Net wanneer het donkerste seizoen je definitief in zijn greep heeft, is het plotseling Poëzieweek en breekt overal de zon door. Misschien is die opluchting des te groter omdat we momenteel in een tijd leven waarin verbeelding en zachte krachten harder nodig zijn dan ooit, en bij steeds meer mensen toch het besef daagt dat de wereld meer moet zijn dan slechts voer voor econometristen. Gelukkig hebben we de poëzie nog.
Het fijne aan verzen is, onder andere, dat ze de aandacht leggen op wat soms over het hoofd dreigt te worden gezien. Afgelopen week was ik bij een poëzieavond waar ik de Vlaamse dichter Ruth Lasters haar gedicht ‘Fetisj’ hoorde voordragen, uit de bundel Tijgerbrood. Hierin kijkt iemand op de kermis naar zo’n grijpautomaat, maar in plaats van een pluchen aubergine of een Rolex van papier-maché, blijkt de machine prijzen te bevatten die symbool staan voor een nieuw begin, zoals ,,pas gefreesde voordeursleutels, kousenbanden van/hertrouwpartijen”, medailles verkregen bij de AA, diploma’s behaald tijdens detentie, het zit er allemaal in. De verteller verzucht vervolgens dat ze het liefst een wijk heeft waarin de bewoners minstens drie keer helemaal opnieuw zijn begonnen.
Toen ik Lasters dit gedicht hoorde voordragen, moest ik denken aan alles wat er in mijn eigen leven misging, dingen die ik mezelf op slechte dagen nog steeds kwalijk neem. Zoals dat ene half jaar studie dat ik wegens depressie verknalde of die ene baan waar ik mijn draai niet vond. Opeens kon ik door een handvol regels stilstaan bij de studies die ik wél voltooide en het werk dat ik nu mag doen.
Ergens weten we allemaal heus wel dat het niet om falen, maar om herpakken zou moeten draaien. Maar daar staan we (ik) zo weinig stil dat er blijkbaar een gedicht moest komen om ons daaraan te herinneren. Soms zijn we (ik) gewoon zo druk met onszelf te straffen om wat niet lukte, dat we vergeten hoe knap het is dat we alsnog het stof van de knieën sloegen en weer opstonden.
Dit besef was afgelopen week een welkom geschenk, zo in de blessuretijd van de winter. Een gedicht dat je toefluistert dat in iedere nieuwe poging al de kiem ligt van een triomf. En dan te bedenken dat tot donderdag door het hele land de dichtkunst nog wordt gevierd, en er overal kleine erepodia van woorden zullen worden gebouwd voor wat we soms uit het oog verloren.
Allerlei odes aan hen die zelfs met het leven tegen, weten te volharden.
Die onophoudelijk geloven dat het ooit weer lente wordt.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC