Home

Brandend zand

Boven het strand van Burgh-Haamstede cirkelden twee raven. „Die vliegen altijd in duo’s”, zei ik tegen niemand in het bijzonder, want de rest van het gezelschap was meer geïnteresseerd in Zeeuwse mosselen dan in vogels. Het gesprek ging over de optimale hoeveelheid mosselen per persoon (een kilo) en over de beste bereidingswijze (met veel selderij).

Met vijftien Belgen en twee Nederlanders waren we in een huis op Schouwen-Duiveland beland. Op papier had Zeeland prima bereikbaar geleken, mooi halverwege. In de praktijk betekende het voor iedereen vier uur reizen met het ov, maar uiteindelijk waren we dan toch bij zee. In de verte lag de Oosterscheldekering. „De Afsluitdijk”, riep mijn schoonfamilie verheugd uit.

Het ravenweetje had ik ooit van vogellegende Nico de Haan geleerd. De twee boven het strand waren bezig aan hun balts: synchroon vliegen, plotselinge duikvluchten. Eenmaal samen een leven lang trouw. Ik dacht aan het nieuws over de doodgereden kroonkraanvogel, die ochtend op de A2 bij Breukelen – de partner ernaast, verbaasd, in de rouw. Ook raven rouwen, minder fotogeniek dan kroonkraanvogels, maar minstens zo empathisch. Vrijwel geen soort zo meelevend als de raaf: volgens biologen zouden de vogels elkaar na ruzies zelfs troost bieden.

Het zwart van de vogels contrasteerde met het oogverblindend witte duinzand. Zelfs met tot spleetjes toegeknepen ogen was het licht te fel; mijn zonnebril had ik gedachteloos thuisgelaten. Flashback naar de keer dat ik als zevenjarige tijdens wintersport in Oostenrijk eens opzettelijk had geprobeerd om sneeuwblind te worden, in de hoop dat ik dan een bril zou krijgen – de jongen op wie ik verliefd was droeg ook een bril, een beter uitgangspunt voor levenslange liefde leek me niet denkbaar. Uiteindelijk liep ik dagen rond met ogen die voelden als schuurpapier. Na de vakantie bleek mijn klasgenoot zijn hart te hebben verloren aan een ander.

In de Zeepeduinen kwamen we langs een voormalige bunker. Inmiddels deden mijn ogen zoveel pijn dat ik snakte naar weldadig duister, maar op de website van Omroep Zeeland had ik gelezen dat vereniging Natuurmonumenten de bunkers hermetisch had afgesloten uit angst voor lokale hangjongeren. De oorlogsrestanten waren nu brutalistische zoogdierverblijven waar uitsluitend nog werd gehangen door vleermuizen in winterslaap.

Op de terugweg passeerden we in Scharendijke het standbeeld voor het hondje Bläsz, dat op 1 februari 1953 tientallen koeien van de verdrinkingsdood had gered door ze in hun achterpoten te bijten en hogerop te drijven; na de Watersnoodramp had hij een hoge Amerikaanse onderscheiding en een leverworst gekregen. „Mmm, leverworst”, zei mijn vriend, waarna het gesprek op het aperitief overging.

’s Avonds, na de borrel en de mosselen („minder goed dan de Belgische”) speelden we Hitster – een muziekspel waarbij je moet raden uit welk jaar een nummer komt, met bonuspunten voor de muzikant en de songtitel. Opeens bleken de anderen wel degelijk kenners van de Nederlandse geschiedenis, tot en met die ene obscure jarenzestighit van Anneke Grönloh aan toe. Brandend zand: treffender was het gevoel in mijn ogen niet te omschrijven.

Gemma Venhuizen is biologieredacteur en doet elke woensdag ergens vanuit Nederland verslag

Source: NRC

Previous

Next