Hansje Bueno de Mesquita-Van Wijk is 100 jaar. Ze vindt dat meer burgers zich moeten verzetten tegen rampspoed in de wereld – van onderdrukkende autocraten tot klimaatverandering.
Hansje Bueno de Mesquita-van Wijk is sterk gevormd door de oorlogsjaren. De Tweede Wereldoorlog maakte haar politiek bewust en beïnvloedde haar levenshouding, zoals je verzetten tegen onrecht. In de loop der jaren heeft de 100-jarige aan strijdbaarheid niets ingeboet – tot een paar jaar geleden liep ze nog mee in klimaatmarsen.
Hoe gaat het met u?
‘Goed. Ik kan nog goed horen en zien, een gehoorapparaat en bril heb ik niet nodig. Het is moeilijk te geloven dat ik 100 jaar ben. Wat leven we in een gezond land, dat mensen zo oud kunnen worden.
‘Mijn officiële naam is Hanna, maar als kind al vond ik die naam niet bij mij passen, te formeel. Ik was liever een jongetje dan een meisje en was onder de indruk van Hansje uit het sprookje Hansje in ’t Bessenland. Hij helpt iedereen, plukt bessen in het bos en deelt die uit. Op mijn 6de zei ik dat ik voortaan Hansje wilde heten.’
Hoe zien uw dagen eruit?
‘Min of meer net zoals vroeger. Ik sta op, drink een kopje koffie en dan komen er de hele dag mensen langs; vrienden, buurtgenoten, mensen uit de politiek – van de SP, vroeger van de CPN – en familie. Onlangs heb ik iedereen gezegd: tussen 13 en 14 uur wil ik even alleen zijn, om uit te rusten.
‘Mijn leven lang komen mensen naar mij toe, heel wonderlijk. Ze zijn blij met iemand die naar hun verhalen luistert. Ik probeer te helpen als dat nodig is. Ik ben vaak Hannibal en Moeder Teresa genoemd. Hannibal de krijgsheer, Moeder Theresa de weldoenster.
‘Ook toen mijn kinderen nog thuis woonden, was het huis vaak vol, ook met mensen die ik, of een van mijn zoons, tegenkwamen op straat, die geen geld hadden en met ons mee aten. Ik vond het altijd moeilijk ze los te laten.’ (Lachend:) ‘Gelukkig hadden we een hond waar sommigen bang voor waren.’
Goed kunnen luisteren is een kunst.
‘Dat heb ik geleerd in de illegaliteit tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik bracht voedsel en voedselbonnen bij oudere mensen en Amsterdammers die onderduikers in huis hadden. Die hadden weinig aanspraak en waren blij dat ze hun verhaal kwijt konden als ik langskwam.
‘Een keer kreeg ik van de verzetsgroep waarin ik actief was, de opdracht een pakketje af te leveren in Amersfoort, ik wist niet wat erin zat. De trein zat vol Duitse soldaten. Ik voelde angst, want ik wist wat de Duitsers deden met verzetsmensen. Daarna wilde ik zulke opdrachten niet meer doen. Pas jaren later dacht ik: ‘Die Duitse jongens waren er ook maar op uit gestuurd. Het kan zijn dat ze niets kwaads in de zin hadden en het wel grappig vonden, een meisje in de trein.’
Hoe raakte u verzeild in het verzet?
‘Toen de oorlog uitbrak, was ik een naïef meisje van 14 jaar. Over politiek werd bij ons thuis niet gesproken. Mijn oudere buurjongen Mart Smits was heel radicaal en vertelde mij dingen die ik thuis niet hoorde, over de klassenstrijd bijvoorbeeld. Door hem ben ik links geworden en het verzet ingerold.’
Wat heeft tijdens 1940-1945 de meeste indruk op u gemaakt?
‘Op een dag werd er bij ons aangebeld. Een Joods klasgenootje van mij van de lagere school stond voor de deur. Hij had als enige van zijn familie de Holocaust overleefd. Hij heeft een tijdje bij ons gelogeerd. Ik ondernam activiteiten met hem die je hoort te doen als je jong bent, een periode die hij had overgeslagen, zoals naar het park gaan, en naar een concert in het Concertgebouw. Ik had zijn vermoorde ouders goed gekend, het was ook uit respect voor hen dat ik hem op weg hielp. Ondanks alles wat hij had moeten doorstaan, bleef hij een aardig mens. Tot zijn overlijden zijn we contact blijven houden.’
Hoe heeft de oorlogstijd u gevormd?
‘Het heeft mij politiek bewust gemaakt en mij geleerd hoe je je kan verzetten tegen onrecht. Ik ben opgevoed met het christelijke credo: ‘Heb je naaste lief zoals jezelf’, maar daar heb ik moeite mee gehad. Na de oorlog bleef ik vijandigheid voelen jegens Duitsers. Ik zei tegen mezelf: ‘Doe niet zo kinderachtig, niet alle Duitsers zijn hetzelfde.’ Het is krankzinnig een hekel te hebben aan een heel volk. Ik ben naar bijeenkomsten in het Goethe-Institut gegaan, naar lezingen over Duitse literatuur, om veel Duits te horen praten en Duitsers te ontmoeten die waren gevlucht voor het fascisme, en zo van mijn afkeer af te komen.’
Hoe pakte u de draad van het ‘normale leven’ weer op, na de bevrijding?
‘Ik was niet in goede doen. Doordat ik zo druk was met voedsel en voedselbonnen rondbrengen, voelde ik mijn eigen honger niet. Een tante in Zwitserland nodigde mij uit haar kant op te komen, om mijn zinnen te verzetten. Ik ben een aantal maanden gaan werken in Pestalozzi, een pedagogisch kinderdorp voor vluchtelingen. Ik knapte op van druk bezig zijn en met mijn handen werken.
‘In het kinderdorp leerde ik Boris kennen, we konden goed met elkaar overweg en zijn gaan reizen samen, liftend langs de kust van Italië. Ik denk dat we verliefd waren. In die tijd was ik zo principieel, dat ik hem zei: ‘Het gaat niet tussen ons, want jij bent een sociaaldemocraat en ik ben een communist.’ Ik dacht dat dit problemen zou veroorzaken. Politiek was toen belangrijker voor mij dan blij worden. Boris vond mijn standpunt denk ik overdreven.’
Heeft u later geluk in de liefde gevonden?
‘Ik ben getrouwd met Arnold Bueno de Mesquita. Zijn Sefardisch joodse voorouders zijn tijdens de inquisitie in Portugal naar Nederland gevlucht. Nol en ik leerden elkaar in de oorlog kennen, ik ontmoette hem voor het eerst tijdens een vergadering van twee verzetsgroepen. Hij was tijdens zijn onderduik actief in het Joods Verzet. Hij zag mij en zei tegen een vriendin: ‘Zij wordt mijn vrouw.’ Jaren later zijn we getrouwd. Afgezien van het feit dat ik hem heel aardig vond, dacht ik: hij heeft zoveel familie verloren tijdens de oorlog, zijn familielijn moet worden voortgezet - daar moet ik bij helpen.’
Heeft u zich als jonge vrouw voldoende kunnen ontwikkelen naar uw zin?
‘In 1943 heb ik examen gymnasium gedaan. Na terugkeer uit Zwitserland ben ik in Amsterdam aan de universiteit sociale wetenschappen gaan studeren. Nadat ik met Arnold was getrouwd, ging ik met hem samenwerken in zijn zaak, ik zorgde ervoor dat zijn leuke ideeën werden uitgevoerd, als een soort secretaresse. Nol was binnenhuisarchitect en vond dat mensen meer aandacht moesten besteden aan de inrichting van hun woning. Hij richtte Goed Wonen op, een stichting die met modelwoningen liet zien hoe je je huis kon inrichten. Hij vond het belangrijk dat er betaalbare meubels kwamen van goede kwaliteit, zodat een mooie inrichting voor brede lagen van de bevolking mogelijk was. Hij ontwierp meubels die je zelf in elkaar kon zetten, Ikea bestond nog niet. Een van zijn adviezen was de woonkamer op te fleuren met verse bloemen – dat was nieuw in die tijd.’
In wat voor gezin bent u opgegroeid?
‘In een hervormd onderwijzersgezin met drie kinderen. Mijn vader was leraar wiskunde op het Amsterdams Lyceum, een progressieve school. In de zomer organiseerde hij jongenskampen, dan mocht ik altijd mee – lekker veel buiten sporten en liederen zingen. Ik heb altijd beter overweg gekund met jongens dan met meisjes – die zeuren zo vaak over hun uiterlijk. Ik wilde later graag kinderen, maar geen dochters. Ik kreeg drie zoons – dat kwam goed uit.
‘Ik hield veel van mijn vader, een rechtvaardige man. Voor mij was hij als een kameraad, in zijn aanwezigheid voelde ik mij veilig. Als ik ’s avonds in bed lag, zat hij naast mij aan een tafel proefwerken na te kijken. Dan viel ik rustig in slaap.’
Hoe zou u zichzelf typeren?
Hansje Bueno valt voor het eerst stil. Haar jongste zoon Matthijs weet wel raad met de vraag: ‘Ze is open, heeft humor en staat altijd klaar voor anderen. Ze is belangstellend, kritisch en strijdbaar.’
Heeft u uw strijdbaarheid na de oorlog voortgezet?
‘Ja, samen met mijn man. We waren actief in de communistische partij, de CPN. Ben Polak, arts en CPN-wethouder in Amsterdam, kwam bij ons over de vloer. Ik zat in allerlei actiegroepen, zoals meer mensen die in het verzet hadden gezeten, en ben vaak de straat opgegaan om te demonstreren, altijd om op te komen voor de onderdrukten en de kwetsbaren – de rode draad in mijn leven. Ik protesteerde tegen de oorlog in Vietnam, de dictatuur in Spanje, in Chili, en voor het klimaat. Nu gaat het niet meer, want ik kan niet meer lopen. Ik kan wel vragen of iemand mij voortduwt in een rolstoel, maar als de politie op je afkomt, kun je niet snel weg.’
Wat zou u willen zeggen tegen mensen die zich zorgen maken om de nabije toekomst?
‘Kom in verzet, doe iets. Ga demonstreren, sluit je aan bij een actiegroep, voor het klimaat, of tegen autocratie – dat zijn de meest urgente problemen. Ga in gesprek en luister naar de ideeën van je politieke tegenstanders, en leg jouw standpunten uit. Misschien neem je iets van elkaar over, misschien ook niet. Begin met een ander te behandelen zoals je zelf wilt worden behandeld.’
geboren: 23 juni 1925 in Amsterdam
woont: zelfstandig, in Amsterdam
familie: nog een zus (97), een broer (92), 3 zoons en 4 kleinkinderen
weduwe sinds 2002
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant