Neoklassiek Componisten van rustgevende pianomuziek als Einaudi en Joep Beving hebben miljoenen luisteraars. Hun muziek wordt ‘neoklassiek’ genoemd. Maar is het wel klassiek? En doet dat ertoe? Een persoonlijke zoektocht naar groei en ontspanning van iemand die zich opwindt over een woord.
Ik wil graag beginnen met een persoonlijk bericht aan de neoklassieke muziek: het ligt niet aan jou, het ligt aan mij. Jij kunt er ook niets aan doen dat nominale vandalen je hebben opgezadeld met die bespottelijke naam. Je kunt je troosten met de gedachte dat ik hier ’s nachts in stilte zit te typen, terwijl jij gekoesterd ligt in de omhelzing van miljoenen orenparen.
Einde bericht.
Goed, ik zit dus in m’n maag met die naam. Van Dale definieert ‘neoklassiek’ als ‘teruggrijpend op, werkend naar het voorbeeld van een als klassiek geldende stijl’. Voorbeelden zijn het neoclassicisme in de beeldende kunst en de architectuur, met geïdealiseerde ideeën uit de klassieke oudheid als model. In de muziek kennen we het neoclassicisme als stroming uit grofweg het interbellum die teruggrijpt op de Weense klassieken (Haydn en Mozart) of de barok.
Maar tegenwoordig is neoklassiek in de muziek iets heel anders. Met neoklassiek bedoelen we de populaire rustgevende pianomuziek van componisten als Ludovico Einaudi, Nils Frahm en Joep Beving. Dat is opvallend, want het is niet meteen duidelijk welke als klassiek geldende stijl hun tot voorbeeld strekt. De term lijkt in hun geval eerder ‘nieuwe klassieke muziek’ te betekenen: eerst hadden we ‘klassieke muziek’, bekend van Bach, Beethoven en Mahler, en nu hebben we ‘neoklassiek’. Dat is een helder onderscheid. Of is het verwarrende nonsens?
De term ‘klassieke muziek’ zelf heeft ook al iets tegenstrijdigs. ‘Klassiek’ klinkt eerbiedwaardig, breekbaar, oud en saai, terwijl het gaat om een levende praktijk – muziek bestaat alleen in het vluchtige nu. Bovendien zijn niet alle componisten dood, in weerwil van het populaire volksgeloof. De wereld, ook Nederland, barst van de levende componisten, vele van hen zijn jonger dan u en ik en hun composities vormen samen de ‘klassieke’ muziek van onze tijd. ‘Klassiek’ betekent dan: in een traditie van gecomponeerde, meestal genoteerde ‘westerse’ muziek voor hoogopgeleide gespecialiseerde musici.
Ook neoklassieke componisten zijn over het algemeen springlevend, want we hebben te maken met een jonge stijl. Bijna altijd zijn ze ook pianist en spelen ze hun eigen werk. Dat werk kenmerkt zich door eenvoudige akkoordenschema’s en een regelmatige structuur die aan popliedjes doen denken. Uitvoering en opname draaien niet om optimale akoestiek en ‘perfectie’; een doffe klank, bijgeluiden (pedaal, krakende stoel) en hoekig spel dragen juist bij aan het karakter. Ook dat doet aan popmuziek denken. Vaak is er nog een floers van subtiele elektronische geluiden dat als een sepiafilter over de pianoklank hangt. De productie draait om de sfeer, net als bij pop, en de sfeer is kalm en rustgevend.
Nu is een trend van sterke stilistische vereenvoudiging geen unicum in de klassieke muziek. De complexe polyfonie van renaissancecomponisten als Palestrina leidde tot een tegenbeweging in de ‘seconda pratica’ van onder meer Monteverdi, waarin de verstaanbaarheid van de tekst voorop kwam te staan. De hypercomplexe fuga’s van J.S. Bach waren aan het eind van zijn leven hopeloos ouderwets, en zijn zoons, die wél met hun tijd meegingen, componeerden ondertussen modieuze homofone muziek, waarin de stemmen niet door elkaar kronkelen maar gezellig gelijk opgaan.
Is Ludovico Einaudi dan de Monteverdi of Bach fils van onze tijd? Wie weet. Voorlopig vullen we in: nee, er is iets anders aan de hand.
Nog even over die term: wanneer heeft de betekenisverschuiving van ‘neoklassiek’ zich eigenlijk voltrokken? In het NRC-archief vind je in 2012 nog een voorbeeld van het oude gebruik, in de necrologie van componist Elliott Carter („goed georkestreerde, neoklassieke stukken met naïeve Amerikaanse ondertoon”). Maar in 2014 is er sprake van „de Italiaanse neoklassieke pianist Ludovico Einaudi” in een stuk over stationspiano’s (waarop zijn stukken nog altijd gretig worden gespeeld). De Volkskrant was er eerder bij: al in 2011 presenteerde Robert van Gijssel een jaarlijstje met de „beste neoklassieke nummers”. Waarschijnlijk is het geen toeval dat Van Gijssel een popachtergrond heeft. Hoe dan ook, zo’n vijftien jaar geleden moet de term breed ingang hebben gevonden – zó breed dat de eerdere betekenis (‘neoclassicistisch’) spoorslags verdrongen is.
De klassieke pers was indertijd niet mild. Als wegbereider, uithangbord en ongeëvenaard commercieel succes kreeg vooral Einaudi het flink voor z’n kiezen. Deze krant kwalificeerde zijn werk als „minimal muzak” (2014) en „even catchy als kitscherig” (2016). Samenvattend: „ongeacht het etiket dat erop wordt geplakt: dodelijk saai” (2014).
Einaudi moest zich zelfs publiekelijk verdedigen. Ieder interview uit die tijd ging erover: meneer, dit was toch geen klassieke muziek? „Seine Popularität riecht nach Populismus”, vond de Duitse krant Die Welt, die Einaudi op vilein-beschuldigende toon zijn verleden als avant-gardecomponist en leerling van modernist Luciano Berio voor de voeten wierp. Niets wekt zoveel haat als een afvallige.
Maar de toon rondom Einaudi is veranderd, ook in deze krant. De antipathie vanuit de klassiekemuziekwereld was in een interview uit 2015 nog nadrukkelijk onderwerp van gesprek, maar een interview uit 2019 ging uitsluitend over zijn beroemde familie en inspiratiebronnen. 2015 was ook het jaar dat Joep Beving debuteerde en in korte tijd internationaal razend populair werd. Gelauwerde ‘klassieke’ musici als harpist Lavinia Meijer en pianist Jeroen van Veen wijdden zich sindsdien aan neoklassiek.
Hebben we collectief onze keutel ingetrokken? Of is neoklassiek inmiddels zo groot dat de sector besloten heeft geen energie meer te besteden aan dit koekoeksei? En is dat erg?
Er bestaat ook een stepping-stone-theorie. Neoklassiek zou fungeren als opstapje naar the real thing – paleoklassiek, zeg maar. Het opvallend jonge publiek (de natte droom van iedere programmeur die louter pensionado’s trekt, zo wil het cliché) komt via Einaudi en de algoritmische abracadabra van de streamingdiensten vanzelf bij Chopin terecht. En dan, dat spreekt voor zich, ben je hooked.
Zou het? Zou iemand die graag naar Einaudi luistert Chopin überhaupt herkennen als iets heel anders? Ís Chopin wel iets heel anders?
Confronterende vraag. Je kunt best een betoog opzetten over componisten die in hun tijd genegeerd of verketterd werden en later op het schild gehesen. Misschien prijkt er over vijftig jaar wel een ge-3D-printte buste van déze Ludovico op iedere digitale piano – roll over, Beethoven.
Is het dan een ordinaire perspectiefkwestie en is ons kleinzielig-klassieke perspectief in feite lachwekkend bijziend? Ik kan wel vinden dat Einaudi en Chopin verschillende grootheden zijn, maar als je bent opgegroeid met dj Tiësto of Youssou N’Dour hoor je amper verschil, dat snap ik best. En al hoor je wel verschil, misschien vind je Einaudi gewoon mooier.
Schrijver Christiaan Weijts vergeleek zijn tweeslachtige verhouding tot neoklassiek in deze krant met het nemen van een bad: „De eerste twee minuten zijn zalig – eindelijk, ontspanning – maar daarna begin ik me onrustig af te vragen wat anderen in hemelsnaam dóén in zo’n bad.” Ik snap dat gevoel. Alle muziek van Bach tot Mahler kun je herleiden tot een beweging van frictie naar oplossing, verlossing zelfs. Het een is niet mogelijk zonder het ander. Ontspanning zonder spanning, dat is als een slappe boog die niet heeft geschoten.
Of zou het kunnen dat de spanning waartoe dit ontspanningsgenre zich verhoudt niet ín de muziek zit, maar eromheen? Ons hectische en stressvolle bestaan, dat is de spanning. Zelfs slappe bogen staan permanent op scherp. Nergens is rust – behalve hier. Volgens Sander Zwiep van NPO Klassiek is het niet toevallig dat dit genre juist in onze tijd zo’n vlucht neemt: „Er is een verband tussen muziek en de samenleving waarin ze ontstaat”, schrijft Zwiep op npoklassiek.nl. Neoklassiek is „een kalmeringspil om te kunnen dealen met de stekels in onze post-liberale levens.”
