, op station Oeteldonk, dan begin het écht. „Dan zet de Prins een eerste stap op de stapsteen, die daar op het perron ligt: een stuk Oeteldonks moeras onder glas verwerkt. En dan heet ik hem van harte welkom en wordt het volkslied gespeeld. Dat kan ik eigenlijk nooit zonder tranen doorstaan.”
Het Oeteldonkse carnaval uitleggen? Dat is geen sinecure. Peer is de ‘eerste boer’. Aan hem worden de sleutels van de stad voor drie dagen overgedragen door de burgemeester. Hij ontvangt Prins Amadeiro, de 27ste inmiddels, die niet uit Den Bosch mag komen en niet in dialect praat. En dan heb je het nog niet eens gehad over Knilles, Hendrien, Kees Minkels.
„Kijk, dat theaterstuk is voor een kleine groep. Dat snappen misschien een paar duizend mensen helemaal. Iedereen is welkom met carnaval, maar verdiep je even in de gebruiken die we hebben.” Dat wil zeggen: kom niet in een cowboypak en zorg dat je een paar Bossche carnavalsliedjes kent (denk aan krakers als Blauw, Ooit en Anousjka). „Als je voor après ski-muziek komt kun je beter een stukje doorrijden.”
Dennis Schoormans is voormalig voorzitter van Carnavalsstichting Tilburg en voorzitter van de commissie protocol, verantwoordelijk voor het waarborgen van tradities.
„Tilburg is een echte arbeidersstad”, zegt Dennis Schoormans. „Kruikenstad is een verwijzing naar dat verleden: hoe de textielarbeiders de ochtendurine meenamen naar de fabriek om de wol te ontvetten. De ‘Kruikenzeiker’ is ons boegbeeld.”
Van oudsher verenigden de arbeiderswijken zich ieder in hun eigen carnavalsclub. Die traditie zet zich voort: Kruikinnen en Kruiken vieren carnaval vooral in groepen. Iedere club heeft zijn eigen herkenbare attributen, jassen, kleuren, emblemen of kielen. Ze zijn minder streng dan hun buren in Oeteldonk: „Als je in een bananenpak wil komen mag dat ook.”
Vroeger waren alleen de ondernemers, artsen of andere welgestelden lid van de Carnavalsstichting. „Zij werden ook wel gekscherend de ‘Blauwekielenmaffia’ genoemd”, zegt Schoormans. „Alleen zíj mochten de groen-oranje-sjaal, de halsdoek en die blauwe kiel dragen.”
Dat is de afgelopen twintig jaar veranderd: de spullen zijn openbaar gemaakt en de verkoop is flink aangemoedigd. „Het motto is nu: de sjaal verbindt. Met een groen-oranje sjaal hoor je er dus meteen bij.”
Carnaval vieren was in Tilburg tot 1964 streng verboden door de kerk. Wie toch de straat op ging, had een proces-verbaal aan zijn broek. En dus werd het feest gevierd in „achterkamertjes, lusje zaaltjes en achter de gordijnen”.
Alle officiële gelegenheden spelen zich nu trots af in de buitenlucht. Als je niks wil missen, moet je op het Stadsforum zijn, het ‘protocollaire plein’: voor het Haandeschudde – elkaar een fijne carnaval wensen – op de zaterdag, de finale van d’n Opstoet – de optocht – op zondag of het afscheid van de prins om 11 over 11 tijdens Et Sebiet op dinsdagavond.
En wat te drinken? „Schrobbelèr” (spreek het niet uit als Schrobbeleer want dan val je meteen door de mand). „Het is populair in alle carnavalssteden maar het komt uit Tilburg. De oprichter had zijn eigen recept met 43 kruiden omdat hij last had van z’n maag.”
Kun je gelijk de tekst leren voor de carnavalshit Drink Schrobbelèr. Andere luistertips: het volledige oeuvre Veul Gère of het nummer Groen-Oranje Sjaal. „Dat zijn enorme bangers, zoals mijn dochters van 16 zeggen.”
Bart Stoop brak in 2020 door als Peter Selie met de carnavalshit Hoemoes dá òk alweer, over de uitdagingen waar hij als veganist mee te maken heeft. In het dagelijks leven is hij biologiedocent.
Carnavalsact Peter Selie moest een eendagsvlieg worden, maar het mocht niet zo zijn. „Ik wilde gewoon heel graag een keer een carnavalshit schrijven. Maar daar kreeg ik toen zoveel reacties op dat ik er nog maar een heb geschreven. En nu, vijf jaar later, doe ik het nog steeds.”
Tijdens carnaval grijpt Kielegat terug op de geschiedenis. In de Tachtigjarige Oorlog werd de stad heroverd op de Spanjaarden door de list met het Turfschip van Breda, „een soort Paard van Troje”. „Dat schip vol met soldaten kon de stad makkelijk in varen, omdat de katholieke Spanjaarden carnaval aan het vieren waren.” Het verhaal is één van de mogelijke verklaringen voor de naam Kielegat: het gat in het schip waardoor de soldaten naar buiten kwamen gekropen.
Stoop woonde op allerlei plekken in Noord-Brabant, dus heeft genoeg vergelijkingsmateriaal om te kunnen zeggen wat Breda bijzonder maakt. „Carnaval is hier heel open. We hebben hier relatief weinig strikte regels, geen echte dresscode. Het is vooral buiten. Dat maakt het heel toegankelijk.”
