Home

De strijd om landbouwgrond legt Nederland lam – ‘de overheid schiet zichzelf in de voet’

Ruimtelijke ordening Nederland zoekt naarstig naar ruimte voor huizen, natuur, energie, oefenterreinen voor defensie en duurzamere landbouw. Maar voor alles ontbreekt het cruciale ingrediënt, schrijft de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur: grond. En dat heeft de overheid aan zichzelf te wijten.

ZWOLLE - Dronefoto van boerderijen in het landbouwgebied in de Mastenbroekerpolder. Aan de horizon woningbouw in de nieuwbouwwijk Stadshagen in Zwolle.

Het werkte altijd zo goed, het verstandshuwelijk tussen stad en landelijk gebied. Steden ontwikkelden zich decennialang als aantrekkelijke woonplekken met hoogproductieve sectoren die maakten dat Nederland in de top van veel internationale lijstjes prijkte. De landbouw produceerde goed en goedkoop voedsel – ook wereldtop – en hield groene ruimte open. Meer huizen nodig? Dan werden op landbouwgrond Vinex-wijken gebouwd. Gedoe alom natuurlijk, maar de relatie bleef in balans.

Maar het verstandshuwelijk is voorbij, schrijft de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) in een lijvig advies over de rol van grondgebruik in het landelijk gebied. In het rapport Grond voor verbetering schetst de kabinetsadviseur het beeld van een land dat zichzelf ernstig in de knoop heeft gebracht. Een land dat zoekt naar ruimte voor huizen, bloeiende natuur, energie, oefenterreinen voor defensie en duurzamere landbouw.

Voor alles ontbreekt het cruciale ingrediënt, schrijft de Raad: grond. Dat wil zeggen: er ís wel grond, maar dat is landbouwgrond. Dus een „straatje of wijkje erbij”, of dertig „grootschalige nieuwbouwlocaties”, zoals in het regeerakkoord staat, klinken misschien goed, maar het kan alléén als agrarische grond vrijkomt. En die landbouw heeft óók meer grond nodig om duurzamer te worden.

Er is afgelopen tientallen jaren veel kapotgemaakt, waardoor de balans tussen stad en land verdween, concludeert de Raad. Vooral door de overheid zelf, die volgens de adviseurs slechte keuzes heeft gemaakt. De ruimte die Nederland nodig heeft om een nieuwe toekomst op te bouwen, komt totaal niet meer overeen met hoe het landoppervlakte is verdeeld.

Drie manieren waarop het verkeerd gaat met de grond in Nederland.

1. Te veel land in boerenhanden

Het platteland, bestaat dat nog? Volgens het CBS woont nog maar 17 procent van de Nederlanders in een ‘niet-stedelijk gebied’. En toch: fiets, rijd, trein door het land, en wat je ziet is landbouwgrond. Twee derde van Nederland is agrarisch terrein.

Dat „schuurt”, schrijft de Raad, omdat de landbouw een te „zware wissel” trekt op de natuur. De ‘basiskwaliteit’ van de natuur is in minder dan 10 procent van het landelijk gebied op orde, de waterkwaliteit is in 90 procent van het oppervlaktewater onvoldoende, de uitstoot van methaan en lachgas door landbouw neemt al tien jaar niet meer af.

Vergeleken met andere Europese landen „scoren we slecht” als het gaat om biodiversiteit, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de uitstoot van ammoniak. „De landbouw is verantwoordelijk voor ongeveer 90 procent van de ammoniakuitstoot, 52 procent van de stikstofneerslag op natuur, ongeveer de helft van de stikstof- en fosforbelasting van oppervlaktewateren, ongeveer een kwart van de fijnstof in de lucht en 17 procent van de broeikasgassen”, staat in het advies.

Ook is de landbouw steeds minder belangrijk voor de leefbaarheid van het landelijk gebied. Door schaalvergroting – meer machines, IT – bieden boerderijen minder werkgelegenheid en ook de voedingsmiddelenindustrie is steeds grootschaliger geworden en zodoende sterker geautomatiseerd. De regionale economie steunt nu meer op zorg, dienstverlening, handel en horeca. „Door al deze veranderingen gaat het adagium ‘gaat het goed met de boer, dan gaat het goed met het platteland’ veel minder op dan voorheen”, schrijven de adviseurs.

Tegelijkertijd wílde de overheid na de Tweede Wereldoorlog dat boeren intensiever en op grotere schaal zouden werken om veel, goed en goedkoop voedsel te produceren. In het regeerakkoord schrijven D66, CDA en VVD terug te willen naar boerenbedrijven die hun eigen grondstoffen, nutriënten en energie hergebruiken, maar dat vraagt een enorme omslag van veel boeren. En sommige bewonen en bebouwen al generaties lang dezelfde grond en hebben daarmee een diepgaande band opgebouwd.

Krijn Poppe, lid van de Rli: „Het kan heel bedreigend zijn als de samenleving iets anders wil met de plek waar jij woont en werkt. Maar je kunt als maatschappij niet blijven ontkennen dat het niet meer gaat.” Raadsvoorzitter Jan Jacob van Dijk: „De agrarische sector moet veranderen, maar boeren zitten soms gevangen op hun eigen grond. Die is zo duur dat innoveren of duurzamer werken ze niets oplevert, ook als ze dat wel willen.”

2. Veel te dure grond

Landbouwgrond is duur in Nederland, de prijs ligt negen keer hoger dan het Europees gemiddelde. Kortgeleden steeg de prijs voor het eerst tot boven de 100.000 euro per hectare. Dat komt ook omdat Nederland steeds meer wil met die grond. Hoe meer huizen er gebouwd moeten worden (1,65 miljoen voor 2050), hoe meer oefenterreinen voor defensie (vorig jaar werden 57 nieuwe locaties aangewezen), hoe meer opslaglocaties voor duurzame energie (nu al te weinig): hoe duurder de grond.

Veel boeren wachten af. Want hun grond kan best nog meer waard worden. Logisch misschien en het mag, maar dat ‘beleggingsmotief’ drijft wel de prijs op én houdt verandering tegen. Duurzame landbouw vereist bijvoorbeeld meer grond, maar biedt minder plek voor gewassen of dieren. En agrariërs hebben grond nodig, want die is gekoppeld aan de stikstof die ze mogen uitstoten of de mest die ze kunnen uitrijden. Voor beide hebben boeren door strengere regelgeving de laatste jaren juist méér land nodig – en dat kopen ze soms voor astronomische bedragen, terwijl Natuurmonumenten of Staatsbosbeheer regelmatig misgrijpen als ze diezelfde grond willen kopen voor natuurherstel.

Aangezien grond vaak ook dienstdoet als pensioen voor boeren, verkoopt bijna niemand die bij de pensioengerechtigde leeftijd, bijvoorbeeld omdat ze het liever verhuren. En het is fiscaal aantrekkelijk om grond te behouden, dankzij allerlei belastingvrijstellingen. Van Dijk: „Die waren ooit bedoeld om boeren te steunen, maar blokkeren nu de toegang tot de grondmarkt voor nieuwe, vaak meer duurzame spelers.”

Dus natuurherstel, de landbouw verduurzamen, huizen bouwen op agrarische grond? Het wordt allemaal steeds duurder. In december 2024 maakte Natuurmonumenten bekend dat véél minder grond is gekocht om ‘nieuwe natuur’ aan te leggen dan ruim tien jaar geleden afgesproken tussen Rijk en provincies, terwijl dat cruciaal is om wettelijk vastgestelde natuurdoelen te halen.

Een oplossing? Poppe: „Wij stellen voor onderscheid te maken tussen productielandbouw, voor het maken van voedsel, en maatschappelijke landbouw, die meer oog heeft voor maatschappelijke functies [bijvoorbeeld educatie] en duurzaamheid. Dan kun je financiering daarop aanpassen en de balans herstellen.”

3. Een bange overheid

Een stoppersregeling voor boeren. Dat is zo ongeveer de enige concrete poging van de overheid om de natuur te herstellen. Het sorteert niet bijster veel effect – omdat minder boeren meedoen dan gehoopt – en de Raad ziet nog een probleem: ook boeren die wél meedoen behouden hun grond. Poppe: „Nu zie je bijvoorbeeld melkveehouders die stoppen en dan hun grond gaan verhuren voor de lelieteelt. Dat levert weer nieuwe milieuproblemen op. Daar had de overheid moeten zeggen: wij kopen die grond op en compenseren de boeren. Dit is gewoon niet adequaat.”

De overheid schiet zichzelf in de voet, is bang om in te grijpen én werkt zichzelf tegen, zo blijkt uit het Rli-advies. Zo maakt elk ministerie, elke gemeente en elke provincie eigen regels, die „soms onwerkbaar of tegenstrijdig” zijn. En al wil het nieuwe kabinet juist méér ingrijpen als het gaat om grond, door bijvoorbeeld actiever het gebruiksdoel te bepalen en door land te verdelen via een nationale grondbank, dat wil niet zeggen dat achterliggende problemen makkelijk worden opgelost. Zo krijgen boerenbedrijven honderden miljoenen euro’s subsidies, bijvoorbeeld voor verduurzaming, die in werkelijkheid worden gebruikt om extra grond te kopen – wat de prijzen alleen maar opdrijft.

De overheid kan ingrijpen om landbouwgrond te verwerven of anders te verdelen, maar mogelijkheden daarvoor heeft ze zélf „sterk verkleind.” Zo is het afgelopen decennia lastiger geworden om kavelruil te eisen, zodat boeren verder van kwetsbare natuur komen te zitten. Ook is het moeilijker om agrariërs te onteigenen. Áls de overheid al overgaat tot maatregelen, dan probeert ze bijna altijd met boeren tot vrijwillige afspraken te komen – „voor complexe opgaven is die voorzichtigheid vaak een hindernis”, staat in het advies. Ook het nieuwe regeerakkoord gaat uit van vrijwillige afspraken.

Gedwongen uitkoop van boeren is omstreden. En of het nu komt door de hevige boerenprotesten van enkele jaren terug of doordat BBB-politici in veel provinciebesturen zitten: bestuurders durven er zelden aan.

En toch zullen ze moeten, schrijft de Raad. Toon moed, valt in het rapport te lezen. Raadsvoorzitter Van Dijk, die zelf jaren gedeputeerde was in de provincie Gelderland: „Het komt bijna nooit tot werkelijke gedwongen onteigening. In 95 procent van de gevallen kom je toch tot een afspraak over de verhuizing van een boerenbedrijf. Als bestuurders niet durven, blijven we vastzitten met z’n allen. Die grond hebben we nodig.”

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Voorkennis

Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen

Source: NRC

Previous

Next