Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant
Wat hadden we deze week? Schoma, zoals ik mijn schoon-oma noemen mag, die vertelde dat ze op cursus valpreventie zit, bij een instelling die Balans heet. Maar de eerste les, vertelde ze zonder te hoeven lachen, had ze moeten overslaan wegens gladheid.
Heeft columnpotentie, heb ik haar verzekerd. ‘Als je er vanavond nog iets grappigs bij zegt (ze was komen eten, pannenkoekenfeest), dan kan ik ermee aan de slag.’
Ging ze haar best voor doen, beloofde ze. En inderdaad, halverwege de stapel kwam ze op stoom, ik kan niet anders zeggen.
Nu er toch stroop aan mijn kin hing, had ik te berde gebracht dat ik moest optreden in Parijs. ‘Op de ambassade.’ Opscheppen kun je tegen schoma rustig doen, die is gewend aan schoolrapporten en zwemdiploma’s waarvoor de kleine fiscus rijksdaalders komt innen.
Helaas bleef de platvink in de handtas. Wel vond schoma dat ik dat interview gewoon in het Frans moest doen. Wat nu, kon ik dat niet? Maar jongen, je hebt toch Frans geleerd? Je bent toch naar school geweest?
Als u het graag heeft, schrootmoeder, dan zal ik ze antwoorden in mijn beste campingfrans.
(‘Qu’est-ce vous valorisez le plus: la critique la plus objective possible, qui accepte tous les éléments constitutifs d’un roman, ou une interprétation psychologique, qui reconnaît que le sens d’un roman est toujours, en fin de compte, le reflet de biographie de l’auteur?’
‘Un pain et deux laits.’
‘Ah, une métaphore du charnel, je comprends?’
‘Un pain. Et deux laits. S’il vous plaît.’)
Ondanks schoma’s dappere poging, heeft ze het niet gered, deze column gaat over iemand anders, namelijk over mijn tennismaat. Volgens zijn neef, zei deze man van middelbare leeftijd, was ik een schrijver. ‘Het spijt me dat ik je niet ken. Ik ben geen lezer.’
‘Je weet toch hoe ik heet?’
‘Je heet Peter’, zei hij.
‘Nou dan.’
‘Ik had het ook een keer met een artiest’, zei hij. ‘Heb ik drie uur mee zitten eten. Maar wat kan ik eraan doen, als ik hem gewoon niet ken?’
‘Het leven is geen quiz.’ We waren klaar, we gingen de baan vegen.
‘Eigenlijk wel’, riep hij, ‘zeker met mijn ex, die ermee werkte.’
‘Met quizzen?’
‘Zou ze willen. Nee, met artiesten. Ving ze op, als ze hier waren. Dus moest ik weleens mee naar etentjes. Kijk, voor dat soort mensen, die het ervan moeten hebben, is het natuurlijk lullig als je ze niet kent.’
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Het was in Gent, bij een Italiaan, mijn tennismaat, zijn ex, en een stel mannen, van wie er eentje Bruce heette.
‘Bruce?’, zei ik zwaar gealarmeerd.
Daar zat hij de hele avond naast, ja, aardige kerel, wist veel over sport en politiek – totdat er zo’n man met rozen en een polaroidtoestel binnenstapte, die wilde een foto van Bruce maken, maar niet voor Bruce, vreemd genoeg, maar voor zichzelf. En hij wilde ook graag dat Bruce zijn handtekening erop zette, want anders, zei hij met een ondeugend lachje, zou hij buiten wel eens even gaan vertellen wie er hier, zomaar in Gent, zat te eten!
‘Wie dan?’, had mijn tennismaat geïnformeerd.
‘Wie?’, had het antwoord geluid – Bruce, natuurlijk. The Boss!
‘The Boss’, had hij lacherig geantwoord, ‘the boss… the boss waarvan?’
We waren begonnen met het vegen van de baan, dus kon ik even nadenken hoe ik ging antwoorden. Hard inwrijven? Toen ik weer aan het net stond, vroeg ik: ‘En? Waarvan was-ie dan de boss?’
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.