Ria de Jong verloor haar gehandicapte zoontje Job toen hij nog net geen 4 jaar oud was. Lang was ze bang voor altijd wanhopig te blijven. Tot er een omslagpunt kwam, op een zonnige dag op Terschelling.
interviewt nabestaanden voor haar rubriek Leven na de dood in Volkskrant Magazine
Ria de Jong (64, orthopedagoog): ‘‘Wat ik je graag wil zeggen: mijn ervaring is dat het wél weer goed kan komen.’ Dat schreef ik anderhalf jaar geleden naar een vader die in deze rubriek had verteld over de plotselinge dood van zijn zoontje. Ik herkende de pijn, het gevoel van amputatie, de bijna constante paniek de eerste tijd. Nadat onze zoon Job was overleden, heb ik er, naast alle wanhoop en verdriet, lang last van gehad dat ik sliep toen het gebeurde, net als bij de vader in het interview. Misschien ook daarom dat ik hem mailde, omdat zijn verhaal op het mijne leek.
Job was een bijzonder kind. Al tijdens de zwangerschap werd ik gewaarschuwd dat zijn hoofd te groot was, maar het bleek op de echo geen waterhoofd, dus ik was gerustgesteld. En al had hij inderdaad een groot hoofd en in verhouding korte ledematen, wij zagen een prachtig kind. Job kreeg epileptische aanvallen en ontwikkelde zich langzaam, maar hij lachte lekker, at en sliep goed en hij keek ons goed aan, al te veel zorgen maakten we ons niet.
‘Toen hij 1,5 jaar was en de diagnose epidermaal naevus-syndroom kreeg, zijn we niet verder op onderzoek uitgegaan. Googelen kon ook nog niet in 1989, en daarbij: Job was Job, we waren trots op elk stapje dat hij zette. Hij heeft nooit een woord kunnen zeggen, maar hij kon wel perfect neuriën, hij was heel muzikaal. Toen onze dochter Jenny 1 werd, Job was toen 3, heeft hij Lang zal ze leven voor haar geneuried, we hebben het op film. Dat is zo’n dierbare herinnering.
‘Toen Job 2,5 was ging hij naar een dagverblijf voor kinderen met een verstandelijke beperking. Een ontzettend fijne plek voor hem, maar het kon niet verhelpen dat hij achteruit ging. Eerst speelde hij nog met een treinbaantje, maar later zat hij het liefst met zijn sabbeltje op de bank. Of hij zat in zichzelf gekeerd met zijn schoenveter te friemelen, je kreeg minder contact met hem. Ik weet nog een moment dat hij in bad zat, hij keek me aan met zo’n afwezige blik dat ik opeens dacht: misschien word je maar 7 jaar oud.
‘Op een avond huilde hij even toen ik hem in zijn bedje legde – dat deed hij nooit. Maar hij was niet helemaal fit, had een beetje verhoging, misschien lag het daaraan. Toen ik het licht uitdeed, ging hij rustig slapen, het leek niet zorgelijk. We gingen naar een verjaardag met de babyfoon aan en bij thuiskomst ben ik godzijdank nog gaan kijken. Toen sliep hij gewoon lekker.
‘De volgende ochtend, ik stond beneden onder de douche, hoorde ik Peter roepen: ‘Riaaaa!’ Ik heb daar later EMDR voor gehad, want ik heb er lang niet meer tegen gekund als iemand me luid riep. Stijf van de schrik ben ik in mijn blootje naar boven gehold. Eén kant van Jobs gezicht was al helemaal blauw. Daar heb ik het lang heel moeilijk mee gehad: dat wij sliepen toen ons kind lag te sterven.
‘Tot een homeopaat me vroeg: als je wakker was geweest, had je hem dan laten gaan? Nee, natuurlijk, ik had 112 gebeld, een ambulance, álles gedaan om hem hier te houden. Toen vroeg ze: en als het nou zijn tijd was? Die opmerking heeft me erg geholpen. Misschien was het niet voor niets dat hij zich steeds vaker terugtrok, dat zijn wereldje kleiner werd. Maar het heeft jaren geduurd voordat ik dat zo kon zien. Als mensen destijds zeiden: misschien is het maar beter zo, trok ik dat totaal niet. En nog steeds vind ik het een ongelooflijk pijnlijke opmerking tegen ouders van een overleden kind.
‘Drie maanden na Jobs dood was ik weer zwanger, Peter en ik hadden tegen elkaar gezegd: over vijf jaar zijn we nóg verdrietig, daar hoeven we niet op te wachten. Toen is Ben, onze jongste, erbij gekomen. Ik zou het weer zo doen, ik had Ben nooit níét willen krijgen, maar ik ben zo verdrietig en angstig geweest tijdens de zwangerschap, daar had ik professionele hulp bij moeten zoeken. Ben was een blij kind, maar is later in zijn leven tegen dingen aangelopen die ik aan die stressvolle zwangerschap wijt. Gelukkig heeft EMDR ook hem geholpen en gaat het nu heel goed met hem.
‘Er bleef ook ruimte in ons gezin voor een bijzonder kind, want behalve Job misten we ook de warmte van het wereldje om hem heen. Daarom is Tobi, een jongen met downsyndroom, jarenlang in het weekend als logeerzoon bij ons gekomen. Hij is nu 38 en we hebben nog altijd contact. Ik was wijkverpleegkundige, maar ik ben weer gaan studeren en orthopedagoog geworden, ook weer om met kinderen met speciale behoeften te werken. Ik had het gevoel dat ik daar iets te bieden had. In die zin heeft Jobs overlijden me ook dingen gebracht.
‘De eerste drie jaar waren het moeilijkst, naast de pijn van het missen was er ook de angst om hem te vergeten: hoe klonken zijn stapjes, hoe rook zijn haar? Ik kon in paniek raken als ik dat even kwijt was. Het besef: nooit meer, echt nooit meer, dat leek alleen maar zwaarder te worden. Maar na ongeveer drieënhalf jaar kwam er een soort omslagpunt.
‘We waren met de kinderen op vakantie op Terschelling, we hielden een picknick in de zon. Jenny en Ben speelden met andere kinderen op het veld waar onze tent stond, ik hoorde ze lachen – het was een geluksmoment. Voor het eerst weer. Voor Peter was dat anders, hem lukte het daarvóór al om gelukkig te zijn, maar ik had oprecht gedacht dat ik nooit meer zou kunnen genieten. En nu ervoer ik: het kan wél.
‘Ik mag plezier hebben, ik mag dankbaar zijn voor wat er wel is, ik hoef niet bang te zijn om Job te vergeten, want wat belangrijk is, onthoud ik altijd. Verdriet is geen emmertje tranen dat op een dag leeg is, ik kan nog altijd huilen om Job. Maar ik kan ermee leven – dat besef begon die dag op Terschelling.
‘We hebben met de kinderen altijd gepraat over Job. ‘Job was gehandicapt, maar nu is hij dood’, hoorde ik Jenny dan zeggen tegen een vriendinnetje, en in één adem door: ‘Mam, mogen we een snoepje?’ Hij was er gewoon in ons gezin. Op zijn verjaardag steken we altijd een kaarsje aan bij zijn foto en eten we iets lekkers. Ben zei een keer: ‘Als Job jarig is, mag hij toch kiezen wat we eten? Ik denk dat hij kipkluifjes, patat en appelmoes wil.’ Dat zijn we blijven doen. Nu zijn we allemaal vegetariër en is het pizza of iets, maar nog altijd zeggen we: wat wil Job graag eten?
‘Twee dagen vóór zijn overlijden kwam hij thuis van het kinderdagcentrum met een papieren kerstengeltje, door hemzelf versierd met vingerverf, dat bij ons als piek op de kerstboom kwam. De eerste jaren voelde ik een soort elektrische schok als het met kerst weer tevoorschijn kwam. Nu gebruiken we het nog steeds als piek, zonder schok, maar met een glimlach. Snap je, daarom wilde ik die vader zo graag troosten, zeggen: echt, het leven wordt weer goed.’
Leven na de dood is een rubriek in Volkskrant Magazine over rouwen en leven. Reacties: e.vanveen@volkskrant.nl
Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant