Psychologie Het kabinet-Jetten wil sociale media voor kinderen verbieden. Weinig liberaal, vindt psycholoog Wouter van den Bos. „Het gaat alleen over verbieden en afpakken.”
Studenten doen hun mobiele telefoon in een locker op een middelbare school in Lorient, Frankrijk. Waarschijnlijk worden sociale media in Frankrijk dit jaar verboden voor kinderen onder de 15
‘Ik word eerlijk gezegd een beetje moe van die man”, verzucht ontwikkelingspsycholoog Wouter van den Bos. „Hij herhaalt zich steeds.” Het gaat over de publicatie die de wereldberoemde Amerikaanse sociaal psycholoog Jonathan Haidt half januari online zette: een essay dat Haidt samen met zijn collega Zachary Rausch schreef voor het World Happiness Report 2026. Het heeft de vorm van een juridisch pleidooi om een rechtbankjury ervan te overtuigen dat sociale media onveilig zijn voor tieners én sterk hebben bijgedragen aan de toename van psychische problemen bij jongeren. „Er staan goeie dingen in, maar ook heel slechte”, zegt Van den Bos, die zelf aan de Universiteit van Amsterdam onderzoekt wat kinderen op sociale media zien en hoe ze dat ervaren.
Haidt is de grote aanjager in het internationale debat over sociale media, mobiele telefoons en kinderen. Hij heeft er wetenschappelijke artikelen over gepubliceerd, het boek Generatie Angststoornis (2024) over geschreven, en hij heeft er een wekelijkse Substack-nieuwsbrief over (After Babel). Dat Australië in december sociale media voor jongeren onder de zestien jaar heeft verboden, iets waar Haidt „dankbaar” voor is, is ongetwijfeld deels aan hem te danken, evenals de wens van het nieuwe Nederlandse kabinet sociale media onder de 15 te verbieden. De grassroots ouderbeweging Smartphonevrij Opgroeien Nederland, die daar juichend op heeft gereageerd, vindt ook inspiratie in Haidts werk.
Op zich denkt Van den Bos óók dat sociale media zoals ze nu zijn ongeschikt zijn voor kinderen. „Kinderen zeggen zelf dat ze er langer op zitten dan ze zouden willen, de algoritmes zijn ingesteld om hen vast te houden, ze kunnen er geweld op zien, wapens en drugs kopen, vreemden kunnen er contacten van seksuele aard met hen aanknopen, er zijn problemen als cyberbullying, deepfakes, nudify-apps. Dat dat allemaal niet goed is, daar is iedereen het over eens.” Dat het eerste punt dat Haidt en Rausch in hun essay maken: dat het product ‘sociale media’ onveilig is voor tieners.
Wat Van den Bos ook heel goed vindt, is dat Haidt en collega’s openbaar maken dat werknemers van Meta, TikTok en Snap zélf zeggen dat sociale media schadelijk zijn voor jongeren. „En dat daar dan niet naar gehandeld wordt, dat is echt ontluisterend om te zien. Haidt en collega’s hebben er zelfs een website voor opgetuigd.”
Maar met het tweede punt uit het essay is Van den Bos het niet eens. „Haidt wil zo graag aantonen dat sociale media op grote schaal mentale gezondheidsproblemen bij jongeren hebben veroorzaakt. Dat is helemaal niet nodig om er beleid over te maken. 15 tot 20 procent van de jonge meisjes wordt online benaderd door mannen die seks willen. Dan weet je al: dat is niet oké. Of dat dan tot depressie leidt vind ik in die context irrelevant.
„En het bewijs voor dat verband met mentale gezondheid is momenteel niet sterk. Hij pikt specifieke dingen uit de wetenschappelijke literatuur om zijn eigen verhaal te kunnen vertellen. Hij kiest studies die dat punt ondersteunen en gaat niet goed in op mensen die het met hem oneens zijn. Dit nieuwe artikel geeft geen goed overzicht van studies met andere uitkomsten.”
„Ja, dit is geen wetenschappelijk artikel. Ze verwijzen bijvoorbeeld naar een post op hun eigen Substack op zo’n manier dat het lijkt of ze naar een wetenschappelijk artikel verwijzen. Statistisch rammelt het ook nogal; ze lijken soms niet helemaal te begrijpen wat de statistiek betekent. Ze schrijven ergens dat het positieve effect van twee weken zonder sociale media vergelijkbaar is met iemand die in zijn jeugd mishandeld is: dat het effect even groot zou zijn. Nou, dat kan je daar écht niet zeggen, dat zijn heel andere schalen die je niet zomaar kunt vergelijken.”
