Waar je woont, bepaalt wat je betaalt om je elektrische auto op te laden. Elektrische rijders zijn in de ene gemeente soms tientallen euro's meer kwijt dan in de andere. Lezers vinden dat oneerlijk. Waar komen die verschillen vandaan?
In 2025 betaalden Nederlandse elektrische rijders gemiddeld 48 cent per kilowattuur bij openbare oplaadpunten, blijkt uit een analyse van de ANWB op basis van zes miljoen laadsessies. De verschillen tussen gemeenten zijn groot. Zo betaal je in Leiden gemiddeld drie keer zoveel voor een kilowattuur als in Nederweert.
Bij een gemiddelde accu kan dat per oplaadbeurt op tientallen euro's extra uitkomen. Meer transparantie over deze prijzen kan op jaarbasis flink schelen voor de portemonnee van de elektrische rijder.
De aanbieders die de oplaadpalen leveren en van stroom voorzien, bepalen de tarieven. Daarin speelt de leeftijd van laadpalen een opvallend grote rol. Oudere laadstations zijn vaak duurder, simpelweg doordat de contracten daarvoor stammen uit een tijd waarin laden meer kostte.
Gemeenten die al langer geleden contracten hebben afgesloten, zitten daardoor vaak vast aan hogere prijzen dan gemeenten die recent nieuwe afspraken hebben gemaakt. Als elektrisch automobilist betaal je dan nog de oude prijzen voor dezelfde stroom.
Daarnaast is de plek van een laadstation van invloed op de prijs. Een laadpaal bij een drukke winkelstraat is veel aantrekkelijker voor aanbieders dan eentje tussen de weilanden. De eerste laadpaal wordt vaker gebruikt en brengt dus meer op.
Het gevolg is dat oplaadpunten op minder populaire locaties duurder worden, zodat het ook voor de aanbieder rendabel blijft. De tariefkloof die de ANWB constateert, kan daardoor ontstaan.
"Die prijsverschillen kunnen daar zeker vandaan komen", zegt een woordvoerder van laadpaalaanbieder Allego. "Het kan dus zijn dat je voor het opladen van je auto soms een stuk meer betaalt. Zelfs per straat kan het verschillen."
Toch is een van de belangrijkste factoren achter de prijsverschillen het gemeentebeleid. Regionale samenwerking kan daarbij helpen.
"Voor een automobilist die jaarlijks 15.000 kilometer rijdt, kan dat betekenen dat hij of zij in sommige gemeenten tot 900 euro per jaar extra kwijt is aan laadkosten, afhankelijk van de gemeente waar hij of zij woont", zegt de ANWB. Gemeenten maken afspraken met laadpaalaanbieders, bijvoorbeeld over maximale tarieven. Die afspraken verschillen per gemeente.
Waar gemeenten hun krachten bundelen, zoals in Limburg en Noord-Brabant veel gebeurt, zijn de laadprijzen relatief laag. "Als twee gemeenten samen een grote aanbesteding doen, kunnen de kosten voor het installeren over meer laadpalen verdeeld worden", zegt de woordvoerder van Allego. "Dat maakt het goedkoper en geeft gemeenten ook een betere onderhandelingspositie."
Voor veel elektrische rijders is het opladen bij openbare oplaadpunten het duurst. Wie geen eigen oprit heeft, is aangewezen op een laadpaal in de buurt.
Er zijn vergelijkende apps en websites die de consument naar een goedkopere optie leiden. Maar uitwijken naar een goedkopere gemeente om daar urenlang te laden is meestal niet praktisch.
Naast de ANWB pleit ook de Vereniging Elektrische Rijders (VER) voor meer gelijke en lagere tarieven om elektrisch rijden sneller aantrekkelijk te maken. Volgens de organisatie ligt de sleutel bij gemeenten. Zij kunnen via afspraken met de laadpaalaanbieders de tarieven reguleren.
Dat er grote prijsverschillen zijn, kan er volgens experts ook mee te maken hebben dat lang niet iedereen in Nederland elektrisch rijdt. Als het aantal elektrische rijders toeneemt, kunnen aanbieders hun kosten over meer laadsessies spreiden. Daardoor kunnen laadtarieven op termijn omlaag.
Ook kunnen elektrische rijders nu bij veel laadpalen al besparen door tijdens daluren te laden. 's Nachts of overdag buiten de spits zijn marktprijzen voor stroom vaak lager en hanteren aanbieders dus ook lagere prijzen.
Source: Nu.nl algemeen