In Breda ligt het zwaartepunt op maandag, de dag van de optocht. „Dat is de dag waarop de stad zichzelf echt extra uitdraagt.” Maar, drukt hij de minder ervaren carnavalsvierder op het hart: carnaval is een meerdaags feest. „Het mooist is om het gewoon helemaal mee te maken.”
Gemeenteraadslid Rosa van den Nieuwenhof werd in 2024 als Mina d’n Urste de eerste vrouwelijke Stadsprinses in Lampegat.
Zelfs een feest dat aan elkaar hangt van de tradities verandert, zij het langzaam. Eindhoven had in 2024 de primeur een vrouw als hoogste vertegenwoordiger van het carnaval te hebben. Hoe ze precies is verkozen weet Rosa van den Nieuwenhof nog altijd niet precies: „Wie er in de prinskeuzecommissie zit, is strikt geheim.”
De naam Lampegat is een verwijzing naar de fabriek van Philips, de economische motor van de regio. Hier geen ‘alaaf’, maar ‘salaai’: dat woord werd in 1962 bedacht door H. de Wit, die het inzond als antwoord op de prijsvraag in de zoektocht naar een eigen carnavalsgroet.
Die willekeur, dat is precies wat carnaval zo leuk maakt, volgens Van den Nieuwenhof. „Sommige dingen mogen ook best nergens over gaan.” Een voorbeeld: haar vriendengroep reikt al jarenlang d’n Gouwe Kauwgumbal uit, in een toilet tussen twee kroegen in. „Dan staan we daar met z’n allen hutje-mutje in een toilet naar een oeverloze speech te luisteren, terwijl niemand eigenlijk weet waarvoor die prijs precies is.”
En wat kleding betreft: „Sommige mensen zullen zeggen dat ze in Lampegat niet de mooiste ‘pekskes’ dragen, maar ik vind het juist leuk dat het hier minder uitmaakt hoe je je kleedt. Iedereen mag aansluiten in de polonaise.” Zelfs als je alleen een onesie aantrekt? „Dan ook, al kun je misschien nog wel íéts beter je best doen.”
Grootste ‘don’t’ met carnaval: „Vrouwen betasten omdat je denkt dat dat ineens mag met carnaval. Maar dat geldt overal. Niet alleen in Eindhoven of met carnaval.” Afgelopen jaar, in het staartje van haar regeerperiode, werd de bewustwordingscampagne ‘Nie groaie mar zwaoie’ opgetuigd door de vier grote Brabantse carnavalssteden. Inmiddels is er ook een bijbehorend carnavalsnummer van de Eindhovense tak van de Dolle Mina’s.
Armand Peereboom, voormalig Prins Carnaval en de aanstaande president van carnavalsvereniging De Tempeleers.
Wie de intercity uitzit tot het eindstation gaat geen carnaval vieren, maar Vastelaovend. Kom je van boven de rivieren? Niet schrikken als je liefdevol wordt uitgemaakt voor Hollender of Huillander.
Maastrichtenaren – sjengen – vieren carnaval buiten. Zaate hermeniekes (blaaskapellen) trekken door de straten, gevolgd door een dansende stoet. Je hoeft niet per se als íéts verkleed: met uitbundige schmink en een mix van de bodem van je verkleedkist pas je er het best tussen. Bont, veren, glitters, lempkes (lampjes): hoe meer, hoe beter, aldus Peereboom. Maar in een boerenkiel moet je niet aankomen.
Op vrijdag (‘ambtenarencarnaval’) of zaterdag (de machtsoverdracht van de burgemeester aan de prins) kun je zeker al sfeer proeven – maar echte Maastrichtenaren gaan nog niet verkleed. Een roed-geel-greune sjaal of een veeg schmink is voldoende. Op zondagmiddag wordt carnaval pas echt ‘ingeschoten’. Letterlijk: met elf schoten van het Momuskanon op het Vrijthof en het optakelen van ‘t Mooswief. „Het vastelaovendventielke wordt dan opengedraaid”, zegt Peereboom. „Iedereen laat de druk van het normale leven los.”
Van tevoren kun je je dialect oefenen met het oeuvre van Beppie Kraft. Haar hits zoals In D’n Hiemel of Iech bin zoe verleef ga je geheid horen, zegt Peereboom. Als je de smaak te pakken hebt, kun je de gehele Spotify-playlist van De Tempeleers opzetten. Meezingen – ook in gebrekkig dialect – wordt zeker gewaardeerd. „Je hoeft geen Maastrichtenaar te zijn, als je je maar Maastrichtenaar vóélt.”
Nog een tip: „Probeer een sjoes of een haaf um: een soes is een pilsje met een klein scheutje oud bier erin, een haaf um is half oud bier aangevuld met gewoon bier.” En qua eten – natuurlijk – friet zoer vleis en probeer ook een nonnenvot (letterlijk: ‘de kont van een non’, een gefrituurd gistdeeggebakje).
Op carnavalsdinsdag wordt om middernacht ’t Mooswief naar beneden getakeld onder luid gesnik en het Maastrichtse volkslied. „Het moment dat ze met haar voeten op de grond landt, is ook symbolisch: iedereen weer met beide benen op de grond. Dat geldt ook voor de stadsprins: hij gaat het podium op als Hoeglöstegheid, en komt eraf als burger. Het normale leven begint weer.”
Illustratie en animatie Jet Peters
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC