Jitschak Shami is een ten onrechte vergeten, literaire scharnierfiguur uit de tijd dat Israël nog geen Israël was. Zijn onlangs in het Nederlands vertaalde De wraak van de vaderen (1927) laat een Midden-Oosten zien waar niet iedereen een extremist is of in zwart-wit denkt.
is kunstverslaggever van de Volkskrant. Hij was correspondent in Israël en Palestina tussen 2005 en 2010.
De schrijver Jitschak Shami kwam in 1888 ter wereld als jood met een kleine letter j. Zijn geboorteplaats was Hebron, de Palestijnse stad, toen onder Ottomaans bestuur, waar volgens religieuze overlevering de aartsvaders Abraham, Izaäk en Jakob begraven liggen.
Het zionisme bevond zich toen meer dan 2.000 kilometer verderop nog in een embryonaal stadium. Pas in de jaren negentig van de 19de eeuw verschenen in Wenen de nationalistische pamfletten die van religieuze joden ook Joden met een hoofdletter J maakten: een volk. Dat een eigen land verdiende om zich te beschermen tegen het antisemitische geweld in het Russische rijk en de landen van Europa.
Toen ik correspondent in Israël en Palestina was, heb ik nooit gehoord over Jitschak Shami. Al kwamen er wel oude schrijvers op mijn pad. In Jeruzalem woonde ik op loopafstand van het huis van S.J. Agnon, die in 1966 als eerste Hebreeuwstalige schrijver de Nobelprijs kreeg. Ook las ik in een Engelse vertaling Rouw en mislukking (1920) van Josef Chaim Brenner, die andere pionier van de zionistische literatuur.
Overal in Israël waren straten naar de twee helden vernoemd, net als naar ‘dichter des vaderlands’ Chaim Nachman Bialik.
Maar Jitschak Shami – die naam hoorde ik pas voor het eerst toen eind vorig jaar zijn roman De wraak van de vaderen (1927) in een Nederlandse vertaling verscheen. Voor de publicatie had uitgeverij Jurgen Maas geen beter moment kunnen kiezen. Hij is een ten onrechte vergeten, literaire scharnierfiguur, en zijn met een open mind geschreven werk kan wat licht bieden in de duisternis van de Israëlische genocide op Palestijnen in Gaza.
De Palestijnse schrijver en jurist Raja Shehadeh drong er rond de jaarwisseling in The New York Times op aan niet steeds alle aandacht te richten op de bloedbaden uit de geschiedenis. Alleen zo valt de illusie te doorbreken dat alle Palestijnen terroristen zijn en alle Israëliërs oorlogsmisdadigers.
‘Begin les te geven over de ander, leer de literatuur van de ander te kennen, vertel dat er tijden in Palestina zijn geweest waarin Joden en Arabieren vriendschappelijk en vredig samenleefden en dat dat belangrijke tijden waren’, zei Shehadeh, die in 1979 medeoprichter was van de vooraanstaande Palestijnse mensenrechtenorganisatie Al Haq. ‘Moordpartijen zijn gebeurd, maar niet zo vaak. Richt je aandacht liever op lichtpunten die er ook waren.’
De tegenstelling tussen Joden en Arabieren speelt in het werk van Jitschak Shami geen rol. Zijn verhalen gaan over joden of over moslims, die hij kende als zijn beste buren. Hij schreef in feite over ‘een wereld van gisteren’, zoals de Joods-Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig zijn herinneringen aan het vooroorlogse Europa ooit noemde.
In de tijd waarin Shami ter wereld kwam, bestond geen van de huidige grenzen in het Midden-Oosten. Je familie en religie bepaalden in grote mate wie je was.
Zijn vader was een joodse textielhandelaar uit Damascus. Eliahu Sarwi was als handelsreiziger in Hebron neergestreken en trouwde daar met Rifka Castel, een dochter uit een Sefardisch-joodse familie die al generaties in de heilige stad woonde. Het was volgens de familieoverlevering het derde huwelijk van de zestiger Sarwi, waaruit na Jitschak nog twee zonen werden geboren.
Wie de biografie van Shami bij elkaar sprokkelt uit het nawoord van vertaler Ruben Verhasselt in De wraak van de vaderen en een enkel wetenschappelijk-letterkundig artikel, ziet in zijn persoon de levendige Palestijnse smeltkroes van rond 1900 opdoemen. Na een lang bestaan als kalme uithoek in het Ottomaanse Rijk drong de wereldproblematiek er door.
Thuis sprak Shami met zijn vader Arabisch, en hij ging gekleed in een qumbaz, het lange losse gewaad dat Arabische mannen traditioneel dragen. Met zijn moeder sprak Shami Ladino: de taal van de veelal in Noord-Afrika en het Midden-Oosten woonachtige Sefardische joden, zoals het Jiddisch de taal was van de Asjkenazische joden in Europa en Rusland.
In Hebron ging Shami zowel naar een heder, een joodse lagere school waar hij Hebreeuwse bijbelles kreeg, als naar een Arabische school. Als puber raakte hij geïnteresseerd in het werk van de christelijke schrijver Jurji Zaydan uit Libanon. Hij was op dat moment een toonaangevend denker van het Arabische nationalisme, dat in de regio opkwam uit onvrede met de Turkse overheersing.
Met zijn wereldse vragen dreef Shami zijn joodse leraren tot wanhoop, en ze stuurden hem naar het in 1905 mondainere Jeruzalem. Daar kwam hij van de weeromstuit terecht tussen de eerste Joodse immigranten die kort na de eeuwwisseling het zionisme naar Palestina brachten. Op de vlucht voor de pogroms en armoede van het Russische rijk kozen ze uit Joods nationalistische motieven voor Palestina, het land waar ooit het Joodse koninkrijk Israël uit de Bijbel lag.
Er was weinig werk in het land tussen de rivier en de zee, dus wie financieel vooruit wilde in het leven, ging eerder naar dat andere beloofde land, Amerika.
In Jeruzalem trok Shami westerse kleren aan en koos hij voor een revolutionair beroep: leraar Hebreeuws.
Het zionistische idee om een Joodse staat te stichten in het land van de Bijbel ging gepaard met het visioen ook de taal van de Bijbel weer tot leven te brengen. Het Hebreeuws was destijds vrijwel alleen nog in gebruik voor religieuze rituelen.
De uit Rusland overgekomen taalkundige Eliëzer Ben-Jehoeda ging dat eigenhandig veranderen. Hij voedde rond de eeuwwisseling zijn zoon en dochter als eerste kinderen in Jeruzalem op met het Hebreeuws als moedertaal, en publiceerde in 1908 het eerste modern-Hebreeuwse woordenboek. De taal zou het Joodse volk weer moeten verenigen, nadat het in de diaspora over zoveel landen en talen versnipperd was.
Daar waren natuurlijk docenten voor nodig. En schrijvers om de Hebreeuwse bibliotheek met moderne literatuur te vullen. Nog voor Shami zijn diploma op zak had, publiceerde hij in 1907 al zijn eerste verhaal, ‘De onvruchtbare echtgenote’.
Het gaat over de huwelijksproblemen van een traditioneel Sefardisch echtpaar, waarvan Perciado Rufo een tweede vrouw trouwt in de hoop met haar wél kinderen te krijgen. Shami tekende het op met oog voor alledaags detail. Terwijl het bruiloftsfeest gaande is – ‘bebaarde joden met tulbanden en kaftans gooien hun armen om de schouders van gladgeschoren jongemannen gekleed in de laatste Parijse mode, en samen zingen ze mee met de melodie van de viool’ – stort de eerste vrouw, Florica, in.
Shami viel ermee uit de toon bij de zionisten. Hij schreef niet over het innerlijke leven van de immigranten en hun droom van een nieuw Joods leven. De schrijver-pionier Josef Chaim Brenner rekent een paar jaar later in een essay over de toekomst van Hebreeuwse literatuur af met zijn anekdotische werk. Het was naar zijn smaak te kleingeestig en provinciaals .
Bovendien koos Shami als schrijversnaam de bijnaam van zijn vader: al-Shami, wat Arabisch is voor ‘de man uit Syrië’. Het is moeilijk anders te lezen dan als een beginselverklaring. De meeste jonge schrijvers publiceerden juist onder een nieuw gekozen Hebreeuwse achternaam – de eveneens in 1888 geboren S. J. Czaczkes werd de met de Nobelprijs gelauwerde Shai Agnon.
Zo ging de strijd om de toekomstige identiteit van het land tussen de rivier en de zee al snel ook ieders persoonlijke identiteit bepalen. Was Jitschak Shami een Arabier of een Jood? Zou de gedroomde nieuwe Joodse staat zich naar de Arabische wereld voegen, of een Europees project in het Midden-Oosten blijven?
In de roman De wraak van de vaderen komt zelfs geen joods personage voor. Het beschrijft de opkomst en ondergang van Nimr Aboe as-Sjawarib, die even avontuurlijk als tragisch is. Hem valt de eer te beurt aanvoerder te zijn van de pelgrims uit de Palestijnse stad Nablus tijdens het jaarlijkse festival in Nabi Moesa.
Daar, op een lange dag wandelen van Jeruzalem, is volgens de islamitische traditie de graftombe van Moesa, na Mohammed een van de belangrijkste profeten. Van alle figuren in de Koran valt zijn naam daar het vaakst: liefst 136 keer in de 116 soera’s.
Wie is opgegroeid in de joodse of christelijke traditie kent hem als Mozes, de leider die de Israëlieten in het bijbelboek Exodus vanuit Egypte naar het beloofde land gidste en onderweg even de Rode Zee spleet om hun een droge doortocht te bieden.
De trotse Aboe as-Sjawarib neemt zijn taak serieus. Als hij met zijn mensen vanuit Nablus op de verzamelplek in Jeruzalem aankomt, is hij erop gespitst dat de pelgrimsgangers uit het zuidelijke Hebron niet voordringen op het laatste stuk naar Nabi Moesa. Hij wil met zijn vlaggen voor de hele menigte voorop.
In een even rustig als dwingend verteltempo laat Shami hem op zijn noodlot afkoersen. De leider van de Hebronieten lijkt hem vlak voor de toegang tot het heiligdom te slim af te zijn. Ze belanden in een duel, en ‘ten prooi aan een waanzin die een mens tot zonde brengt’ steekt Aboe as-Sjawarib zijn rivaal neer.
Om aan eerwraak te ontkomen vlucht hij de woestijn in. Na een dwaaltocht eindigt hij straatarm en stoned in de hasj-cafés van het Egyptische Caïro. In een schitterend deel dat zich tussen droom en drugsvisioen beweegt, maakt Aboe as-Sjawarib de balans op van zijn leven. Langzaam dringt tot hem door dat er niets anders op zit dan de wraak van de aartsvaderen te ondergaan. Met zijn laatste krachten reist hij naar Hebron, Shami’s geboortestad, waar Abraham, Izaäk, Jakob en een volksmeute op hem wachten.
De roman geldt in een kleine kring van kenners al jaren als een hoogtepunt van de vroegmoderne Hebreeuwse literatuur. Wie de taal machtig is, schrijft vertaler Verhasselt in een nawoord, zal opvallen dat het vocabulair van Shami geheel uit het bijbelse Hebreeuws komt en geen Europese leenwoorden kent.
Op één na: haloetsinatsiot, oftewel hallucinaties.
Het is vermoedelijk de levendigste literaire beschrijving van de pelgrimage naar Nabi Moesa. Niet voor niets is Shami in 2004 als een van de belangrijkste Palestijnse schrijvers van de 20ste eeuw erkend door de Palestijnse Academische Vereniging. Shami had zelfs ooit de tocht voor de gezelligheid met islamitische vrienden meegelopen. Het pelgrimslied dat de derwisjen altijd voor Moesa zongen is waarschijnlijk alleen in de Hebreeuwse vertaling van Shami bewaard.
De toon van De wraak van de vaderen was bij verschijning opvallend melancholisch en niet politiek. Zeven jaar eerder was de viering bij Nabi Moesa namelijk het decor geweest van gewelddadigheden tussen Joden en Arabieren. Op zondagochtend 4 april 1920 verzamelden de pelgrims uit heel Palestina zich gewoontegetrouw bij de oude stadsmuur van Jeruzalem. Maar voor ze aan hun processie begonnen, braken er plots gevechten uit.
Wie begon was moeilijk vast te stellen voor het Britse koloniale bestuur dat de macht in Jeruzalem in 1917 had overgenomen van het Ottomaanse Rijk. In de Eerste Wereldoorlog hadden ze nog allerlei allianties tegen de Turken gesloten met zowel Joodse als Arabische nationalisten, maar daarna raakten ze snel de weg kwijt in hun langzaam broeiende vete.
Was het een Jood die een Arabier omver duwde en probeerde zijn vlag af te pakken en te bespugen? Of was het een Arabier die een Jood in het voorbijgaan toeriep: ‘Daar is een zionist, hondenzoon!’
Het was ‘in wezen het openingsschot van de oorlog om het beloofde land Israël’, schreef de Israëlische historicus Tom Segev in zijn onvolprezen One Palestine, Complete – Jews and Arabs under the British Mandate (2000). Na drie dagen van vechtpartijen en plunderingen waren vijf Joden dood en vier Arabieren, onder wie een kind.
In aanloop naar de Nabi Moesa-rellen hadden de Joodse en Arabische leiders bij het Britse bestuur over van alles en nog wat ruzie gemaakt. De zionisten probeerden de Britten te houden aan de Balfour-verklaring, waarin hun in 1917 een Joods thuis in Palestina was beloofd.
De Arabische leiders, die daarin nooit waren gekend, verzetten zich daar met hand en tand tegen.
Om het belang van het Hebreeuws voor de zionisten te onderstrepen, ging het ook meteen over de voertaal in Jeruzalem. De Zionistische Commissie eiste van de Arabische burgemeester van Jeruzalem dat hij de uitnodigingen voor een herdenking van de Britse veroveringen in het Hebreeuws liet opstellen, schrijft Segev, die een verslag van hun gesprek vond in het Centraal Zionistisch Archief.
Voorman Menachem Ussishkin van de Zionistische Commissie blufte ronduit dat de meeste inwoners van Jeruzalem Hebreeuws spraken. Burgemeester Musa Kazim al-Husaini was niet onder de indruk. ‘Ten eerste, zei Husaini, spraken de meeste Joden Arabisch. Ten tweede begrepen de meesten van hen geen Hebreeuws. Ten derde was de eis om de uitnodigingen in het Hebreeuws te drukken alleen bedoeld om het stadsbestuur te laten toegeven aan zionistische verlangens.’
Maar hoe de spanning ook opliep, Jitshak Shami bleef tijdloze verhalen schrijven. Over de joodse vader Zvi Cohen, die na een lange reis thuiskomt in Damascus en tot zijn afgrijzen ontdekt dat zijn dochters succes hebben als danseressen in een buurtcafé. Over de bedoeïen Mansur, die zijn witte merrie niet wil verkopen aan sjeik Jaffar.
(Aan uitgeverij Jurgen Maas hierbij de oproep de korte verhalen vooral op te nemen in een tweede druk van De wraak van de vaderen. Ze zijn voor de Nederlandse lezer nu alleen toegankelijk in een 25 jaar oude Engelse vertaling, die alleen nog via universiteitsbibliotheken te raadplegen is.)
Na de Nabi Moesa-rellen volgden er in de jaren twintig meer geweldsuitbarstingen. In 1921 in Jaffa: 48 Arabieren dood en 47 Joden, onder wie de zionistische schrijver-pionier Brenner. In 1929 begon het met rellen in Jeruzalem over toegang tot de Klaagmuur (waarbij de bibliotheek van schrijver S.J. Agnon in vlammen opging) en eindigde het in een bloedbad in Hebron, waar een Arabische menigte zeker 67 Joden doodde.
De moordpartij was voor Shami aanleiding zijn geboortestad te verlaten. Hij week uit naar de havenstad Haifa, maar voelde zich er als een balling in eigen land. Hij had heimwee en fantaseerde erover een geschiedenis van Hebron te schrijven.
Zolang het ging bleef hij in het Hebreeuws met empathie over Arabieren schrijven. ‘In mijn hart twijfel ik over de verhalen’, schreef Shami in 1936 in een brief aan de redacteur van een literair tijdschrift. ‘Op sommige momenten denk ik dat het in deze tijd van woede en verschrikking tussen ons en onze buren misschien niet gepast is om belangstelling te hebben voor hen (de Arabieren, red.) en hun levens. Maar in mijn hart heb ik besloten dat kunst alles overstijgt. Meer hoeft er niet te worden gezegd.’
Het verhaal ‘Jummah, de eenvoudige ziel’ was in 1936 het laatste dat hij schreef, over een Arabische herdersjongen. Hij verzonk in somberte, omdat het Hebreeuwse literaire establishment van Europese immigranten zijn verhalen niet op waarde schatte en omdat geweld tussen Joden en Arabieren het Palestina dat hij kende verwoestte.
De maalstroom van de geschiedenis verzwolg hem, zoals ook de meeste van zijn hoofdpersonages roemloos ten onder gaan. Hij overleed, 60 jaar oud, in 1949 aan longemfyseem, een klein jaar na de stichting van de Joodse staat Israël.
Toen ik correspondent was, ben ik een paar keer bij Nabi Moesa langsgeweest. Het ligt in een onherbergzame hoek van de Westelijke Jordaanoever, het door Israël bezette Palestijnse gebied.
De afslag vind je iets over de helft van de lange afdaling van het hemelse Jeruzalem naar de oevers van de Dode Zee, dat op meer dan 430 meter onder zeeniveau de laagste plek op aarde is. Het eenvoudige complex van zandsteen steekt af tegen de kale omgeving door zijn dertig witte koepeldaken, die schitteren in de zon. Vooral steenbokken en slangen voelen zich er senang.
De tombe is in een slaperig bestaan verzonken geraakt na de Nakba, de verdrijving van 750 duizend Palestijnen waarmee Israël bij de oprichting in 1948 het weefsel in de Palestijnse samenleving verscheurde. Het was een wat treurige oase, waar een handjevol opzichters in de schaduw van een paar palmen rondhing om het stenen graf van Moesa te bewaken.
De jaarlijkse pelgrimage naar de tombe kent een merkwaardige geschiedenis. Nadat moslimlegers in de middeleeuwen de christelijke kruisvaarders uit Jeruzalem hadden verdreven, zagen de islamitische leiders dat christenen de heilige stad bleven bezoeken tijdens de viering van Pasen. Ze verzonnen daarom het feest voor Moesa, dat gelijktijdig met Pasen gehouden moest worden. Zo was er een aanleiding om zoveel mogelijk moslims op de been te brengen, als machtsvertoon tegen de christenen. De fundamenten van het grafmonument dateren ook uit die tijd.
Het dramatische landschap laat zich hier op talloze manieren lezen: militair, politiek, religieus, geologisch, historisch. Aan de voet van de heuvelrug verstopten joden in de tijd van de Tweede Tempel in grotten hun geschriften voor de plunderende Romeinen. Kort na de Tweede Wereldoorlog ontdekten bedoeïenen ze pas weer. Het was een schat die bekend kwam te staan naar de vindplaats: de Dode Zeerollen. Ze bevatten de oudst bekende versies van verhalen die later hun weg hebben gevonden naar de Thora, de Bijbel en de Koran.
Jezus van Nazareth streed even verderop, tijdens dezelfde Romeinse bezetting, veertig dagen tegen de verleidingen van de duivel voor hij zich ontpopte als Messias.
Honderden kluizenaars trokken daarna in de vroege eeuwen van het christendom naar de onbarmhartige kloven in de buurt om hun geloof op de proef te stellen.
Ik vond de uitbraak van de lente in deze woestijn elk jaar een wonder. Tussen de stenen en het gruis die de heuvels tot aan Jericho en de Dode Zee bedekten, schoten na de laatste winterregen grassprieten en een enkel bloemetje op. Ineens verschoten de hellingen van kleur: over het zandbruin trok een groene waas.
Drie, vier weken duurde het, in mijn herinnering. Dan verdorden de grassen alweer in de zon.
De oproep in The New York Times van de Palestijnse schrijver en jurist Raja Shehadeh om niet alleen aandacht te besteden aan agressie en moordpartijen is terecht.
Hoe moeilijk ook, want het is noodzakelijk om te blijven benoemen wie wanneer welke misdaad begaat in Israël en Palestina.
Elke heuveltop, elke vallei telt hier, in de al 106 jaar voortdurende oorlog. In het hoge gedeelte van de woestijn, vlak buiten Jeruzalem, ligt het strategische gebied E1. Israël gaat daar drieduizend huizen voor Joodse kolonisten bouwen om ‘het idee van een Palestijnse staat te begraven’, zoals de extremistische, rechts-religieuze minister Bezalel Smotrich een half jaar geleden aankondigde.
Met de bouw van nieuwe woonwijken blokkeert Israël in dit moeilijk begaanbare gebied de doortocht tussen het noorden en zuiden van de Westoever, en scheidt zo het bezette Palestijnse gebied in tweeën.
‘We verzekeren ons zo van ons erfgoed, ons land en onze veiligheid’, zei premier Benjamin Netanyahu in september, toen hij de plannen ondertekende. ‘Deze plek komt ons toe.’
Maar het blijft daarnaast ook belangrijk om er bij stil te staan dat niet iedereen een extremist is, of zwart-wit denkt. De ontdekking van Jitschak Shami en zijn bescheiden oeuvre is daarvan een bewijs. Elk jaar staat de woestijn even in bloei.
Jitschak Shami: De wraak van de vaderen. Uit het Hebreeuws vertaald door Ruben Verhasselt. Jurgen Maas; 191 pagina’s; € 21,90.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant