Protesten Iran Er wordt steeds meer bekend over hoe het Iraanse regime de protesten van begin januari met grof geweld heeft neergeslagen. Drie Iraniërs vertellen over de dagen rond de protesten. „Mensen zorgden voor elkaar; er was veel saamhorigheid.”
Nu het internet langzaam terugkomt in Iran dringen steeds meer berichten door over hoe het regime de protesten van 8 en 9 januari met grof geweld heeft neergeslagen. Het dodenaantal loopt op — de cijfers variëren van 12.000 tot mogelijk 30.000 slachtoffers.
Drie Iraniërs die de protesten van nabij meemaakten vertellen hoe ze die dagen beleefd hebben. Vanwege hun veiligheid blijven ze anoniem.
Karim (63) woont al veertig jaar in Nederland, waar hij zich inzet voor mensenrechten. Zijn familie in Iran heeft hij sinds zijn vertrek nooit meer fysiek gezien. Wel belt hij regelmatig met zijn zus, die in Teheran woont.
Na de protesten was er twee weken lang radiostilte. Op 25 januari ontvangt hij eindelijk een bericht van zijn zus: „Hoe is het met jullie?” Het lukt om te bellen. Ze huilt en kan nauwelijks spreken.
Haar zoon, een 34-jarige atleet, kwam tijdens de protesten in een regen van kogels terecht. Vijf kogels raakten hem. Op datzelfde moment werd ook zijn beste vriend beschoten. Die stierf ter plekke, in zijn armen.
Vrienden brachten de atleet op een scooter naar het ziekenhuis vlakbij de grote bazaar. De gangen waren gevuld met gewonden. Families dwaalden rond, op zoek naar hun kinderen. Artsen en verpleegkundigen werkten onophoudelijk. Overal lag bloed. De meeste slachtoffers waren door kogels geraakt — sommigen waren overleden, anderen verkeerden in kritieke toestand.
Karims zus werd ingelicht en reed naar het ziekenhuis. Onderweg schreeuwde ze in haar auto: „Mijn zoon sterft voor vrijheid. Dood aan dit regime.”
Haar zoon zat onder het bloed — hij was geraakt in zijn been, buik en arm. Ze smeekte de artsen zijn leven te redden. Een arts die langsliep zei: „Hij moet onmiddellijk geopereerd worden. De kogel zit dicht bij het hart.”
De operatie werd zonder verdoving uitgevoerd, vertelt Karims zus hem. Er was geen tijd om te wachten. De familie moest zo snel mogelijk het ziekenhuis verlaten — de Revolutionaire Garde komt geregeld langs om gewonden mee te nemen, vertelt Karim aan NRC.
Eenmaal thuis duurde het enkele minuten voordat de politie op de stoep stond. Ze hadden gehoord dat haar zoon gewond was geraakt. Camerabeelden zouden worden bekeken om te beslissen of hij alsnog wordt meegenomen. Voorlopig mocht hij het huis niet verlaten.
Karims zus wilde haar zoon naar een oom in het noorden brengen, voor zijn veiligheid. Maar zijn wonden waren te ernstig.
De dagen erna vroeg ze haar zoon wat er was gebeurd. Hij zei nauwelijks iets.
„Dit is de prijs voor vrijheid”, vertelt ze aan Karim. „Wij vochten 45 jaar geleden tegen de sjah. Nu doen onze kinderen dat tegen dit regime.”
Karim heeft maar een paar minuten om met zijn zus te praten. Dan wordt de verbinding verbroken.
Een Iraanse vrouw, halverwege de dertig, was tijdens de protesten op bezoek bij haar familie in Mashad, in het noordoosten van Iran. Ze woont sinds enkele jaren in Frankrijk, waar ze promoveert en lesgeeft aan de universiteit.
Ze komt uit een traditioneel religieus gezin. Haar familie is nooit aanhanger geweest van het regime, maar er was altijd wantrouwen tegen het Westen.
De vrouw vertelt tijdens een telefoongesprek wat ze zag in de dagen rond de protesten.
In Mashhad kwam de hele familie dinsdagavond 6 januari bijeen om te vieren dat ze op bezoek was. Aan tafel discussieert de familie of ze gaan demonstreren. De vrouw wilde naar buiten, maar haar vader wilde niet dat ze ging. „De prijs is te hoog. Ze zullen schieten”, waarschuwde hij.
Uiteindelijk besloot de vrouw samen met haar echtgenoot te gaan.
„De auto stond dichtbij, voor het geval we moesten vluchten. Overal waren mensen op straat, maar nog geen enorme menigten. De politie had nog geen grote wapens, alleen tasers. Ze riepen dat mensen niet mochten samenkomen, maar waren niet gewelddadig.”
De volgende ochtend stonden overal leuzen op muren: „Lang leve de sjah”, „Weg met de dictator”.
In de avond begonnen de straten steeds meer op een militair gebied te lijken. De lokale politie was vervangen door de Revolutionaire Garde, met zware wapens. Ze kreeg sms’jes van de overheid: „Dit is geen protest, maar een rel, en zo zal het worden neergeslagen. Als je je familie veilig wilt houden, blijf dan binnen.”
Agenten schreeuwden dat de mensen weg moesten, traangas werd afgevuurd. Mannen op motoren begonnen van achteren op de menigte te schieten. Het ging snel — ze rende zelf ook. Ze zag mensen neervallen. Haar man pakte haar hand en trok haar mee naar de auto.
Rond elf uur ’s avonds kwamen ze thuis.
De volgende dag, donderdag, waren er nog meer leden van de Revolutionaire Garde, meer militaire voertuigen, zwaardere machinegeweren.
Die avond wilde ze weer gaan protesteren, haar vader verbood het. Ze bedacht een smoesje en zei dat ze naar haar oom zou gaan. Maar haar vader doorzag het en kwam haar even later ophalen.
Rond middernacht, toen de protesten waren neergeslagen, ging ze toch naar buiten — samen met haar vader deze keer. Ze reden door de stad. De demonstranten waren weg, maar er lag bloed op straat.
Er hing een rooklucht. De straten lagen vol glas van ingeslagen ramen, bushaltes waren allemaal kapot.
Overal waren stadsmedewerkers aan het werk — in fluorescerend gele hesjes, onder toezicht van agenten. Ze wasten het bloed weg, ruimden het gebroken glas op, schilderden de leuzen met witte verf over, maar zelfs onder de verf waren de slogans nog te zien.
Het was stil op straat, en het voelde als een illusie. Normaal zijn de winkels tot middernacht open, maar nu was het donker — alles gesloten.
Gek genoeg ging het normale leven vrijdag verder. In de supermarkt vervloekten de verkoper en zijn klanten het regime. Iedereen sprak zacht. Maar niemand was bang voor de ander. In Iran delen mensen al jaren hun pijn met elkaar.
Vrijdag hoorde haar vader dat meerdere van zijn collega’s waren gedood. Langzaam drong de schaal van het geweld tot haar door.
Bij een familiebijeenkomst die avond vertelde haar oom — die wel de nacht ervoor bij de protesten was geweest — dat hij machinegeweren had gezien bovenop een viaduct, gericht op de menigte. Hij deed er luchtig over: „We zijn geraakt, maar gelukkig alleen met de kleine hagelkogels.” Daarna werd het stil.
Een lerares (47) woont in een klein stadje in het westen van Iran, samen met haar man, zoon en moeder. Sinds 28 december neemt ze deel aan de demonstraties en is ze een van de aanjagers daarvan. Op donderdag 8 januari, de dag met de grootste en bloedigste protesten, hield ze een dagboek bij voor NRC.
„Vanmorgen werd ik wakker met een vreemd gevoel. Ik was blij, maar ook ongerust. Het zou een belangrijke avond worden; de kroonprins had voor het eerst opgeroepen tot actie.
Mijn dochter belde uit Amerika, we praatten zeker een uur via WhatsApp. Ik vertelde haar dat het onrecht bijna voorbij is. Maar plots sloeg de twijfel toe: wat als we, net als de vorige keren, falen?
Daarna begon ik aan de lunch. Ik dacht: ik moet een goede lunch maken, misschien ben ik er morgen niet meer. Rond het middaguur stuurde een vriend een bericht. Omfloerst zei hij dat we vanavond met een paar anderen een ‘wandeling’ zouden maken.
Om zeven uur kwam mijn vriend ons ophalen. Mijn moeder was ongerust; ze waarschuwde dat de veiligheidsdiensten meedogenloos zijn.
We parkeerden de auto in een steegje. Op dat moment voelde ik angst, spanning en — meer dan alles — hoop. Ik zag mensen die in groepjes hun huizen verlieten, allemaal net als wij in zwarte kleding en met maskers.
We begonnen leuzen te scanderen: ‘Dit is de laatste strijd, Pahlavi keert terug’, ‘Leve de sjah’, ‘Dood aan Khamenei’, ‘Dood aan de dictator’.
In het begin trilden mijn handen, mijn benen en mijn hele lichaam, maar ik riep toch vastberaden. Ik pakte een paar stenen voor het geval ik ze nodig zou hebben.
De ordetroepen blokkeerden de hoofdstraat. We werden teruggedrongen door traangas en kogels. Daarna verzamelden we ons opnieuw, riepen leuzen en moedigden elkaar aan. Wanneer zij aanvielen, verspreidden we ons door de steegjes. De deuren van sommige huizen stonden open — mensen gingen daar schuilen.
Tijdens een achtervolging bleef ik alleen achter. Ik zag een oude vrouw voor haar huis staan, de deur stond open. Ze was groenten aan het wassen op haar binnenplaats. Ik vroeg haar toestemming om wat water te drinken — mijn tong en keel waren volledig uitgedroogd.
Toen ik de binnenplaats weer verliet liep ik in de richting waar het geluid vandaan kwam. Toen ik een grote groep mensen zag, voelde ik weer moed. Ik rende naar hen toe. We waren met ongeveer duizend mensen, misschien meer. Iedereen scandeerde leuzen.
We hielden daar ongeveer twee uur stand. Ze schoten traangas, gebruikten hagelpatronen, en ook het geluid van echte kogels was te horen. Ik ging met een paar andere vrouwen en twee tienermeisjes een huis binnen waarvan de deur openstond.
Weer buiten riep ik mensen toe: wees niet bang, kom, samen overspoelen we ze. Met al mijn kracht schreeuwde ik: zij zijn bang voor de massa, kom naar voren. Het had veel effect: mensen die zich in steegjes hadden verscholen, kwamen weer terug.
Het was een mooie nacht. Mensen zorgden voor elkaar; er was veel saamhorigheid. De grote brug richting de bazaar was volledig in handen van het volk. Overal was vuur aangestoken om het traangas te neutraliseren. Ik zag een man met een bebloed gezicht; mensen waren het aan het schoonmaken.
Weer terug bij mijn eigen huis kruiste ik bijna tegelijk mijn schoonzus, die in een andere wijk had meegedaan. We omhelsden elkaar, maakten het V-teken van overwinning en gingen samen naar binnen.
Mijn moeder was bezig met eten klaarmaken. Mijn zoon kwam ook thuis. We aten een eenvoudige maaltijd van soep, kotelet en kaas. Mijn man en mijn moeder hadden om precies acht uur een speaker op het balkon gezet en in het donker, met de lichten uit, leuzen afgespeeld. Het voelde goed dat iedereen veilig thuiskwam. Ik was tevreden en mijn hart was rustig.
De dagen daarna ging het gewone leven weer door. Op school was het examenweek. Het hoofd van de school nam me apart en zei: ‘Ik was zo bang dat ze jou zouden oppakken.’”
Terugblikken, extra analyses en leestips bij de laatste uitzending van de podcast Wereldzaken.
Source: NRC