Met dank aan AI-apps stegen de wiskundecijfers van een groep eindexamenleerlingen op een vmbo-school in Arnhem opvallend. Indrukwekkend, maar experts krijgen iPad-schoolvisioenen: ‘Iedereen is verblind door optimistische vergezichten.’
Als dramadocent Roos Veenvliet in september op een Arnhemse vmbo-school begint, valt haar meteen iets op. Haar leerlingen barsten van de ideeën voor de toneellessen, maar zodra die moeten worden uitgewerkt in geschreven dialogen, lopen sommigen vast. ‘Als je de juiste woorden nog niet kunt vinden, kan dat frustrerend zijn’, zegt Veenvliet, die uit het basisonderwijs komt.
In de wandelgangen hoort ze over een pilot met AI-gedreven leerapps. Ze klopt aan bij de aanjager ervan: de 74-jarige Wim van der Schouw, oud-leraar die na zijn pensioen is teruggekeerd op school. Hij heeft zich – gezegend met tijd – verdiept in AI en ziet ‘enorme mogelijkheden’ voor deze leerlingenpopulatie, die vaak met leer- en taalachterstanden kampt.
Met een proef weet hij de aanvankelijk voorzichtige directie van de Maarten van Rossem-school te overtuigen: negen eindexamenleerlingen die er slecht voorstaan voor wiskunde, gaan met AI-ondersteunde oefenmaterialen aan de slag en slagen allemaal. Het gemiddelde cijfer stijgt van een 4,5 naar een 7,5.
Sindsdien ontvangt Van der Schouw een groeiende groep docenten in zijn ‘AI-cockpit’, een klein kamertje naast de aula, op steenworp afstand van de praktijklokalen voor autotechniek en zorg. Dramadocent Veenvliet is een van hen. Met Van der Schouws hulp ontwikkelt ze een leerapp waarin leerlingen via gerichte vragen (wie zijn de personages, waar speelt het verhaal zich af?) hun ideeën omzetten in een script. Voor haar ligt een voorbeeld, getiteld De voetballer in het ruimteschip.
Veenvliet vreesde aanvankelijk dat AI haar vak, dat draait om creativiteit en eigenheid, zou uithollen. Inmiddels ziet ze het anders. ‘De app vertaalt wat er in hun hoofd zit naar iets werkbaars.’
Niet iedereen in het onderwijsveld is overtuigd. Voorzichtigheid overheerst. Het onderwijs is een van de sectoren waar het debat over AI fel is opgelaaid, juist omdat hier fundamentele vragen samenkomen. Technologie belooft leren makkelijker en efficiënter te maken, maar dreigt tegelijkertijd met de kernopdracht van scholen te botsten: leerlingen opleiden tot kritisch denkende burgers.
Neem een kijkje op LinkedIn en het valt op hoe snel het gesprek polariseert. Aan de ene kant staan docenten en scholen die AI zien als onvermijdelijke vooruitgang. Vaak uit persoonlijke overtuiging hebben zij het roer radicaal omgegooid. Ze leren leerlingen prompten (het geven van een tekstopdracht aan een chatbot), ze laten ze experimenteren met de nieuwste tools en benadrukken dat wie niet meebeweegt, achterblijft. AI geldt hier als noodzakelijke voorbereiding op de toekomst.
Daartegenover staan de verhalen over de schaduwkanten van generatieve AI. De meest gehoorde zorg: door cognitieve en creatieve taken al op jonge leeftijd uit te besteden, verliezen leerlingen essentiële vaardigheden, zoals concentratie, motivatie en het vermogen om zelfstandig te denken en te werken. Tel daarbij de zorgen op over groeiende afhankelijkheid van big tech, verlies van privacy en een verschuivende relatie tussen docent en leerling, en voor deze groep experts is de conclusie helder: wees terughoudend. En vooral: wees kritisch.
Een van de critici is Remco Pijpers, specialist digitale geletterdheid en ethiek bij stichting Kennisnet. Hij pleit voor verantwoord gebruik van AI in de klas. ‘Veel scholen zijn te snel overgegaan naar het onderwijzen in het gebruik van chatbots. De nadruk ligt veel te veel op prompten. Daar heb ik moeite mee.’
Volgens Pijpers moeten leerlingen leren zich te verhouden tot technologie. ‘Opgroeien naar volwassenheid betekent ook dat je afstand leert nemen tot digitale vanzelfsprekendheden.’ Terwijl moderne technologie juist is ontworpen om frictie weg te nemen en gemak te maximaliseren. ‘Kijk naar ChatGPT. Je hebt net een antwoord gekregen, en de chatbot vraagt alweer of hij je verder kan helpen met een vervolg. Het is bijna vanzelfsprekend daarin mee te gaan.’
Scholen zitten daarmee in een lastig parket. Chatbots als Gemini en ChatGPT worden massaal gebruikt door tieners, en ook zonder chatbot krijgen leerlingen steeds vaker met AI te maken, bijvoorbeeld via Googles AI-overzichten. Onderwijsinstellingen moeten daar iets mee, maar wat precies verschilt nu nog sterk per school, ziet Pijpers.
Eind vorig jaar publiceerde het ministerie van Onderwijs de kerndoelen digitale geletterdheid, die scholen verplicht zijn op te nemen in hun curriculum. Ze beschrijven wat leerlingen moeten leren over digitale technologie, media en inmiddels ook AI, maar laten veel ruimte voor interpretatie. Daardoor zijn scholen voor hun beleid vaak afhankelijk van externe adviseurs of commerciële aanbieders. ‘Of, problematischer nog, van de techbedrijven zelf.’
Pijpers wijst op Microsofts AI-pakket Reading Coach. De belofte is groot, met gepersonaliseerde oefeningen en dashboards voor docenten. Hij is kritisch: ‘Het klinkt allemaal mooi, maar het gevolg van dit soort ontwikkelingen is dat de leraar niet meer oog in oog met de leerling staat, maar een soort gids is die vanaf een scherm via grafieken alles in de gaten houdt.’
We moeten verder kijken dan meetbare leerwinst, vindt hij. ‘De vraag is welke nieuwe gewoonten leerlingen ontwikkelen en wat voor invloed technologie op de pedagogische relatie tussen leraar en leerling heeft. Als we dat scherp hebben, weten we beter hoe we verder kunnen gaan.’
Tom Naberink, hbo-docent en ontwikkelaar van AI-onderwijstools, herkent die zorgen. Hij waarschuwt voor wat hij ‘cognitieve luiheid’ noemt: leerlingen die AI gebruiken zonder goed na te denken over wat ze doen. Dat geldt volgens hem voor het merendeel: ‘Ze besteden hun denkwerk uit en controleren nauwelijks wat eruit komt. Dat vinden docenten zorgelijk, en terecht.’
Tegelijkertijd ziet Naberink grote kansen, op voorwaarde dat scholen investeren in ‘AI-geletterdheid’. Dat gaat volgens hem verder dan leren prompten. Het draait ook om kritisch kijken naar uitkomsten en om kennis van ethiek, privacy en duurzaamheid. ‘Daar moet je als school structureel in investeren’, zegt hij. Nu wordt dat vaak overgelaten aan die ene enthousiasteling die zich als aanjager opwerpt.
Naberink geeft zelf trainingen aan docenten en leerlingen en ziet de vraag daarnaar snel toenemen. Voor hem is dat een teken van een bredere verschuiving in het onderwijs, waarin de hype plaatsmaakt voor het besef dat scholen er niet meer omheen kunnen.
De ongemakkelijke waarheid, stelt Naberink, is dat zogenoemde ‘AI-tutors’ – digitale begeleiders die gerichte vragen stellen en uitleg geven – inmiddels ongeveer even betrouwbaar zijn als de gemiddelde vakdocent. ‘Individuele begeleiding op dat niveau was vroeger alleen mogelijk met dure bijlessen.’
AI-aanjager Van der Schouw vindt dat het landelijke debat over AI te eenzijdig uitgaat naar bekende taalmodellen als ChatGPT en risico’s als hallucinaties en fraude. Meldingen bij examencommissies en zware sancties, zoals schorsingen, halen het nieuws. Maar daardoor blijven in zijn optiek de didactische mogelijkheden onderbelicht.
Op de Maarten van Rossem-school wordt nauwelijks gesproken over ChatGPT, simpelweg omdat het in de lespraktijk geen rol speelt. In plaats daarvan werkt de school met gesloten leerapps die docenten zelf bouwen, gericht op de stof van hun eigen vak. Dat verkleint volgens Van der Schouw zowel privacyrisico’s als de kans op foutieve resultaten. ‘De vakdocent weet waar leerlingen vastlopen’, zegt hij. ‘Zonder die kennis heb je aan AI helemaal niks.’
Die visie deelt directeur Anouk Derksen. Samen met Van der Schouw ontwikkelde zij de pilot Lesversterking met AI. Waar veel digitale leermiddelen docenten weinig ruimte laten voor eigen inbreng, is dat hier anders, zegt ze. ‘Docenten maken hun eigen lesmateriaal, afgestemd op hun klas. Dat geeft hen meer zeggenschap en komt de kwaliteit van het onderwijs ten goede.’
Die gedachte lag ook ten grondslag aan de eerdergenoemde proef waaruit de pilot voortkwam. Eindexamenleerlingen die er slecht voor stonden met wiskunde oefenden met door AI ondersteunde oefenexamens. De docent gaf waar nodig extra uitleg. Dat de cijfers omhoog schoten, kan niet worden losgezien van die intensieve begeleiding.
AI mag docenten nooit vervangen, wordt op de school in Arnhem steeds benadrukt. De leerapps fungeren slechts als hulpmiddel in de les. Hoe ze worden ingezet, verschilt per vak. Bij Nederlands gebruikt een docent de apps om teksten beter te laten aansluiten bij het taalniveau van haar leerlingen. Moeilijke examenteksten worden vereenvoudigd en leerlingen oefenen stap voor stap met signaalwoorden en zinsdelen, vaak in herkenbare contexten zoals vlogs.
De wiskundedocent, die de apps onder meer inzet voor het berekenen van oppervlakten – ‘je kunt het heel visueel maken’ – ziet nog een ander voordeel: leerlingen kunnen er ook thuis mee oefenen. Dat is voor deze schoolpopulatie van groot belang, omdat hulp van ouders niet vanzelfsprekend is. Zeker niet voor Nt2-leerlingen, voor wie Nederlands niet de moedertaal is.
Deze praktijkvoorbeelden nemen de twijfels bij cultuursocioloog Siri Beerends bepaald niet weg. De onderzoeker bij platform Setup en de Universiteit Twente ziet parallellen met eerdere digitale technologieën in het onderwijs, zoals sociale media, iPads of smartphones. ‘Het begint altijd met enthousiasme’, zegt ze. ‘Iedereen is verblind door optimistische vergezichten. Pas later blijkt het ingewikkelder.’
Volgens Beerends is de neiging om technologie automatisch als vooruitgang te zien hardnekkig. ‘En zo wordt het ook verkocht door techbedrijven.’ Daarbij speelt de angst mee om achter te blijven. ‘Maar als je leerlingen wilt voorbereiden op een wereld met generatieve AI, kun je ze maar beter goede vaardigheden aanleren waardoor hun werk zich kan onderscheiden van de eenvormige pulp die AI genereert.’
Ze pleit voor wat ze ‘demystificeren’ van AI noemt. ‘Geef leerlingen een realistischer beeld. Laat ze zien dat AI niet intelligent is, maar overeind wordt gehouden door mensen en schaarse grondstoffen.’ Volgens haar raken leerlingen juist gedemotiveerd als ze denken dat AI alles beter kan. ‘Laat ze de beperkingen zien. Laat zien wat kwaliteit en betekenisvol werk is.’
En AI inzetten als huiswerkbegeleider, als dat de cijfers verbetert? Ook daar is ze kritisch over. ‘Als leerling zou ik me verwaarloosd voelen. Dan zou ik denken: als de docent AI gebruikt, dan doe ik dat ook.’ Er staat volgens haar iets fundamenteels op het spel. ‘Wat gebeurt er met vertrouwen, met communicatie, als jongeren niets meer durven zeggen zonder chatbot en ze de boodschap krijgen dat ze geen menselijke aandacht waard zijn?’
Op Maarten van Rossem kijken ze er wezenlijk anders tegenaan. Neem dramadocent Veenvliet. Zij ziet haar leerlingen opbloeien nu ze met behulp van een AI-app hun ‘eigen’ scripts maken. De drempel om te beginnen is lager geworden, het zelfvertrouwen zichtbaar groter. ‘Het is net het extra zetje wat ze nodig hebben.’
De school hoopt daarmee te laten zien dat het ook anders kan. De belangstelling groeit, ook van scholen in de omgeving. Het enthousiasme is groot genoeg om door te zetten, constateert Van der Schouw tevreden, juist omdat docenten zien wat het hun leerlingen oplevert. Maar er valt nog veel te winnen. Wat dat betreft, verzucht de 74-jarige, is hij toch echt in het verkeerde tijdperk geboren.
Huiswerk in tijden van AI
De snelle opmars van AI stelt middelbare scholen voor een dilemma: wat doe je met huiswerk en opdrachten die leerlingen thuis eenvoudig kunnen laten maken door een chatbot? Steeds meer scholen passen hun curriculum aan. Verslagen worden vaker in de klas geschreven, schriftelijke opdrachten aangevuld met mondelinge overhoringen of reflecties, zodat docenten kunnen toetsen of leerlingen de stof echt beheersen. Tegelijkertijd maken scholen duidelijkere regels. Oneigenlijk gebruik van AI wordt veelal niet als fraude bestempeld, maar wel als een ‘onregelmatigheid’, een overtreding van de afspraken rond opdrachten of examens. Welke sancties daarop volgen – van het ongeldig verklaren van een opdracht tot uitsluiting van (delen van) een examen – moet expliciet zijn vastgelegd in het examenreglement.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant