Home

Europa ziet in windenergie een reddingsboei uit geopolitieke crisis, maar de sector ligt stil. Noordzeelanden schroeven nu samenwerking op

Energie-afhankelijkheid Robuuste infrastructuur voor windenergie is niet alleen van belang voor energievoorziening, maar ook voor defensie. Op een energietop in Hamburg spreken Noordzeelanden af meer samen te werken.

Een windpark op de Duitse Noordzee.

Europa wil minder afhankelijk zijn van Amerikaanse en Russische energie, maar dé belofte om dat zo snel mogelijk voor elkaar te krijgen loopt vast: windenergie.

De Europese windsector is in crisis en nieuwe windparken op de Noordzee komen moeizaam van de grond. Op een internationale top in Hamburg spraken negen landen aan de Noordzee, waaronder Nederland, maandag af dat ze windparken op zee meer samen willen uitrollen én betalen, om zo de Europese energie-infrastructuur robuuster te maken in geopolitiek gevaarlijke en onzekere tijden.

In de marmeren met goud versierde balzaal van het Hamburgse stadhuis zijn maandag naast regeringsleiders, onder wie demissionair premier Dick Schoof en de Duitse bondskanselier Friedrich Merz, ook energieministers en vertegenwoordigers van meer dan honderd energiebedrijven als Vattenfall en Tennet. Op deze top bediscussiëren ze hoe die verdere samenwerking precies vorm moet krijgen. In het gebouw van de Duitse Kamer van Koophandel wemelt het van de vertegenwoordigers uit de sector die in wit-blauw verlichte zalen aan ronde statafels hun ambities presenteren. Zo willen netbeheerders gezamenlijk in 2030 meer dan 9,5 miljard euro in elektriciteitsnetten op zee hebben geïnvesteerd.

Anders dan bij voorgaande edities (Esjberg in 2022 en Oostende in 2023) staat de fysieke veiligheid van de Noordzee nadrukkelijk op de agenda. Voor het eerst schuift ook een NAVO-delegatie aan. Door aanhoudende Russische dreiging is het beveiligen van cruciale infrastructuur op zee een steeds groter thema in het internationale overleg over energie.

Door de energietransitie wordt de Noordzee een steeds gewilder doelwit voor sabotage, cyberaanvallen en andere vormen van hybride oorlogsvoering. Elektriciteit- en internetkabels zijn met name kwetsbaar. En die dreiging is niet fictief.

Zo trok een olietanker in de Baltische zee eind 2024 verschillende data- en stroomkabels tussen Estland en Finland kapot. Aanwijzingen leiden volgens Finse autoriteiten naar Rusland en China als aanstichter. Na het incident verhoogde de NAVO de militaire aanwezigheid in de Baltische zee. Uit onderzoek van NRC bleek dat dezelfde tanker, de Eagle S, in 2023 twee uur lang boven een belangrijke telecommunicatiekabel bij Terschelling voer.

We weten dat Rusland een hybride oorlog op onze energie-infrastructuur voert”, zei minister-president Dick Schoof daarover. „We leven in een andere wereldorde. Europa moet haar eigen rol zoeken als economische grootmacht.” Schoof hintte ernaar dat Europese landen een deel van de NAVO-miljarden kunnen gebruiken voor de beveiliging van infrastructuur.

De deelnemende landen (België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Luxemburg, Nederland, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk) spreken af in hun aanpak tegen vooral Russische sabotage of spionage op de Noordzee meer samenwerken. Nu verzamelen Noordzeelanden vaak afzonderlijk van elkaar kennis over die verdachte activiteiten. De landen roepen energiebedrijven op om sterkere surveillancetechnologie te ontwikkelen, om toe te passen op windparken. Ook is in Hamburg besloten om gezamenlijk oefeningen te houden bij belangrijke kabelverbindingen en samen op te treden bij verdachte activiteiten van schepen. Ook vragen de landen aan energiebedrijven om sterkere surveillancetechnologie te ontwikkelen, die toegepast kan worden in windparken.

Dat soort gezamenlijke oefeningen moeten worden gedaan door de kustwacht, marine en de maritieme politie. Uit NRC-onderzoek bleek onlangs de Nederlandse kustwacht bij lange na niet genoeg middelen en mankracht heeft om spionage en sabotage rondom kritieke infrastructuur op de Noordzee in de gaten te houden.

Assertiever optreden

„Wind op zee is óók een veiligheidsvraagstuk. We leven formeel nog in vrede, maar in feite bevinden we ons in een schemergebied”, zegt Frank Bekkers, veiligheidsexpert bij denktank The Hague Centre for Strategic Studies (HCSS) daarover. De grootste kwetsbaarheden, zegt hij, zitten niet zozeer in individuele windturbines, maar in de platformen op zee waar stroom verzameld wordt. „Er zijn maar een handvol grote aanlandingspunten voor stroomkabels naar het vaste land.”

De veiligheid van de Noordzee-infrastructuur opkrikken is een complexe puzzel van vele kleine stapjes, zegt Bekkers. „Zodra een schip buiten territoriale wateren vaart, heb je als land in vredestijd weinig mogelijkheden om in te grijpen. De Finnen en Zweden zijn inmiddels wel pro-actiever gaan optreden.” Zo bracht de Finse kustwacht de van sabotage verdachte olietanker Eagle S in 2024 naar Finse wateren, waarna de autoriteiten bemanningsleden arresteerden. Bekkers: „Er wordt gezocht naar manieren om de regels van het internationaal recht wat op te rekken. Europa is daarin assertiever geworden.”

Door satelliet- en radarbeelden, sensoren in kabels of windparken, en rondvarende schepen is best veel bekend over verdachte activiteiten in de Noordzee – een gebied zo groot als Frankrijk. Die kennis is alleen versnipperd, zegt Bekkers. „Met een gezamenlijk beeld van patronen van scheepvaart en wanneer die afwijken, kunnen landen beter preventief ingrijpen.”

„Het lijkt misschien alsof het langzaam gaat, maar er worden wel substantiële stappen gezet”, zegt Bekkers. „Landen aan de Oostzee zijn wakker, zij delen al data. Er worden steeds meer sensoren op zee geïnstalleerd en Defensie heeft extra drones en patrouilleschepen aangeschaft. Er is een gevoel van urgentie.”

Uit de achtbaan

In de Kamer van Koophandel in Hamburg spreken negen landen maandag ook uit dat zij de Noordzee de „grootste groene energiehub ter wereld” willen maken. Daarvoor moet de infrastructuur voor de opwekking van windenergie met een vermogen van 300 gigawatt in 2050 worden aangelegd: genoeg om 300 miljoen huishoudens van elektriciteit te voorzien.

Dat doel was al tijdens de vorige top in 2023 vastgelegd, maar sindsdien stapelen de tegenvallers in de windsector zich op. Aanbestedingen in verschillende landen mislukten omdat investeerders vreesden hun elektriciteit niet te kunnen verkopen.

De regeringsleiders houden vast aan die ambitie op een moment dat energie enorm politiek beladen is. Vorige week nog bekritiseerde de Amerikaanse president Donald Trump windenergie en windmolens, die volgens Trump „[voor] losers” zijn. Hij wil dat Europa meer olie en gas van de VS koopt.

De negen Noordzeelanden omármen wind juist. „Ik ben het niet eens met meneer Trump. Windenergie zal ons uit de achtbaan van fossiele energie halen”, zegt de Britse energieminster Ed Miliband.

„Het besef dat energie nodig is voor onze veiligheid is de afgelopen maanden gigantisch gegroeid”, zegt demissionair minister Sophie Hermans (Klimaat en Groene Groei, VVD) over de toegenomen urgentie voor de Noordzeeplannen. „We zien, bijvoorbeeld in Oekraïne, hoe energie in conflicten wordt ingezet als pion. Het legt de hele samenleving plat.” Ook Nederland is kwetsbaar: onderzeese sabotage van telecom- of stroomkabels zou grote storingen kunnen veroorzaken.

De Noordzeelanden willen – op vrijwillige basis – gezamenlijk windparken en kritieke infrastructuur zoals stroomkabels aanleggen. Ook willen ze samen financiering zoeken. Op die manier moet 100 gigawatt aan wind worden aangelegd, een derde van [de 300 watt]. Het idee is ook dat windparken internationaal beter verbonden worden en dat handel in stroom tussen landen gemakkelijker wordt.

Het Verenigd Koninkrijk en Nederland zijn daar al mee bezig. In het LionLink-project, dat in 2031 moet zijn voltooid, kunnen de landen stroom exporteren naar het buurland als ze te maken hebben met een overschot.

Afspraken

Ook over de hoge kosten voor windenergie maken de Noordzee-landen voor het eerst afspraken: in sommige gevallen moeten ze de kosten voor het stroomnet delen. In de verklaring wordt in het midden gelaten hoe die precieze verdeling eruit moet zijn, daar onderhandelen landen afzonderlijk over.

Sommige landen kunnen in hun territoriale wateren meer windparken kwijt dan andere. „Landen als Duitsland en België hebben meer stroomvraag dan ruimte, terwijl Denemarken en Noorwegen in potentie een overschot hebben”, zegt Pier Stapersma van de denktank Centre of International Energy Policy. „Als de kosten niet goed verdeeld worden, gaan landen met veel potentieel niet zomaar een groot, duur net ontwikkelen.” Dat soort kosten vertalen zich vaak in hogere nettarieven voor burgers en bedrijven.

Minister Hermans noemt het feit dat andere landen akkoord zijn met het principe van het delen van kosten en baten voor het stroomnet op zee „erkenning” waarvoor ze zich in Europa hard heeft gemaakt. „We hebben een gezamenlijk belang en willen elkaar niet de markt uit concurreren.”

Verdere samenwerking moet de windmarkt zekerheid geven dat zij hun windparken kunnen blijven uitrollen. Door langetermijncontracten af te sluiten moeten exploitanten hun investeringen gegarandeerd kunnen terguverdienen.

Dat soort contracten voorkomen te veel vertraging, legt expert Stapersma uit. Windparkexploitanten hoeven productie niet afwachten met productie tot er voldoende vraag is. „Je wil wind op zee niet stil laten vallen, want het is dan de vraag of het weer goed op gang komt”, zegt Stapersma. „Wind is een van de weinige opties die we als Europa tot 2040 hebben op energieproductie op te schalen.”

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Voorkennis

Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen

Source: NRC

Previous

Next