Muziek De populariteit van AVROTROS-programma Maestro, waarvan de finale deze zondag te zien is, vervult jurylid Dominic Seldis met trots – des te meer omdat hij ook diepe wanhoop heeft gekend. „Ik sta voortdurend op het punt in huilen uit te barsten.”
Dominic Seldis: "Als je grote werken vertaalt naar het Nederlands, veranderen ze in een gesprekje bij de Albert Heijn."
De titel van het eerste hoofdstuk van de autobiografie van de Britse contrabassist Dominic Seldis (54) luidt: ‘Waarom spreek je geen Nederlands?’ Ook al woont hij al achttien jaar in Nederland – hij is sinds 2008 de aanvoerder van de contrabassen in het Koninklijk Concertgebouworkest – en ook al gaf hij tienduizenden euro’s aan taallessen uit, het simpele antwoord is: het lúkt hem niet.
En dus becommentarieert hij de amateurdirigenten in televisieprogramma Maestro in het Engels – de finale wordt dit weekend uitgezonden. En schreef hij zijn boek, dat binnenkort verschijnt, in zijn moedertaal. Zijn vrouw Floor de Wit vertaalde het voor hem naar het Nederlands.
„Wat heerlijk dat je er bent”, zegt hij terwijl hij jasmijnparels verdeelt over twee mokken en er heet water overheen giet. „Je zult zien dat die parels straks op magische wijze veranderen in prachtige theeblaadjes.” En dan, terwijl hij een pak koekjes opentrekt: „Je eet wel koekjes toch? Ik sta erop dat je er eentje probeert.” Hij neemt zelf alvast een hap en kreunt van genot. „Deze zijn zó lekker. Dat is het ergste van hier wonen.” Hij wijst naar de bakkerij aan de overkant van de gracht die langs zijn huis in Weesp loopt.
Hij verstáát wel Nederlands. Hij kijkt naar Nederlandse televisie, bezoekt Nederlandstalig theater. Maar het blijft „slightly disturbing” om een musical als West Side Story in het Nederlands te zien. „En ik vind het aanstootgevend wanneer zoiets delicaats als Shakespeare, een opera van Mozart of Händels Messiah vertaald wordt. Het vertalen maakt er een karikatuur van. Het verandert elk kunstwerk in een gesprekje dat je voert in de Albert Heijn.”
De autobiografie was niet zijn eigen idee, uitgeverij Rubinstein vroeg erom. „In mijn boekenkast”, hij wijst naar een verdieping hoger, „staan alléén maar autobiografieën. Voornamelijk van mensen uit de entertainmentindustrie, zoals Stephen Fry, Elton John en Richard Branson. Mijn verbeelding sloeg volledig op hol toen ik besefte dat ik, ook al is het maar een heel klein beetje, in díé categorie beland.”
Hij grinnikt. „Dat klopt, ik hou er écht niet van. Maar als je eenmaal zo’n verzoek hebt gekregen, ga je vanzelf redenen bedenken waarom je toch een autobiografie zou moeten schrijven.”
Hij vertelt dat hij voor het boek jeugdfoto’s ging uitzoeken bij zijn moeder thuis, ze woont nog altijd in zijn geboorteplaats Bury St. Edmunds. „We zaten thee te drinken toen haar schoonmaakster binnenkwam. M’n moeder legde haar uit dat ik die foto’s nodig had voor de autobiografie die ik aan het schrijven was. De schoonmaakster zei alleen: ‘How vain.’ En ging verder met stofzuigen.” Schaterlach. „Eerst dacht ik: we hebben niet om jouw mening gevraagd. Daarna sloeg toch de zelftwijfel even toe. Maar misschien zijn sommige mensen wel geïnteresseerd in hoe ik iets van mijn leven heb gemaakt. Tot nu toe was ik een D-categorie bekendheid in Nederland van wie niemand echt iets wist. Het schrijven bleek wel een hoop werk. Ik heb eindeloos veel avonden doorgebracht aan deze tafel. De gesprekken met Floor gingen zo vaak over Dominic Seldis dat we in de derde persoon over hem gingen praten.”
„Het klinkt ongelooflijk zoetsappig, maar ik sta voortdurend op het punt in huilen uit te barsten van trots. Mijn kindertijd en mijn adolescentie… Ik weet niet wat ik heb gemist, maar…” Hij bracht het grootste deel van zijn kindertijd door op een kostschool en kreeg al snel na zijn muzikale opleiding zijn eerste kind. „Ik heb de meest fantastische carrière gehad. En het blíjft maar doorgaan! Neem deze week, waarin een filmpje viraal ging waarin vooral ik aan het woord ben” – hij heeft het over zijn geëmotioneerde jurycommentaar op Jamai nadat die de filmmuziek van Schindler’s List dirigeerde in Maestro – „ík, een 54-jarige, ietwat mollige bassist uit Suffolk. De bakkersvrouw”, hij wijst weer naar de overkant van de straat, „zegt al tien jaar elke dag niets anders tegen me dan” – hij citeert haar in mild humeurig Nederlands – „Goedemorgen. Papier of plastic? Dat is het. Létterlijk. Maar afgelopen donderdag zei ze ineens: ‘Nouuuuu, die Jamai zeg!’” Hard geschater. „Ik had voor het eerst een gesprek met haar! En dit gebeurt nu overal. Het voelt alsof ik een evangelie van goede muziek aan het verspreiden ben.”
„Mag ik de vraag omdraaien? Heb jij ooit eerder een bassist geïnterviewd?”
„Nou, daar ga je al! Ik ben me daar volledig van bewust.”
Hij beschouwt het als zijn missie om klassieke muziek naar een breder publiek te brengen. Iedere keer dat hij er publiekelijk over praat, richt hij zich in gedachten tot John, een vriend van zijn moeder die tijdens zijn werkzame leven uienverkoper was op de Spitalfields-markt in Londen. „Klassieke muziek wordt al te veel gezien als elitair. Het is echt niet alleen te begrijpen voor mensen die hoogopgeleid en rijk zijn. Hoge kunst, lage kunst, dat bestáát niet in mijn wereld. Ik wil dat iedereen begrijpt wat ik zeg. En dat mensen, als ze wat ik zei over Debussy leuk vonden, zelf eens op onderzoek uit gaan.”
„Inmiddels is het programma te groot geworden voor dat soort kritiek. Er kijken twee miljoen mensen naar! De critici negeren het nu, in de hoop dat het vanzelf een keer verdwijnt. En dat vind ik helemaal oké. Gisteravond was Maestro op televisie, vanochtend zat ik te repeteren met het Concertgebouworkest. Geen enkel orkestlid heeft me ernaar gevraagd. Hélemaal niemand. Ze zijn veel te druk met hun eigen fantastische zelf. Ze hebben geen tijd om naar een klein tv-programmaatje te kijken.”
„Ik ga het niet aan ze uitleggen. Ik vind het een eer om met ze op het podium te mogen staan. Maar ik richt mijn aandacht liever op mensen die wel willen horen wat ik te zeggen heb. En ik weet heel zeker dat een deel van het publiek van het Concertgebouworkest daar zit omdat ze naar Maestro hebben gekeken.”
Dominic Seldis was acht jaar oud toen hij, net als zijn oudere broer, naar Chetham’s School of Music (Chet’s) ging, een kostschool in Manchester voor getalenteerde jonge musici. Vanaf dat moment zag hij zijn ouders nog maar eens in de zes weken – de school lag op 5,5 uur rijden van zijn ouderlijk huis.
Jaren later werd bekend dat meerdere docenten leerlingen seksueel hadden misbruikt in de periode dat Seldis op Chet’s zat. In zijn boek schrijft hij dat hij daar, hoewel het zich recht onder zijn neus afspeelde, geen flauw benul van had. De directe omgeving van Chet’s omschrijft hij als een grimmige plek vol drugsdealers, criminaliteit en prostitutie. Om de hoek was een gevangenis met ’s lands beruchtste criminelen. De rivier die langs de school stroomt was zwaar vergiftigd, de lucht ernstig vervuild.
Hard lachend: „A great place! Waarom zou je daar in hemelsnaam een onschuldige achtjarige naartoe sturen?”
Dominic Seldis, Floor Seldis-de Wit: Dominic. Uitgeverij Rubinstein, 272 blz. €24,99
„Nederland kent geen kostschoolcultuur. Maar verplaats je in mijn ouders in die tijd. Ze hadden twee zeer getalenteerde kinderen. Er is ondubbelzinnig tegen ze gezegd: als jullie dit verknallen, zullen ze geen wonderkinderen blijven. Talent moet gevoed worden. En het typeert mijn vader dat hij vervolgens dacht: oké, en wat is dan de allerbeste plek voor ze? Dat heb ik van hem geleerd: beginnen aan de top, je kunt altijd nog afzakken. En Chet’s ís de top, nog steeds.” Hij raakt afgeleid door een groepje vrouwen dat door het raam naar binnen gluurt en naar hem zwaait. Vrolijk zwaait hij terug. „Ik zou mijn eigen kinderen er niet naartoe sturen.” Naast de vierjarige Louis heeft hij drie volwassen dochters uit een eerder huwelijk. „Maar ik ben mijn ouders dankbaar dat ze me naar Chet’s lieten gaan.”
„Ja.”
„Ja. De wereld was anders, toen.”
„De communicatie was zoveel trager en minder precies. Het is maar net hoe je ernaar kijkt. Ik zou zelf nooit weggaan als het niet goed gaat met mijn kind. Gelukkig is het allemaal goed afgelopen. En het leverde wel een goed verhaal op!” Hij trekt een olijk gezicht. En dan, weer serieus: „Ik wil me voorzichtig uitdrukken, want het klinkt algauw alsof ik een beetje ben verlaten door mijn ouders. Wat niet het geval was. Ik heb een goede relatie met mijn moeder. Al is dat wel raar, aangezien ik nooit echt tijd met haar heb doorgebracht. Ik ben opgevoed door vreemden.”
„Dat is gek, hè? De meeste mensen zullen zich niet alles kunnen herinneren van die jaren. Maar bij mij is het beeld vollédig zwart. Leeg. Als mijn moeder zegt: en die vakantie in Portugal dan, toen Adam, mijn jongere broertje, zo verschrikkelijk ziek werd, weet je dat ook niet meer? Nee, niets. Hélemaal niets. En er zal ongetwijfeld ergens iemand zijn die in staat is om dat te ontrafelen. Maar dat ga ik in dit leven niet doen. Ik ben daar totaal niet in geïnteresseerd. Er is een reden waarom ik me niets kan herinneren en dus laat ik het daarbij. Want wat er ook gebeurd is, nu gaat het goed met me. Ik ben geliefd, ik ben verliefd, ik ben rijker dan ik ooit had durven dromen als het gaat om mijn kinderen en mijn carrière. En dat voor een dyslectisch kind dat ontzettend slecht was op school. Het voelt nog steeds alsof dit een grap is die elk moment kan eindigen. Ik heb me hier op mijn eigen manier doorheen geslagen en heb nu een gelukkig leven. Ik weet wat geluk is, want ik bén ongelukkig geweest. Ik hoef daar nooit meer naar terug.”
„Ja. Ik weet hoe ik overkom, ik ken mezelf. Ik ben een smiley guy, maar ik kan wel zeggen: ik heb een tragedie meegemaakt en ik heb die omgebogen tot iets positiefs. Misschien kan dat anderen in een vergelijkbare situatie inspireren. Er zijn bij suïcide zo verschrikkelijk veel vragen die nooit beantwoord worden. En je kunt het nog zo proberen te verklaren, maar dat dreef mij tot waanzin en het nam de pijn niet weg. En natuurlijk deed ik na mijn vaders dood wat de meeste domme mannen doen die iets ergs meemaken: keihard werken. Optreden na optreden. Aanvankelijk leek het alsof ik mezelf daarmee aan het straffen was. Maar nu weet ik dat ik mezelf zo heb geheeld. Muziek houdt mij altijd overeind, als een raam in mijn brein waardoor frisse lucht binnenkomt. Ik zal nooit meer op zo’n duistere plek van verdriet komen. Behalve natuurlijk als er iets ergs gebeurt met mijn kinderen. Maar zelfs dan ken ik de diepste wanhoop al. Daardoor kan ik nu overal mee omgaan.”
„Ja! Absoluut. Ik leef in mijn eigen wibbly-wobbly world. Ik kan vrij gemakkelijk verdwijnen in muziek. Veel musici leven in die enigszins naïeve wereld. Ik speel liever een Mahler-symfonie dan dat ik me bezighoud met de werkelijkheid. Reality sucks.”
„Het is wel veranderd naarmate ik ouder werd. Maar de sfeer slaat altijd om als mensen vragen waar mijn vader is. Je kunt het niet weglachen. Bij kanker is het: ach, wat een pech. Bij een auto-ongeluk: ah, shit. En dan kun je een stuk sneller weer door met het gesprek. Zelfmoord is altijd…” Hij vertrekt zijn gezicht in een pijnlijke grimas. „Praten over suïcide verandert de temperatuur in de kamer. Het is nog steeds een taboe. En het is ook nog steeds de grootste doodsoorzaak van mannen onder de vijftig. En dat komt doordat mannen fucking waardeloos zijn in praten over zichzelf. Dat maakt me verdrietig, want ik wéét wat het met families doet. Natuurlijk wilde mijn vader mij geen pijn doen, maar natuurlijk deed hij dat wel. En hij is járen vrijwilliger geweest bij een zelfmoordpreventielijn. Hij wíst al die dingen. Hij heeft mensen eindeloos vaak van hoge gebouwen af gepraat. O, ik heb nog zoveel vragen.”
Zijn zoon Louis komt thuis van school. Dominic stelt voor om verder te praten tijdens een wandeling met zijn hond Pesto, een Italiaanse straathond die als puppy werd meegenomen door een vriendin van een van zijn dochters.
Hij vertelt hoe hij als dertienjarige violist bijna van Chet’s werd gestuurd omdat hij niet goed genoeg was. Maar toen hem een contrabas in handen werd gedrukt omdat het schoolorkest bassisten nodig had, veranderde alles. Hoe groot en zwaar het instrument ook was vergeleken met zijn viool – de snaren als dikke touwstrengen, de strijkstok bijna zo groot als een bezemsteel – het vasthouden en bespelen ervan voelde comfortabel en natuurlijk. En ook zijn persoonlijkheid bleek bij de contrabas te passen. „Een bassist moet kunnen aanvaarden dat hij niet de belangrijkste persoon in het orkest is. Hij is het fundament van de muziek, niet de melodie. Bovendien: doordat bassisten weinig noten hoeven te spelen, hebben ze veel tijd over om te kletsen en te lachen. Alle bassisten in mijn groep van het Concertgebouworkest hebben eenzelfde gevoel voor humor en eenzelfde gevoeligheid.”
Een vrouw passeert in het park, hij zegt: „Hello darling, how are you?” Zij: „Ik zag je in Maestro gisteravond!” Hij: „God bless you! We need as many people as possible!”
Lachend: „That’s rich coming from him, fucking hell! Ik vind het grappig dat mensen dit niet verwachten van een bassist. Ik hoef niet zo goed te zijn als Marc Daniel, omdat niemand dat van me verwacht. Van mijn vader leerde ik hoe belangrijk het showelement is. Hij nam me vaak mee naar concerten en wees me erop dat alles er goed uit moet zien, dat musici goed voorbereid op het podium moeten staan, dat ze hun schoenen moeten poetsen en zich moeten scheren. Hij vond het verbijsterend als een musicus ongeïnspireerd en vluchtig een muziekstuk aankondigde. Mensen investeren tijd, geld en energie om naar een optreden te komen kijken. En dus vind ik dat ik niet alleen goed moet zijn in musiceren, maar ook in alles daaromheen.”
„Ik zou ook gelukkig zijn geweest als ik alleen maar achter in de basgroep van een orkest zou zitten. Al het andere is mooi meegenomen. Maar hoewel ik weet dat ik oké zal zijn als dat verdwijnt, ben ik toch ook onder de indruk van het feit dat er, voor zover ik weet, geen enkele andere contrabassist in de wereld een autobiografie heeft geschreven.”
„Het is vernederend als je over zo’n rode loper loopt en niemand ook maar enig idee heeft wie je bent. En in deze business geldt: you’ve got to be in it to win it. Het was nooit mijn wens om beroemd te worden, maar ik vind het wél leuk dat mensen naar me komen kijken in een concert- of theaterzaal. Ik ben een entertainer, dat is mijn werk.”
Hij gniffelt. „Ongetwijfeld. Maar ik ben te bang om dat luik te openen. Onwetendheid is een zegen.”
„Zij kan het weten! Het moet verschrikkelijk frustrerend zijn om met mij samen te leven.”
„Het is mijn eigen manier om bij mezelf in te checken. De keerzijde van bekend zijn en aardig gevonden worden, is dat niemand nog kritiek op je levert. Er is nooit iets lelijks over me geschreven. Om mezelf in toom te houden, ben ik op dat gebied heel strikt.”
„Ik wil niet te hard voor mezelf zijn, morgen is er weer een dag. Ik kan niet de héle tijd fantastisch zijn. Niemand kan dat. Je moet zowel de goede als de slechte dagen niet te serieus nemen. Ik heb een leraar gehad die zei: ‘If you keep running, they can’t catch you.’”
„Absoluut! Ze krijgen me uiteindelijk wel te pakken, hoor. Als ik stop met rennen. Maar nu ben ik nog te snel.”
Dominic Seldis (Bury St. Edmunds, 1971) werd opgeleid als contrabassist aan de Chetham’s School of Music in Manchester, en daarna aan de Royal Academy of Music in Londen en het Mozarteum in Salzburg.
Zijn eerste vaste aanstelling kreeg hij als aanvoerder van de bassisten van het BBC Orchestra of Wales (1998). Voor die tijd speelde hij bij diverse orkesten en werkte hij mee aan de opnames van, onder meer, filmmuziek. Zo speelt hij de beroemde eerste vier noten van het James Bond-nummer Golden Eye, gezongen door Tina Turner (1995).
In 2008 werd hij aangenomen als aanvoerder van de bassisten van het Koninklijke Concertgebouworkest in Amsterdam. Sindsdien woont hij in Nederland. Hij is jurylid bij televisieprogramma Maestro vanaf het eerste seizoen in 2012, daarvoor jureerde hij bij de Britse Maestro (BBC).
Seldis heeft diverse theatershows gemaakt, de eerste was Music, Maestro! (2020). Vanaf 25 februari speelt hij zijn nieuwe voorstelling, Back to Bass-ics. Zijn autobiografie Dominic ligt vanaf 17 februari in de winkels.
Praten over zelfdoding kan 24/7 anoniem en gratis via 0800-0113, de landelijke hulplijn van 113 Zelfmoordpreventie, of via chat op www.113.nl.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC