Home

Pierre Bokma als geschifte nazi in voor extreemrechts waarschuwend ‘Voor het pensioen’

Theater In Voor het pensioen legt schrijver Thomas Bernhard bloot hoe voormalige nazi’s respectabele burgers zijn geworden in het naoorlogse Duitsland, terwijl ze thuis nog hardop dromen van de terugkeer van oude tijden. Hij schetst een naargeestig milieu waarin grootheidswaan en jodenhaat vrij spel hebben.

Tiny Bertels als Clara en Pierre Bokma als haar broer Rudolf in 'Voor het pensioen' van het Toneelhuis/Olympique Dramatique.

De Oostenrijke auteur Thomas Bernhard (1931-1989) gold in de vorige eeuw als een belangrijk schrijver en zijn toneelstukken werden in de jaren tachtig en negentig dan ook volop in Nederland gespeeld. Inmiddels zijn opvoeringen van zijn werken zeldzamer – een lot dat overigens al zijn tijdgenoten treft. De uitvoering van zijn Voor het pensioen (uit 1979) door het Vlaamse Toneelhuis/Olympique Dramatique laat zien wat we daaraan missen, en wat we er niet aan missen.

Theater

Voor het pensioen. Door Toneelhuis/Olympique Dramatique.Regie: Tom Dewispelaere. Tekst: Thomas Bernhard. Gezien: 31/1, Bourlaschouwburg, Antwerpen. Nederlandse tournee vanaf 10/2, t/m 31/3. Info: toneelhuis.be

Zoals bijna al Bernhards stukken is Voor het pensioen een tekstlawine. De personages ratelen erop los, onstopbaar, in betogen en redevoeringen die bol staan van de gitzwarte ideeën, hatelijke gedachtes en giftige onderstromen. Zijn nihilistische, misantropische lyriek is gouden materiaal voor begaafde acteurs, en Voor het pensioen heeft er twee van, acteurs voor wie je meteen naar het theater afreist: Katelijne Damen en Pierre Bokma. De Vlaamse Damen toont meteen haar klasse in het eerste half uur met een zalig staaltje tekstbeheersing, aan de hand van een weelderige woordenvloed waarin haar nauwelijks adempauzes gegund zijn.

Haar personage, Vera, tettert maar door, tegen haar jongere zus, die kampt met verlamde benen: over hun jeugd, het uitzicht, haar broer, hun ouders. De broer en twee zussen vormen een gezinnetje, en in hoe Vera hun samenleven beschrijft, ligt al de hele gore stinkzooi besloten die de kern van dit stuk vormt.

Haar broer Rudolf is voorzitter van de lokale rechtbank in een Duits stadje en een gerespecteerd lid van de maatschappij, maar thuis is hij stiekem de volhardende nazi. Op de middag waarop dit stuk zich afspeelt is het 7 oktober, de dag dat Rudolf jaarlijks de verjaardag viert van zijn held Heinrich Himmler, baas van de SS en een van de grootste misdadigers van de Tweede Wereldoorlog. Vera’s levensopvatting is het Rudolf te dienen, tot aan seks met hem, vaste prik ter glorieuze afronding van dit huisfeest.

Karikaturaal symbool van linkse onmacht

Net als haar broer is Vera een onverbeterlijke nazi, met uitspraken als: „Wij haten allemaal de joden. Zelfs op het moment dat we het tegendeel beweren. Zo is onze natuur.” Haar wrede vader hemelt ze op, terwijl ze haar depressieve moeder, die leed onder haar man, bekritiseert. Zoals ze ook haar zus affakkelt, omdat die haar belemmert in haar kunstgenot. Dat is die tot cliché verworden tegenstrijdigheid bij nazi’s: ze gaan over lijken, maar genieten nergens zoveel van als toneel, kunst en muziek.

Haar zus Clara, gebonden aan haar stoel, doet er grotendeels het zwijgen toe, immuun voor de routineuze beledigingen. Ze is een even gênant als karikaturaal symbool van linkse onmacht. De paar keer dat Clara reageert, schreeuwt ze hoezeer ze haar zus en broer haat, en hoe ze hun perversiteiten en walgelijke gedrag haat. Waarop Vera weer antwoordt dat ze haar zus graag in haar rolstoel een berg zou opduwen om haar daarna in een ravijn te gooien. Ook wil Vera dat haar zus, net als vorig jaar, een gestreept concentratiekampjasje aandoet en haar hoofd kaalscheert om een kampgevangene te spelen, want daar houdt hun broer Rudolf zo van op deze dag.

Als Rudolf thuiskomt, neemt hij het afsteken van eindeloze monologen van Vera over. Rudolf is, in de knappe vertolking van Bokma, al net zo’n overkolkend vat mensenhaat, burgerlijkheid, grootheidswaan en nostalgie, alleen openlijker en zelfbewuster. Bijna vijftig jaar geleden moet dat een schok zijn geweest: een nazi zo royaal het woord te geven. De kans was toen bovendien groot dat er nog veel van deze types rondliepen.

Te eentonig en te eendimensionaal

Dat nieuwe nazi’s tegenwoordig weer volop ruimte innemen, is een reden om dit stuk op te voeren. Maar om die hernieuwde relevantie van extreemrechts gedachtengoed te onderstrepen wekt de broeierige nostalgie en burger-truttigheid van deze personages te veel de geur van doodgekookte spruitjes op. En daarvoor is de tekst van Bernhard op den duur ook te eentonig en te eendimensionaal, te veel één lang exposé. Dat is iets wat we niet missen aan zijn stukken.

Weliswaar werkt Bernhard in de tirades van Rudolf mooi de smerigheden tot in expliciete details uit, maar verrassen doen de onthullingen niet meer. Wat ontbreekt is enige vorm van zelfreflectie of ontwikkeling bij deze personages. Broer en zus leven in het verleden, kennen schuld noch schaamte en zitten hun tijd uit in de hoop dat de nazitijden herleven.

In de regie van Tom Dewispelaere is de benauwdheid van dit verstikkende, naargeestige milieu goed getroffen: in de schemerige, zwak verlichte kamer, en in de muren van woorden die deze geschifte types opbouwen zonder werkelijk met elkaar te praten. De haat ligt tastbaar opgehoopt, net als de stank van verdorven ideeën.

Een ‘Komedie van de Duitse ziel’, zoals de ondertitel van het stuk luidt, wil deze uitvoering niet worden. Liever dan de kolderieke kant van de personages te benadrukken, neemt Dewispelaere ze serieus. Het maakt broer en zus griezels uit één stuk. Ze worden indrukwekkend gespeeld, maar voor een spannende theaterervaring is net wat meer gevraagd.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next