„Ja, maar soms is het effect dan alleen maar dat mensen van helemaal-niet-depressief naar nóg-iets-minder-depressief gaan. Dat betekent weinig. Ook weten mensen wat er in zo’n onderzoek verwacht wordt, wat ze zouden moeten antwoorden. Dat beïnvloedt de resultaten. En die onderzoeken laten ook niet zien wat de langetermijneffecten zijn.”
„Tja, jongeren zeggen zelf dat ze onzeker zijn over de toekomst en veel prestatiedruk ervaren. Daarmee is natuurlijk geen causaal verband aangetoond, maar als je die dingen heel erg ervaart zal het negatief uitpakken, ook al zou de druk niet sterker zijn dan vroeger. En jongeren praten tegenwoordig makkelijker over psychische problemen, zeggen sneller ‘ik ben depressief’ in plaats van ‘ik voel me niet zo goed’. Er zijn zelfs mensen die zeggen dat het wel meevalt met die mentale problemen van jongeren. Dat is een discussie op zich. Maar we zijn sowieso in een rare klinische benadering beland door onder andere dat boek van Haidt. We zouden ook gewoon de zorgen van jongeren kunnen gaan aanpakken zonder te zeggen: dat is klinisch relevant.
„Hetzelfde met sociale media. Er blijven maar mensen bezig met het aantonen van een verband met mentale gezondheid, want zo heeft Haidt het geframed. We kunnen ook zeggen: wat moeten sociale media nou écht niet doen? Bijvoorbeeld voorgeprogrammeerde feeds, dat kinderen met vreemden kunnen praten, dat kinderen gokreclames zien – dat wil je niet, of ze daar nou blij of depressief van worden of niet.”
„Niet per se. Ik vind die leeftijd aan de hoge kant en ik vind het verrassend niet-liberaal voor een liberaal kabinet. Het gaat alleen maar over verbieden en afpakken, niet over het recht op informatie en vrijheid van meningsuiting, of over online weerbaar en wijs zijn. Je moet waarborgen dat jongeren politieke debatten kunnen volgen, dat sluit je zo ook af. Dat vind ik ook raar aan Australië: ze verbieden apps zonder zich af te vragen wat die apps kunnen doen om wél veilig te zijn voor jongeren. Ik kan me sociale media voorstellen die voor dertienjarigen prima werken, als we de schadelijke nadelen weten uit te bannen. Dan heb je gewoon een platform waar je leuke filmpjes kunt kijken.”
„Ja, ik heb een dochter van dertien en een zoon van elf. Die hebben een mobiel gekregen op de basisschool, maar die heb ik wel met frisse tegenzin gegeven. En ik heb een zoontje van zes maanden, die heeft nog geen mobiel.”
„Ik dacht ook dat smartphones niet per se goed zijn voor basisschoolleerlingen, maar mijn dochter had een heel overtuigende presentatie gemaakt van een half uur. Dat ze dingen miste omdat ze niet in de groepsapp zat. Dat je met een mobiel mee kunt praten over filmpjes. En ook gewoon dat je er een hebt, dat je erbij hoort. Ik snapte dat wel en ik dacht: als we heel goede afspraken maken, kan het wel. Meteen een mobiel geven met alles erop en eraan en ga je gang maar, zoals sommige ouders doen, vind ik geen goed idee.
„Dus toen zijn we in goed overleg een contract gaan maken. Hoe lang heb je nodig voor die groepsapp, hoeveel tijd in totaal, waar kunnen we allebei mee leven. Geen TikTok, geen apps installeren zonder toestemming, geen telefoon op de slaapkamer, niet voor acht uur ’s ochtends gebruiken en niet na acht uur ’s avonds. En daar kan over gepraat worden, regels kunnen veranderen, maar niet elke dag. Met een tiener kun je stapjes maken. Je kunt het niet oplossen met gewoon wat regels, je moet echt opvoeden. Maar daar hebben ouders vaak geen tijd voor. Die zitten op hun eigen telefoon. Dan denk ik: doe dat eens een uur minder per dag.”
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Source: NRC