De sociale veiligheid voor Joden in het hoger onderwijs is op dit moment onvoldoende, concludeert de Taskforce Antisemitismebestrijding. Voorzitter Jaap Smit: ‘De vrijheid om te demonstreren is goed, maar er zijn grenzen.’
Het was een balanceeroefening, erkent voorzitter Jaap Smit van de Taskforce Antisemitismebestrijding. Een balanceeroefening ‘in een sterk gepolitiseerd en gepolariseerd’ veld.
Want, ga er maar aanstaan: kom maar eens met voorstellen gericht op de veiligheid van Joodse studenten in het hoger onderwijs en de algemene veiligheid op stations rondom sit-in-demonstraties, zoals de opdracht van het kabinet luidde. Smit en zijn Taskforce mochten er een jaar over doen.
Maandag was de presentatie van het eindrapport Gevangen in Vrijheden. Daarin stelt de Taskforce onder meer dat Joodse studenten en medewerkers van universiteiten en hogescholen zich door pro-Palestijnse protesten ‘in het nauw gedreven’ voelen.
Onderwijsinstellingen moeten daarom beter hun best doen om de sociale veiligheid van Joden te verbeteren. Zo kunnen bestuurders vaker ‘resoluut achter Joodse studenten en medewerkers’ gaan staan, ze moeten sneller kwetsende teksten laten verwijderen, zich duidelijker uitspreken als grenzen worden overschreden en meer beveiliging regelen bij Joodse activiteiten op de campus.
Als u zegt dat de discussie over de protesten ‘gepolitiseerd en gepolariseerd’ is, waar doelt u dan op?
Smit: ‘Bijvoorbeeld op uitspraken van politici die per definitie pro-Israël zijn of per definitie tegen. Mensen die uitstralen: kijk mij nou eens hard voor de Joden opkomen. Of voor de Palestijnen. Daar hebben we ons niet door willen laten beïnvloeden.’
Vijf lokale VVD’ers zeiden vorig jaar dat de NS antisemitisme faciliteerde door de protesten in stations toe te laten. Partijleider Dilan Yesilgöz beaamde dat, maar trok die uitspraak een dag later weer in.
‘Door die uitspraken was NS-topman Wouter Koolmees, die ook in de Taskforce zat, erg geraakt. Je moet er erg mee uitkijken. Wij wilden ons niet tot zulk soort uitspraken laten verleiden.’
U sprak het afgelopen jaar circa 120 studenten, docenten, bestuurders, actievoerders, burgemeesters en andere betrokkenen. Welke gesprekken bleven u bij?
‘Een gesprek met een Joodse hoogleraar die al een jaar ziek thuiszat, nadat ze van alles naar haar hoofd geslingerd had gekregen. En met Joodse studenten die op de campus geen keppeltje meer droegen en hun achternaam alleen nog mompelden, uit vrees dat mensen eruit afleiden dat ze Joods zijn. Ze voelden zich bedreigd en ongewenst. Dat vond ik aangrijpend.’
En hoe verliep het contact met de pro-Palestijnse demonstranten?
'Ik heb onder meer een buitengewoon plezierig gesprek gehad met organisatoren van sit-ins op stations. Zelf heb ik ook de beelden uit Gaza gezien, dus ik begrijp dat mensen hun verontwaardiging willen uiten. Ik heb gezegd dat het niet ons doel is acties te verbieden of te beperken. Maar ik wilde wel benadrukken dat er grenzen zijn.’
Wat zou u de demonstranten willen meegeven?
‘Dat het uitstekend is dat ze van hun recht om te protesteren gebruikmaken, maar dat ze bij het scanderen van leuzen een beetje rekening moeten houden met anderen. Sommige leuzen kunnen buitengewoon kwetsend zijn.’
Toch vond de Taskforce niet of nauwelijks voorbeelden van antisemitische teksten tijdens demonstraties.
‘Dat geldt vooral als je het heel formeel juridisch bekijkt. Maar je kunt het ook breder zien. Antisemitisme zit in de gevoelssfeer. Ik kan in al mijn onschuld een geweldige Jodenmop vertellen, die door mijn toehoorder als puur antisemitisch wordt ervaren. Dat geldt ook voor een slogan als ‘From the river to the sea’.’
Waarover heeft u lang gediscussieerd binnen de Taskforce?
‘De kern van ons rapport is dat vrijheid om te demonstreren goed is, maar dat er ook grenzen aan zijn. Je kunt zeggen: dat zijn de juridische grenzen, en alles wat daarbinnen valt is geoorloofd. Maar er zijn ook morele grenzen, fatsoensgrenzen, humane grenzen. Dat maakt het ingewikkeld. Want wie bepaalt die grenzen? Daarover hebben we pittige gesprekken gevoerd.’
Voor bestuurders vormt dat een uitdaging.
‘Ja. En soms moet je als bestuurder, ook als het juridisch misschien niet helemaal duidelijk is, het lef hebben om naar voren te stappen en te zeggen: ik vind dit gewoon niet goed. Dat heb ik zelf als commissaris van de koning ook weleens moeten doen, ten tijde van de boerenprotesten. Ik zie een zekere schroom. Terwijl het wel nodig is.’
Waarbij had u zelf eerder ingegrepen?
‘Er hing op een van de instellingen een spandoek met de tekst ‘Get rid of zionist scum’. Daarvan zou ik wel gezegd hebben: ben je besodemieterd, dit wil ik niet op mijn campus hebben. En dan word ik later misschien door de rechter teruggefloten, maar dat is beter dan dat ik het verwijt krijg dat ik niets doe.
‘En wanneer een pand bezet wordt, wat volgens de huisregels van een universiteit helemaal niet mag, dan zou ik dat niet twaalf dagen laten voortduren in de hoop dat het vuur vanzelf dooft. Dan moet je gewoon zeggen: het is mooi geweest.’
Wat is uw belangrijkste advies voor onderwijsbestuurders?
‘Dat ze erkennen wat de positie van de Joodse gemeenschap op de campus is. En dat ze, als dat nodig is, openlijk hun arm om die mensen heen slaan en zeggen: ik zie wat dit met jullie doet, en ik doe mijn best dat jullie niet buitensporig veel kwaad wordt aangedaan.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant