Home

Ooit deed ik mijn best om musicalster te worden

De puberteit maakte een einde aan de musicaldroom van Amber Wiznitzer.

Amber Wiznitzer in de tijd dat ze vastbesloten was musicalactrice te worden.

Ik zou het een ‘liedje van verlangen’ noemen. Dat is niet de meest letterlijke vertaling van de term ‘I want song’ – een ‘ik-wil-liedje’, zou je er ook van kunnen maken – maar dat dekt de lading niet. ‘Ik wil’ kun je aanvullen met alledaagse dingen: een warme douche, een nieuwe coupe, een beetje suiker in de koffie. Dat is niet waar liedjes van verlangen over gaan. Dit type nummer, dat in vrijwel iedere musical voorkomt, gaat over diepgevoelde, moeilijk te vervullen wensen.

In Wicked verlangt de groene heks Elphaba naar een begripvolle vriend en mentor (‘The wizard and I’). In Chicago verlangt aspirant-zangeres Roxie naar blinde adoratie (‘Roxie’). In Hamilton verlangt Alexander naar een prominente rol in de ontstaansgeschiedenis van de Verenigde Staten (‘My shot’). En in een schriftje dat ik volschreef in groep acht verlangde een elfjarige, onbescheiden versie van mezelf naar een grandioze toekomst als musicalster.

„Wat er later gaat gebeuren”, staat bovenaan bladzijde één. „Allereerst: ik ben later een wereldberoemde actrice/zangeres :)”. Op de pagina erna heb ik een poppetje getekend dat mij moet voorstellen, maar dan volwassen, met lange krullen en hoge hakken op een podium. Mijn open mond en gesloten ogen maken duidelijk dat ik ingespannen sta te zingen. Een pijl wijst naar een paar onduidelijke lijnen op de achtergrond. „Leeg hokje van de soufleur”, staat erbij. En daaronder, tussen haakjes: „Heb ik niet nodig”. Aan bravoure ontbrak het me niet. Wel aan één ‘f’.

Deze toekomstvisie, die enkele pagina’s later definitief verandert van „actrice/zangeres” in „musicalactrice”, was al in de maak sinds mijn achtste, toen ik voor het eerst te vinden was in een musicalschool. Daar was ik beland door een snelgroeiende obsessie met De kleine zeemeermin, een van de VHS-banden die ik het vaakst in de videospeler duwde. De muziek verleidde me ertoe om te blijven kijken, terug te spoelen, nog eens te kijken. Er ging iets hypnotiserends van die liedjes uit. Ze vormden kleine verhaaltjes an sich.

Zeventien jaar later zou ik een vriend krijgen die bij de kringloop een videospeler voor me kocht, waarop we al mijn versleten banden terugkeken, ook De kleine zeemeermin. Hij zou me wijzen op een YouTube-kanaal over filmmuziek, en op dat kanaal zou ik een oud interview tegenkomen met de regisseurs van mijn vroegere lievelingsfilm. Die leggen uit dat De kleine zeemeermin de eerste Disney-film is waarin heel bewust de klassieke structuur van een Broadway-show is overgenomen. Ieder nummer helpt het plot vooruit of onthult de beweegredenen en dilemma’s van een personage.

Zo wordt in een groots openingsnummer de wereld geïntroduceerd waarbinnen het verhaal zich zal afspelen (‘Daughters of Triton’, in dit geval) en zingt de hoofdpersoon vroeg in het verhaal een liedje van verlangen (‘Part of Your World’), waarin duidelijk wordt wat haar drijft.

Die artistieke keuze werd gemaakt op aandringen van Howard Ashman, een songwriter en toneelregisseur die eerder succes boekte op Broadway en eind jaren tachtig was binnengehengeld door Disney. Ashman schreef samen met Alan Menken de muziek voor De kleine zeemeermin en behandelde ieder liedje als een minimusical in meerdere aktes. De periode die volgde staat bekend als de Disney-renaissance van de jaren negentig, met hits als Belle en het Beest, Aladdin en De Leeuwenkoning. Wie van deze films houdt, houdt van musicals. Ze zijn een gateway drug naar Broadway.

Dat wist ik op mijn achtste allemaal nog niet. Wat ik wist was dat ik net zo mooi wilde zingen als Ariël en daar het liefst ook heel veel theatrale gebaren bij wilde maken. Een musicalschool leek een geschikte plek om dat te leren. In de praktijk zongen we daar vooral ‘De wielen van de bus’ en werd ik, net als de andere jonge kinderen, aan het eind van het lesjaar in een rattenkostuum gehesen, zodat we een korte bijdrage konden leveren aan RATS: de musical. Eén liedje mochten de kleine ratten zingen – daarna besteeg de rattenvanger van Hamelen het toneel en lokte hij ons allemaal een rivier in.

Na dat eerste rolletje zou ik nog bijna tien jaar op verschillende plekken zang- en theaterlessen volgen. Mijn liefde voor De kleine zeemeermin bouwde zich intussen onvermijdelijk uit tot een regelrechte musicalobsessie. Eindeloos kon ik kijken en luisteren naar verschillende variaties op dezelfde formule.

Ik vond een digitale radiozender die 24/7 Broadway-hits uitzond en luisterde op vrijdagnacht op Radio 2 naar Musical Moods met Frits Sissing. Voor verjaardagen vroeg ik musical-dvd’s. Op YouTube keek ik verschillende uitvoeringen van Cats en de live-registratie van de musical Legally Blonde. Mijn meest waardevolle bezit was mijn groeiende collectie cd’s met beroemde en obscure musicalsoundstracks die mijn vader voor me brandde. In de transparante hoesjes stopte hij uitgeprinte versies van de oorspronkelijke albumcovers. Net het echte spul.

Op de middelbare school werd de wereld gecompliceerder, maar het musicallandschap bleef geruststellend constant. En terwijl er steeds meer ongeschreven regels ontstonden in het sociale verkeer met leeftijdsgenoten, deden musicalpersonages niet aan subtiliteit. Die zongen eerlijk en onbeschaamd over wat ze verlangden en wat ze dwarszat. Ik verlangde er zo naar om onderdeel te zijn van die wereld. Dat bleek alleen wat moeilijker dan ik op mijn elfde had voorzien.

Ik schreef me in voor de audities voor de rol van Cosette in Les Misérables (Joop van den Ende Theaterproducties), maar daarvoor was ik drie centimeter te lang. Ik schreef me in voor de audities voor een van Jacobs kinderen in Joseph and the Amazing Technicolor Dreamcoat (Stage Entertainment), maar daarbij sneuvelde ik in de allereerste ronde. Ik deed auditie voor schoolmusicals, maar ik bleef telkens hangen in het achtergrondkoor. Ik groeide, mijn stem veranderde, er was ineens van alles om me voor te schamen.

Zelfs als ik wél succes behaalde zat daar een keerzijde aan. Nadat ik in de brugklas met het meest dramatische liedje uit Joseph and the Amazing Technicolor Dreamcoat de talentenjacht van de middelbare school had gewonnen, bleek het een jaarlijkse traditie te zijn om beelden van voorgaande talentenjachten te projecteren op een groot scherm in de aula. Ieder jaar verscheen, midden in een lunchpauze, mijn twaalfjarige hoofd op dat scherm. Ieder jaar galmde mijn sopranenstemmetje door het gebouw. Het had me een mooie beker opgeleverd, ja, maar op mijn sociale status had het een minder gunstige werking.

Rond mijn vijftiende begon ik een nieuwe persona te ontwikkelen. De oude bleef nog wel een tijdje bestaan: die ging op musicalkamp, luisterde onderweg naar school naar de soundtrack van Hairspray op een iPod nano en bewaarde uitgeprinte informatie over muziektheateropleidingen zorgvuldig in snelhechters. Maar de nieuwe kreeg uiteindelijk de overhand. Die vond musicals kinderachtig, las existentialistische literatuur en droeg het liefst een grote, zwarte trui met gehusselde gouden letters erop, die samen veelvuldig „CHAOS” spelden. Deze gekwelde adolescent was op haar eigen manier minstens zo theatraal als een vrolijk musicalmeisje, maar dat zag ik op dat moment nog niet.

Aan het eind van de middelbare school stopte ik alles dat deed denken aan mijn musicalfase weg in grote dozen onder mijn bed. Ik nam er niets van mee toen ik op kamers ging, en mijn ouders lieten zowel het bed als de dozen staan, als een hoekje van het huis dat is bevroren in de tijd. Nu ik het weer aandurf in die dozen te kijken, vind ik toegangskaartjes voor Next to Normal en Fiddler on the Roof. Programmaboekjes voor Wicked en La Cage aux Folles. Flyers voor musicals die ik nooit heb gezien. Een groene namaakliaan die ooit diende als decorstuk in de musical Tarzan: de musical (gekregen van mijn eerste vriendje, een klasgenoot die een jonge versie van Tarzan had gespeeld in Tarzan). En schriften vol verlangens die ik niet meer wilde voelen.

Maar liedjes van verlangen keren doorgaans later in het verhaal terug als reprise, wanneer de personages van alles hebben beleefd. Het liedje is met ze mee veranderd: de reprise is korter, de toonsoort soms anders, de tekst aangepast. Daar denk ik aan als ik mijn oude schriftjes lees. Ik ambieer allang niet meer een bestaan als musicalster – die toekomstdroom van toen is inmiddels een licht beschamende herinnering. Maar een liefhebber ben ik altijd gebleven, hoe hardnekkig ik ook heb geprobeerd het uit mijn systeem te krijgen. Geef me rijmende teksten en catchy liedjes, snelle grapjes en grote emoties. Zet ‘de musical’ achter de titel van een voorstelling en ik koop een kaartje. Ik geniet als het goed is en ik geniet als het slecht is. Ik houd ervan wanneer subtiliteit overbodig blijkt, wanneer de theatrale kant van het leven zonder gêne wordt omarmd. Als kind voelde die ongeremdheid vanzelfsprekend. Als volwassene voelt het bevrijdend.

De film die ik sinds ik deze persoonlijke musicalrevival het vaakst terug heb gekeken, gehypnotiseerd door hoe ritmisch en uitbundig het verhaal wordt verteld, is Little Shop of Horrors uit 1986. Er zit een nummer in dat me ontroert op een manier die zich niet uit laat leggen, ‘Somewhere That’s Green’, gezongen door een personage dat droomt van het perfecte gezinsleven dat ze kent uit damesbladen. Het was tijdens het schrijven van dit stuk dat ik ontdekte dat de teksten en muziek van deze musical zijn bedacht door Alan Menken en Howard Ashman: dezelfde mannen die het succes van De kleine zeemeermin mogelijk maakten. Dezelfde mannen die me leerden wat verlangen is.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next