Volgens mij maakt Weijts trouwens een fout. Geen denkfout, maar een luisterfout. Hij luistert naar Einaudi zoals hij naar Chopin luistert, omdat hij getraind is om zo te luisteren: naar spanning en ontspanning. Wanneer de spanning uitblijft manifesteert zich een stierlijke verveling. Degene met gesloten ogen op het yogamatje naast hem weet beter: die luistert niet, maar mediteert. De muziek vraagt niets, maar sust. Het is trancemuziek, maar zonder de decibellen en zonder het dansen. Het is Sensation White, maar zonder al dat obscene wit.
Akoestische trance: lig stil, denk aan niets en laat je verdoven. Het is geen toeval dat Joep Beving zonsopgangconcerten geeft op festivals, om het danspubliek een moment respijt te gunnen. Of dat Max Richter ‘slaapconcerten’ heeft bedacht: rust, respijt, daar gaat het om.
Niemand is hier tegen, voor de goede orde, zeker ik niet. Ik gun iedereen zijn geprefereerde sedatie en neoklassiek maakt voor zover bekend geen slachtoffers.
Wel maakt het dédain vanuit klassieke hoek me lichtelijk ongemakkelijk. Misschien maak ik me er zelf ook wel schuldig aan. Terwijl: wat is er zo vreselijk aan mensen die muziek maken, ook al is het muziek waar je zelf niet van houdt? Zijn we soms bang dat het welluidende pianogetinkel duizend jaar muziekgeschiedenis binnenkort definitief zal overstemmen? Met een schuin oog op de onvergankelijke Perotinus en Hildegard von Bingen is mijn inschatting: dat loopt wel los. De wereld is altijd ruimer dan ze lijkt. Je hoeft niet te luisteren.
Ik heb ooit een 2-ballen-recensie geschreven over een album van Joep Beving. Hij was een fenomeen, het was zijn tweede plaat en we vonden dat we er iets mee moesten doen: een collega deed het interview, ik de recensie. Maar ik herinner me dat ik tijdens het schrijven dacht: hoezo moet ík hier iets van vinden? Waarom is een klassiekemuziekrecensent de aangewezen persoon om hier een oordeel over te vellen? Een oordeel vellen kan altijd. Maar door een architectuurbril naar een dichtbundel kijken of een death-metal-optreden beoordelen alsof het bebop is, is zelden zinvol. Het referentiekader doet ertoe. Een slechtpassend kader zorgt voor een ongericht oordeel en daar is niemand mee geholpen. Wat hebben miljoenen Joep-Beving-fans aan mijn twee ballen? Wat hebben klassieke krantenlezers eraan?
Neoklassiek is geen klassieke muziek. Dat is een constatering, geen verwijt. Maar we schieten er geen bal mee op. Heb je soms een beter idee, Stapel? Akoestische trance? Ontspanningsmuziek? Peaceful Piano, naar de megapopulaire playlist? Joep Beving sprak in een recent interview in Het Parool van „solopianomuziek”, en dat vind ik wel een treffende benaming, al weten we dan nog steeds niets: Chopin is ook solopianomuziek. Mogelijk schuilt de aantrekkingskracht van het genre voor sommigen juist in het cachet van dat ‘klassieke’ aura. Sowieso is ‘neoklassiek’ een ijzersterk merk waar alleen een dwaas aan zou gaan tornen.
Ach, de rock-‘n-rollpioniers begrepen in 1952 ook maar half dat ze de rhythm-and-blues achter zich hadden gelaten. Zo gaat dat. Ooit schrijft een muzikale nazaat van Darwin het standaardwerk On the origin of genres en dan weten we precies hoe de neoklassieke vork in de steel zit.
Het was een korte nacht, de kinderen zijn de deur uit en ik rol een yogamat uit op de woonkamervloer. Mijn ironie leg ik voorzichtig op de schoorsteenmantel, naast de verzameling onnutte antieke woorden, en dan druk ik op play. De zon is allang op, maar dat geeft niet. Schoenen uit, ogen dicht. Joep Beving vult de ruimte. Ik hoef hier niets van te vinden. Ik lig en ik luister. En ik denk: daar ben je. Wat is het heerlijk om niets te vinden, niet eens te weten hoe je heet, en wat ben je mooi.
Op 20 maart verschijnt het nieuwe album van Joep Beving, Liminal. Inl.: joepbeving.comLudovico Einaudi treedt 20 en 21 april op in het Concertgebouw. Inl.: concertgebouw.nl
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC