is columnist van de Volkskrant en werkt als adviseur voor overheden en maatschappelijke organisaties.
Terwijl alle aandacht is gevestigd op de politieke kopstukken die zich straks minister of staatssecretaris mogen noemen, en op scoreborden wordt bijgehouden welke partij dat postenspel heeft ‘gewonnen’ of ‘verloren’, verschuiven in de publicitaire luwte de verhoudingen binnen en tussen hun ministeries. En die verhoudingen kunnen minstens zoveel verschil maken voor de vraag of wij een beetje behoorlijk worden bestuurd.
De hoogste ambtenaren van de departementen waar die politici straks komen te zitten, de secretarissen-generaal, zijn zich namelijk anders aan het organiseren. En ik ga nu een beweging beschrijven waarvan je als buitenstaander mogelijk denkt: dat is toch logisch? Maar in de politiek-ambtelijke binnenwereld is het een potentiële revolutie.
Deze topambtenaren kwamen al geregeld bij elkaar om te praten over onderwerpen die meerdere ministeries aangaan. Maar het Secretarissen-Generaal Overleg – iedereen zegt ‘het SGO’ – was lange tijd te veel een vergadering van stamoudsten met territoriumdrift, vinden ze naar verluidt zelf ook, waarbij ieder aanzat in het belang van het eigen departement. En dat is niet per se in het belang van ons, de bevolking.
Het kan ons namelijk niet schelen onder wie het openbaar vervoer valt of het gevangeniswezen. Wij willen gewoon dat ze goed functioneren.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Die samenwerking moet dus hechter, is nu het breed gedeelde gevoel onder de topambtenaren. Ze willen uitgaan van grote opgaven waar Nederland voor staat – denk aan vergrijzing of de nationale veiligheid – en die gezamenlijk te lijf gaan. Wat daarbij de beste manier van werken is en hoe je de kwaliteit van beleid bewaakt, dat zou voortaan niet elk ministerie voor zichzelf moeten verzinnen, is het idee. Als landelijke, ambtelijke top ben je er samen verantwoordelijk voor dat het vakkundig gebeurt en in samenspraak met burgers, praktijkmensen en deskundigen. Ik had al gewaarschuwd dat dit voornemen een zeker ‘nogal wiedes’-gevoel zou kunnen oproepen.
Maar het is niet vanzelfsprekend. Bestuurlijk Nederland is, zo wil het jargon, ‘verkokerd’: onderdelen werken nog te vaak langs elkaar heen en soms ronduit tegen elkaar in. Op alle niveaus.
Iemand die door zowel fysieke als mentale klachten niet kan werken en in een sociale huurwoning woont, heeft met zo veel instanties en afdelingen te maken dat hij eigenlijk een personal assistant nodig heeft om de contacten te onderhouden. Iemand die nieuwe natuur wil aanleggen, denkt goed bezig te zijn met één stuk grond. Maar voor de overheid valt dat ene stuk grond uiteen in natuur, water, landbouw, recreatie, ruimte, verkeer, vergunningenbeleid, archeologie en meer. En het kan gerust dat zo iemand afzonderlijk dingen moet regelen met vertegenwoordigers van al die brokjes.
Mensen worden beschadigd en geld wordt verspild. Dit hebben velen bij de overheid heus door en dus brengen zij daar al verbetering in. Maar het blijkt niet makkelijk om een systeem – ieder zijn deeltaakje – te veranderen dat over lange tijd is ingesleten. Daarom barst het tegenwoordig bij de overheid van de wijkmanagers, caseworkers of gebiedsregisseurs, die burgers en bedrijven helpen om niet helemaal gestoord te worden van de brokjesoverheid.
Wat daarbij erg tegenwerkt, is dat politiek bestuurders de boel juist graag met scherpe scheidslijnen verkavelen. Het geeft ze een fijn gevoel van grip om tot op de millimeter precies te weten waar ze wel en niet over gaan. En politici proberen nu eenmaal vaak een onderwerp in hun portefeuille te krijgen waarop ze kunnen scoren, en hete aardappels naar een ander door te schuiven. Let maar op als de nieuwe bewindslieden binnenkort hun taken heel precies verdelen op het ‘constituerend beraad’, de oprichtingsvergadering van een nieuw kabinet.
Nergens werken mensen meer langs elkaar heen dan in Den Haag. Ik heb meegemaakt dat ambtenaren die wilden samenwerken met collega’s op een ander ministerie werden teruggefloten. Ze mochten niet gewoon even bij elkaar gaan zitten om na te denken. Eerst moesten ze opschrijven waarover . Een idee ging dan stap voor stap langs alle meerderen in rang omhoog. ‘De lijn’, wordt deze hiërarchie genoemd. Dán mocht het idee van de ene koker naar de andere. En voordat het weer terugkwam, moest het eerst dáár de tocht langs ‘de lijn’ afleggen. Zo gaat het gelukkig lang niet altijd, maar er komen situaties voor waarin mensen weken verder zijn, terwijl een half uurtje overleg had kunnen volstaan.
Als Haagse topambtenaren nu kokers gaan slopen, is dat goed nieuws. Er zijn alleen complicaties. De secretarissen-generaal zijn de hoogste ambtenaren in rang, maar niet de machtigste. Dat zijn ambtenaren net onder hen, de directeuren-generaal die over een specifiek inhoudelijk gebied of over een grote uitvoeringsorganisatie gaan, die het geld uitgeven en de mensen aansturen. Kokers binnen de koker. Sommige van deze machtige ‘DG’s’ vinden dat de ‘SG’s’ geen al te grote broek moeten aantrekken. Er zijn zat mensen bij die ook oog voor het grotere geheel hebben, maar hun positie zet ze daar niet vanzelf toe aan.
Én ze worden er vaak niet voor beloond door ministers en staatssecretarissen. Het zou schelen als die straks het goede voorbeeld geven. Dan moet je ze dus niet in de eerste plaats verantwoordelijk maken voor een beleidsterrein, maar voor doelen die je wilt bereiken. Helaas, in het coalitieakkoord staat wel iets over ‘vaker met domeinoverstijgende teams werken’, maar verder lijkt ieder weer heel klassiek een eigen koninkrijkje te krijgen.
De topambtenaren zullen niet alleen zichzelf iets nieuws moeten aanleren, maar ook hun politieke bazen.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant