Skylar Thompson is onderdirecteur bij de gezaghebbende Iraanse mensenrechtenorganisatie HRAI. Als ‘witte Amerikaan’ treedt zij naar buiten, terwijl haar Iraanse collega’s vrezen voor hun veiligheid. Hoe tel je vanuit een kantoor in de VS de doden bij politieke protesten in Iran?
is buitenlandverslaggever voor de Volkskrant.
‘Het Iraanse regime zegt: alles is nu weer normaal. Maar als alles normaal zou zijn, dan deed internet het nu weer, dan zou het leger niet op de straten zijn, er zouden geen controleposten zijn en er zouden geen bodybags worden gezien.’
Skylar Thompson is adjunct-directeur van HRAI (Human Rights Activists in Iran), een gezaghebbende mensenrechtenorganisatie die onderzoek doet naar de politieke situatie en dodentallen in Iran na de gewelddadig neergeslagen protesten in januari. De Volkskrant spreekt haar tijdens een bezoek aan Nederland. Thompson is, zoals ze zelf zegt, ‘de enige blonde witte Amerikaan’ bij de HRAI, die kantoor houdt in een voorstad van Washington. Alle andere medewerkers zijn Iraans. Deels wonen ze in Iran. ‘Zij kunnen niet naar buiten treden. Er zijn altijd veiligheidszorgen.’
HRAI stelt dat er nu 6.961 bewezen doden zijn. De VN houdt rekening met veel meer slachtoffers. Anonieme Iraanse artsen spraken tegen The Guardian en Le Monde over tienduizenden. Er zijn zelfs schattingen die oplopen tot meer dan dertigduizend doden.
‘Wij doen niet aan schattingen. Wij kunnen 6.961 doden bewijzen. Dat betekent: we hebben een naam en een bevestiging van die naam, en dan pas noemen we een getal. Wij denken dat je door zorgvuldig te werken, uiteindelijk de meeste kans hebt op gerechtigheid voor de slachtoffers. Sommige media schatten aantallen op basis van wat ze gehoord hebben. Dat is prima, maar het is niet onze rol als mensenrechtenorganisatie die zo zorgvuldig mogelijk documenteert. Wel hebben we nog duizenden gevallen in onderzoek. Die blijven we onderzoeken volgens de standaard die wij hanteren. Niemand weet nu precies wat het aantal doden is. Het Iraanse regime weigert om transparantie te tonen.’
HRAI is in 2006 opgericht door de Iraanse mensenrechtenactivist Keyvan Rafiee, die inmiddels het land is ontvlucht. Als politiek gevangene probeerde hij vanuit de cel de mensenrechtensituatie te blijven volgen via een ‘netwerk’ van activisten. ‘Fast forward naar vandaag: dat netwerk overspant heel Iran. We hebben daarbinnen gespecialiseerde netwerken: in gevangenissen, van mensenrechtenjuristen. Ons netwerk vormt de basis van hoe we werken.’
Dus ook nu, terwijl internet platligt, heeft u vanuit Washington contact met mensen in Iran?
‘Inderdaad. Het verbreken van de internetverbindingen is al vaker gebeurd, dat behoort tot het draaiboek van het Iraanse regime bij politieke onrust. Voor zover ik daar qua veiligheid iets over kan zeggen: alles gebeurt via ons netwerk. We hebben een vertrouwensrelatie met deze mensen, en een hoge standaard van digitale veiligheid. We zijn in staat om de communicatie te onderhouden, zelfs nu.’
De Iraanse overheid geeft toe dat er 3.117 mensen zijn gedood. President Masoud Pezeshkian heeft vorige week een lijst gepubliceerd met de namen van 2.986 slachtoffers, die is afgedrukt op de voorpagina’s van Iraanse kranten. Hoe ziet u dit?
‘Wij hebben die lijst naast die van ons gelegd. Het is duidelijk dat de lijst van de overheid haastig is samengesteld. Er staan minder namen op dan het aantal doden dat ze eerder zelf naar buiten hebben gebracht. Soms ontbreken gegevens: er is alleen een naam, geen andere details. En de overheid beweert dat de gedode mensen allemaal lid waren van gewapende groeperingen. Dat is gewoon niet zo. Ik ga geen commentaar geven op waarom de Iraanse overheid deze lijst nu naar buiten brengt, maar het komt niet overeen met wat wij zien.’
HRAI onderzoekt ook de Iraanse Islamitische Revolutionaire Garde. U beheert een databank met namen van inmiddels bijna vijfduizend (oud)-leden van deze paramilitaire organisatie. Wat probeert u te doen?
‘Het begon als gedachte-experiment: hoe kun je een organisatie onthullen die opzettelijk achter de schermen opereert? We onderzoeken sleutelincidenten waarbij de Revolutionaire Garde betrokken is, zoals het onderdrukken van protesten, maar ook ontvoeringen en een bomaanslag in Argentinië in 1994. Individuen duiken op bij meerdere incidenten. En ze maken promotie: je ziet hoe hun straffeloosheid als het ware door de bevelstructuur loopt, dat is heel interessant.’
De EU heeft de Revolutionaire Garde inmiddels aangemerkt als terroristische organisatie. Maakt dat het makkelijker om leden in de toekomst strafrechtelijk te vervolgen?
Ineens fel: ‘Daar ga ik het niet over hebben.’
Afgelopen donderdag nam Thompson deel aan een discussiebijeenkomst over de Revolutionaire Garde bij het Asser Instituut voor internationaal recht in Den Haag. Na afloop legt een Nederlands-Iraanse mensenrechtenonderzoeker (‘geen naam in de krant, online vind je niets over mij’) desgevraagd uit waarom Iran-onderzoekers verdeeld zijn over het besluit om de Garde op de terrorismelijst te plaatsen. Bij de Garde zijn veel dienstplichtigen. Sancties treffen ook hen, al kunnen zij er niets aan doen dat ze bij deze paramilitaire organisatie moeten dienen. Bovendien is de Garde verweven met de gehele Iraanse samenleving, ook met civiele organisaties. Voordat je het weet, doe je zaken met een verborgen onderdeel van de Garde. Dat betekent: minder contact met Iran, en dus ook minder informatie, het tegenovergestelde van wat je wilt bereiken.
Thompson: ‘Het besluit om de Revolutionaire Garde op de terrorismelijst te zetten, valt niet meer terug te draaien. We moeten het ermee doen.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant