Friso Douwstra | Gedeputeerde Friesland Gaswinning in kleine velden op land blijft belangrijk voor de Nederlandse energievoorziening, maar Friesland vreest voor de gevolgen. Onder meer voor bodemdaling in het veenweidegebied. „Ik zie wat gaswinning doet met mensen”, zegt de gedeputeerde.
Gedeputeerde Friso Douwstra (CDA).
In de werkkamer van Friso Douwstra op het provinciehuis in Leeuwarden hangt naast de schouw een muur vullende kaart van Friesland. De gedeputeerde (CDA, Economie en Mijnbouw) wijst aan waar momenteel gas wordt gewonnen en voor welke gebieden nieuwe aanvragen lopen, onder meer bij Oppenhuizen, ten zuidoosten van Sneek.
Maar eigenlijk wil Friesland nérgens meer gaswinning. En al helemaal niet in de veenweidegebieden bij Oppenhuizen. De Friese overheden – provincie, gemeenten en waterschap, verenigd in de Friese Mijnbouwtafel – gingen daarom vorig jaar november in beroep bij de Raad van State tegen het besluit van minister Sophie Hermans (Klimaat en Groene Groei, VVD). De minister heeft gasproducent Vermilion namelijk toestemming gegeven om tot 2038 meer gas te winnen.
Volgens de overheden is onduidelijk welke gevolgen die extra gaswinning heeft, terwijl het gebied bij Sneek nu al kampt met bodemdaling en schade aan kwetsbare natuur. Friesland noemt het besluit van de minister dan ook „onzorgvuldig” en eist dat éérst wordt onderzocht of op veiliger wijze naar gas kan worden geboord.
Gaswinning op ‘kleine velden’ op land kwam in een ander daglicht te staan nadat het Groningenveld in 2024 was gesloten. Nederland is sindsdien grotendeels afhankelijk van geïmporteerd gas uit de Verenigde Staten. Momenteel produceren deze kleine velden ongeveer een derde van de jaarlijks verbruikte hoeveelheid gas.
Het kabinet-Schoof besloot de gaswinning weer op te schroeven. Zo zei de VVD begin 2025 dat sommige „vergunningen om gas te boren […] al jaren op de plank liggen te verstoffen” en Nederland „de luxe” niet heeft om te zeggen dat „we deze velden niet nodig hebben”. Daarmee werd gebroken met het beleid van het vorige kabinet, waarin voorganger Hans Vijlbrief (Mijnbouw, D66) terughoudend was om nieuwe gaswinning te vergunnen.
En dat merken ze in Friesland. Daar lopen momenteel achttien aanvragen voor extra of nieuwe gaswinning. De provincie is de afgelopen drie jaar twee keer in bezwaar gegaan bij het ministerie tegen winningsplannen en vergunningen en zeven keer in beroep bij de Raad van State.
„Het belang om gas te winnen is groot”, zegt Douwstra. „We zien ook de geopolitieke ontwikkelingen. Het Rijk wil minder afhankelijk worden van gas uit de VS en Qatar. Dat snappen wij, maar het geeft wel druk op de situatie hier.”
„Wanneer de rijksoverheid zegt: we gaan van het gas af en vervolgens toch steeds meer gaat boren, staat dat haaks op de afspraken. En we ondervinden steeds meer gevolgen, zoals bodemdaling, terwijl in hetzelfde gebied water moet worden gewonnen en boerenbedrijven actief zijn. Het waterschap ziet al verzakkingen in de ondergrond tot twaalf centimeter.”
„We kunnen dat niet loeihard maken, maar het kan ook niet ontkracht worden. Wel heeft de Friese Commissie Bodemdaling Aardgaswinning [een samenwerkingsverband van gasproducenten NAM en Vermilion, het Wetterskip Fryslan en de provincie voor het afhandelen van door gaswinning veroorzaakte schade] erkend dat gaswinning hier bodemdaling kan veroorzaken.”
Zijn grootste zorg, vertelt Douwstra – wederom wijzend naar de kaart achter hem – is het veenweidegebied. Ongeveer een derde van de Friese bodem, vanaf het noordoosten naar het zuidwesten, is veen. Weide op die ondergrond is kwetsbaar. Door verdroging verzakt de bodem en krimpt die in. Daarbij komt CO² vrij, dus is afgesproken in het Klimaatakkoord om het waterpeil te verhogen.
„Het is een opstapeling van problemen. Er is steeds meer vraag naar water. Het waterpeil stijgt, de grond zakt in. Tegelijkertijd is het de vraag of boeren nog door kunnen. Daar komt extra gaswinning bovenop.”
„We vragen ons af of goed is uitgezocht welke gevolgen gaswinning heeft in het veenweidegebied. Deltares heeft, naar aanleiding van Oppenhuizen, aangegeven dat ze daar verder onderzoek naar gaan doen.”
Douwstra’s beleidsadviseur, aanwezig bij het gesprek, zegt dat terwijl het onderzoek over de langetermijneffecten loopt, het besluit om te winnen al is genomen. Dat is volgens de provincie ook gebeurd bij het laagveengebied Wergea-Warten, waar Friesland tegen in beroep is gegaan.
„[Het onderzoek afwachten] wordt vaak overgeslagen door het ministerie van Klimaat en Groene Groei, terwijl het toekennen van boringen al wel gebeurt. Wij vinden dat onzorgvuldig.”
„Ik denk dat dat wel meevalt. We gaan niet per definitie in bezwaar, maar we sluiten vaak aan bij beroepen van het waterschap. Het is geen compliment voor de bestuurlijke samenwerking van Nederland, maar wél een resultaat van het feit dat we geen andere opties hebben.”
„Wanneer de veiligheidscheck hiaten heeft, zoals in Oppenhuizen. Als het ministerie stappen in het proces overslaat of procedurefouten heeft gemaakt, maar daar niets mee doet.”
„Afgelopen jaren niet.”
„In het Friese bestuursakkoord staat dat we stoppen met mijnbouw. Wat er al is, moet afgebouwd worden. De Friese samenleving wil het niet. Als je het dan wel doet: niet in de veenweidegebieden. Daar neemt de rijksoverheid een te groot risico.”
„Hans Vijlbrief heeft de contacten met het Rijk verbeterd, minister Hermans heeft dat doorgezet. Vijlbrief wilde stoppen met gaswinning, ook in Friesland. Hermans heeft die stip [aan op de horizon] niet willen zetten.”
„Deels wel. Dat in het nieuwe sectorakkoord is bepaald dat de regionale overheden meedelen in de opbrengsten, komt niet uit het Rijk zelf.”
In het akkoord, dat afgelopen januari werd gesloten, staan nieuwe afspraken over extra gaswinning. Er werd eind januari over gesproken in de Tweede Kamer. Tegelijkertijd zegt Douwstra al jaren te wachten op een nieuwe mijnbouwwet, waarin regionale overheden een grotere rol zouden krijgen bij de gaswinningsverzoeken.
„Mij bekruipt weleens het gevoel dat aanvragen nog snel, vóór de invoering van de nieuwe wet, worden gedaan. Daarin voel ik mij niet gehoord.”
„Je hebt drie partijen: de rijksoverheid die de opdracht geeft, het bedrijf dat het gas wint en de regio. Iedereen een derde. Groningen wordt ook ruimhartig gecompenseerd.
„Maar het is ons niet om het geld te doen. Wij willen geen boringen in onze ondergrond. Als we dan geld krijgen, moet het helpen om boringen te verminderen en om te verduurzamen. Fossiel geld gebruiken om van fossiele grondstoffen af te komen. Dan sluit je de loop.”
Douwstra’s gezicht verstrakt iets. „Dat zou moeten blijken uit de uitspraken.” Zijn medewerker vult aan dat sommige zaken al jaren bij de Raad van State liggen.
„Ik ben een goede slaper, maar ik zie wel wat gaswinning doet met mensen. Het gaat mij door merg en been als je aan tafel zit bij boeren in het veenweidegebied die breken, omdat ze niet weten waar ze aan moeten beginnen. De toekomst van het landelijk gebied is al onzeker en dan wordt er ook nog eens gas gewonnen.”
Het ministerie begrijpt de zorgen van de provincie Friesland en andere medeoverheden over gaswinning in kwetsbare veenweidegebieden. Tegelijkertijd is het ministerie wettelijk verplicht vergunningsaanvragen te beoordelen op basis van de meest actuele kennis en kan besluitvorming niet worden uitgesteld in afwachting van lopende onderzoeken.
De huidige onderzoeken geven op dit moment geen aanleiding om gaswinning te stoppen, maar laten wel zien dat projecten gebiedsspecifiek moeten worden beoordeeld en dat vervolgonderzoek nodig is. Daarom begint in 2026 een meerjarig onderzoek, uitgevoerd door KGG in overleg met Friese overheden.
De afspraak om 5 procent van de netto gasopbrengsten met de regio te delen, ziet het kabinet als een evenwichtige oplossing.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC