Klaas van Egmond (79) zet zich al zijn leven lang in voor het milieu. Tegenwerking was er volop, maar pessimistisch is hij niet geworden. ‘Natuurlijk oogt de buitenwereld somber, maar dat roept tegenkrachten op in de binnenwereld van mensen’.
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
‘Een salonidealist’ noemt hij zichzelf bij aanvang van het gesprek. Of hij wel in een rijtje idealisten past, betwijfelt hij: ‘Ik ben niet met gevaar voor eigen leven naar vreselijke plekken op aarde gegaan om daar te helpen.’
Wel is hij altijd voor de belangen van milieu en duurzaamheid opgekomen, met een ‘uphill battle’ tegen economische belangen tot gevolg. Als directeur Milieu van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), directeur van het Planbureau van de Leefomgeving en hoogleraar milieukunde aan de Universiteit Utrecht leverde hij zijn bijdrage.
Het Ideaal
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
In 2011 richtte hij met twee ex-topbankiers (Herman Wijffels van Rabo en Peter Blom van Triodos) het Sustainable Finance Lab (SFL) op. De financiële sector, met zijn ‘gerichtheid op het hoogste rendement op een zo kort mogelijke termijn’, draagt in zijn ogen eraan bij dat ‘we milieuvraagstukken niet oplossen, maar voor ons uitschuiven.’
De inmiddels 79-jarige Klaas van Egmond kan in zijn vrijstaande huis in Bilthoven nog altijd diep verontwaardigd raken over de kredietcrisis van zeventien jaar geleden, de directe aanleiding voor het SFL. ‘De crisis maakte me duidelijk dat ons financiële bestel feodaal en immoreel is. Feodaal, omdat grote publieke belangen in handen zijn van een kleine, private elite. Immoreel, omdat de financiële sector zich niets aantrekt van menselijke waarden.’
Zijn verontwaardiging (‘een drijvende kracht van me’) leidt ertoe dat hij momenteel pleit voor de digitale euro. ‘De strijd daarover tegen de bankenlobby is in het Europees Parlement in volle gang.’ Aan strijdlust is bij hem nog altijd geen enkel gebrek. ‘Ik heb niets met voetbal, maar ik las dat Johan Cruijff ooit zei: je moet doorvoetballen tot het laatste fluitsignaal. Dat voel ik bijna iedere dag. Bij de pakken neerzitten is het stomste wat je kunt doen.’
Het eerste fluitsignaal was in 1946. Van Egmond werd geboren in het Leidse Morskwartier, een wijk voor de kleine middenstand, als zoon van een uit een socialistisch nest stammende moeder die op een notariskantoor werkte, en een strenggelovige vader met een bloemenkwekerij. Zijn vader was ervan overtuigd dat ‘de knappe koppen in Den Haag wisten wat goed voor het land was’. ‘Dat ontzag voor autoriteiten heeft mij gevormd. Later heb ik in de Trêveszaal ministerraden mogen bijwonen. Toen zag ik vooral de juistheid van de metafoor van het vliegtuig dat voortraast door de nacht. De passagiers denken dat het wel goed zit, maar wanneer iemand gaat kijken blijkt de cockpit leeg. Dat is natuurlijk overdreven, maar als je daar mag kijken, valt het wel tegen, het blijkt allemaal mensenwerk.’
Wat is in uw jeugd vormend geweest?
‘Mijn jeugd speelde zich af in de jaren van de wederopbouw in een calvinistisch gezin. Dat betekende keihard werken, het avondeten werd snel naar binnen gewerkt, het was bittere noodzaak weer door te werken. Zelf heb ik dat ook altijd keihard gedaan. Later heb ik bij chique diners moeten leren niet te snel te eten, haha. Het calvinisme bracht me de aandrang om van betekenis voor de samenleving te willen zijn. Op zondag hield de dominee ons voor: ‘Gaat heen in de rust van deze zondag en aanvaard de verantwoordelijkheid voor de wereld en haar nood en de mens die God op je weg brengt.’ Goedemorgen! Dat kregen mijn zus en ik als instructie wekelijks in ons geprogrammeerd.
‘Wat me ook heeft beziggehouden, is de parapsychologie. Mijn moeder had bepaalde gaven. Een voorbeeld? Ik beland op een avond, al fietsend, door een tak op de weg in een sloot. Mijn moeder, op vakantie in Zwitserland, springt op dat moment op, roepend: ‘Er is iets met Klaas!’ Dat vond en vind ik fascinerend. Er is in dit bestaan veel om je over te verwonderen, niet alles laat zich vanuit de wetenschappelijk-materialistische kijk verklaren.’
Waarom koos u voor een studie levensmiddelentechnologie in Wageningen?
‘Dat heeft eveneens met verwondering te maken. Ik heb getwijfeld tussen Delft en Wageningen. In Delft draaide het om het toepassen van bestaande kennis, waarmee je bijvoorbeeld een brug bouwt. In Wageningen trof me de poging de natuur te willen begrijpen. Het was het verschil tussen een maakbare wereld en de onbegrijpelijke wereld van de natuur. De verwondering zit diep bij me, die had ik al als jongetje. Ik herinner me dat ik als 8-jarige bij een bloesemstruik in onze voortuin me afvroeg: ‘Wat is de bedoeling hiervan?’
‘Dat ik voor levensmiddelentechnologie koos, paste bij mijn harde bètakant, met idealisme had dat niets van doen. Maar vanuit het calvinisme voelde ik behoefte aan de publieke zaak bij te dragen. Daar sloot het RIVM, waar ik in 1972 ging werken, beter bij aan dan bijvoorbeeld een bierbrouwer, hoe lekker bier ook is.’
Hoe kijkt u terug op uw tijd bij het RIVM?
‘In de jaren zeventig en tachtig hadden we met het milieu de wind in de zeilen en konden we helpen concrete problemen op te lossen. In de Rijnmond had je bijvoorbeeld een groot smogprobleem, waardoor jaarlijks tienduizend mensen, hoofdzakelijk bejaarden, wat eerder doodgingen – er gingen levensjaren verloren. De Tweede Kamer nam dat hoog op en gaf ons alle middelen. Wij werkten met een club jonge onderzoekers aan geavanceerde metingen van de luchtverontreiniging. Met die resultaten kon Pieter Winsemius, een geweldige milieuminister, de onderhandelingen met de Duitsers en de Belgen voeren over schonere uitstoot door fabrieken. Zo is de smog succesvol aangepakt. Ed Nijpels, ook van de VVD, wist Nederland als milieuminister aan de katalysator te krijgen. Dat kostte duizend gulden per auto, maar dat gebeurde gewoon!’
U kreeg ook met tegenwind te maken.
‘Dan zit je eind jaren tachtig, na de val van de Muur, toen er een overwinningsroes ontstond: wij van het Westen hadden gewonnen, dat was de sfeer in Den Haag. Dat heeft de weg vrijgemaakt voor de krachten van het neoliberalisme, die zich in de jaren ervoor rond iemand als Friedrich von Hayek (Oostenrijks econoom, 1899-1992, red.) hadden verzameld. De sfeer was dat het bedrijfsleven ruim baan moest krijgen –er moest worden geprivatiseerd, de overheid moest plaatsmaken. Ik herinner me een directeur-generaal van een ministerie die zei: ‘Wij, als overheid, kunnen het niet meer. Nou, mijn moeder zei altijd: ‘Willen is kunnen.’ Die drive om te willen ontbrak, met alle gevolgen van dien voor het milieu.’
U werkte in die jaren aan het rapport ‘Zorgen voor Morgen’.
‘Daar waren we trots op. Het verscheen nog voor de val van de Muur, eind 1988, en bevatte langetermijnscenario’s voor het milieu. We keken een kwart eeuw vooruit en namen in onze modellen alle aspecten mee – niet alleen de economie, maar ook de demografische ontwikkeling, landbouw, mobiliteit, energiegebruik, noem maar op. Zo’n geïntegreerde beleidsaanpak was nog nooit eerder gemaakt, het trok internationaal veel belangstelling. Het rapport was ook onderdeel van de kersttoespraak in dat jaar van koningin Beatrix, met de bekende zin: ‘Langzaam sterft de aarde.’ Daar heeft ze veel kritiek op gekregen. Lobbyclubs zoals werkgeversorganisatie VNO-NCW kwamen in het geweer, de koningin had zich door ons laten meeslepen en deed aan onnodige paniekzaaierij, vonden zij. Die reacties stonden symbool voor jarenlange tegenwerking.’
Wijst u dan vooral naar het bedrijfsleven?
‘Nee, het was breder dan dat. Links mag zich het milieu wat meer aantrekken en eerder het eigen gedrag willen aanpassen, maar doet even hard mee aan het grote feest dat welvaart heet. Een vooraanstaande sociaaldemocraat, ik vind het niet netjes zijn naam te noemen, herhaalde een keer dat Joop den Uyl (PvdA) over arbeiders had gezegd dat ze allemaal een auto voor de deur moesten krijgen. ‘Nu is dat gelukt en dan komen jullie zeuren over dat milieu’, voegde hij eraan toe. Ik begreep zijn perspectief wel: eerst hadden de rijken alleen een auto, maar nu iedereen er eentje had, was dat plotseling een probleem. Hij vond dat je mensen hun auto moest gunnen.’
Wat had er in uw optiek aan milieubeleid moeten gebeuren?
‘Het was doodeenvoudig geweest een effectief beleid te voeren waarmee je de CO2-uitstoot en stikstof had kunnen aanpakken, meer dan twee A4’tjes waren niet nodig. In plaats daarvan hebben we het veertig jaar lang op zijn beloop gelaten. We zijn zorgeloos overgegaan op steeds grotere auto’s, verdere vliegreizen en buitenlandse beleggingen. De mentaliteit is en blijft er een van: na ons de zondvloed, ook al is er inmiddels een overweldigende hoeveelheid bewijs voor de immensiteit van de problemen.’
Nu worden zelfs klimaatplannen wereldwijd teruggedraaid onder druk van een klimaatsceptische Amerikaanse president. Hoe kijkt u daarnaar?
‘Dat roept bij mij geen enkele verbazing op. Het ging al mis in Kopenhagen (de klimaattop in 2009, eindigend zonder juridisch bindende afspraken, red.); in Parijs (de klimaattop van 2015) ging het alleen maar om beloften van landen. Er werd daar dus met de collectezak rondgegaan: de een gooide een dubbeltje erin, een tweede een euro, een derde een pepermuntje. ‘O, veel te weinig’, was de reactie na afloop. Al jaren gaat het er veel te vrijblijvend aan toe. Maar ik verbaas me daar totaal niet over, nu individualisme en materialisme in de afgelopen decennia de dominante waarden van onze beschaving zijn geworden.’
Ziet u lichtpunten?
‘Een politicus van wie ik weg ben, is Emmanuel Macron (de president van Frankrijk, red.). Hij ziet in dat we onze beschaving, ons ethische kader, moeten heruitvinden. Weg van het hedonisme, van die ‘na ons de zondvloed’-houding. Ik heb vrienden die zeggen: ‘Het leven mag toch ook plezierig zijn?’ Natuurlijk, maar wil je een zinvol leven leiden dan kan dat onplezierige dingen met zich meebrengen. Daar zou het om moeten gaan: een zinvol leven door bij te dragen aan het grotere geheel.
‘Natuurlijk oogt de buitenwereld momenteel somber, zeker als je naar de masculiene waanzin in de Verenigde Staten kijkt. Maar dat roept ook weer tegenkrachten op in de binnenwereld van mensen, die stemmen me hoopvol. Tegenover het masculiene zie je een groeiende behoefte aan meer zachte, feminiene krachten. Religie wordt weer belangrijker – de kerken stromen nog niet vol, maar er is wel een kentering gaande. Die kant moeten we op, naar een herwaardering van geestelijke waarden en een hoger bewustzijn. Dat kan samengaan met een andere leefstijl. Ik haal inspiratie uit mensen die dat voorleven door in de Vogezen te gaan wonen om een wezenlijk ander leven te kunnen leiden.’
Maar toch: die somber stemmende buitenwereld, is dat op uw 79ste niet extra lastig? U heeft niet het eeuwige leven.
‘Ik hoop nog een jaar of vijf à tien te mogen leven om de afloop hiervan mee te maken. We leven nu in een cruciale tijd, alles is tegelijkertijd op zijn fundamenten aan het schudden – het klimaatprobleem, het financiële bestel en meneer Trump zijn alle drie nog niet op hun dieptepunt beland. Ik zie ons afkoersen op een ultieme ervaring. Hopelijk kunnen we voorkomen dat die met de inzet van kernwapens gepaard gaat. Ik denk dat de mensheid het uiteindelijk wel gaat redden, mits we in staat blijken tot een hoger bewustzijn te komen.’
Boektip: Borderline Times van Dirk De Wachter
‘De Vlaamse psychiater Dirk De Wachter schreef dit boek eigenlijk voor vakgenoten, maar een breed publiek vatte het op als een aanklacht tegen een verhardende samenleving. Het gaat over de individualistisch-materialistische tijd, waarin we leven zonder ‘Grote Verhalen’, met zinloosheid en leegte als gevolg. Een voortreffelijke diagnose van onze tijd.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant