Home

Theresia van der Pants diersculpturen zijn beest en beeld tegelijk

Tentoonstelling Volgens beeldhouwster Theresia van der Pant zijn veel dieren al beelden op zichzelf. Maar het overzicht van haar gestroomlijnde diersculpturen in Scheveningen is ook echt een tentoonstelling voor autoliefhebbers en industrieel ontwerpers.

Theresia van der Pant: Bizon (1981, terracotta, 33 x 46 x 12 cm).

Op de Amsterdamse Rijksakademie, waar Theresia van der Pant (1924-2013) eind jaren veertig tot beeldhouwer werd geschoold, stond de menselijke figuur centraal. Stillevens en landschappen mochten ook, tussendoor, maar de mens was de maat der dingen. Elke dag werd er getekend en geboetseerd naar naaktmodel. Van der Pant doorliep de opleiding voorbeeldig en won in 1953 zelfs een medaille en een studiereis naar Italië met het ontwerp voor een figuurbeeld, maar als ze later nog wel eens medemensen weergaf beperkte ze zich meestal tot hun hoofden, in portretbustes. „Ik houd veel van mensen, maar ik beeldhouw niet graag naaktfiguren”, zei ze in 2002 in een groot interview in NRC. „Er is weinig verschil tussen het ene naakt of het andere en dan in dat koude Nederland, nee. Kleding inspireert me al helemaal niet.”

Tentoonstelling

Theresia van der Pant. T/m 3 mei in Museum Beelden aan Zee in Scheveningen. Info: beeldenaanzee.nl

Museum Beelden aan Zee in Scheveningen toont dit voorjaar Van der Pants beelden van mensen en andere dieren, en net als in de niet-gebeeldhouwde wereld zijn de andere dieren op de tentoonstelling ruimschoots in de meerderheid. Waar collega’s als Charlotte van Pallandt en Piet Esser vrijwel altijd met figuren op de proppen kwamen, maakte Van der Pant naam als animalier, oftewel dierenbeeldhouwer. Zelfs toen ze de opdracht voor een beeld van koningin Wilhelmina kreeg, maakte ze daarvan een jonge Wilhelmina te paard. Dat ruiterstandbeeld uit 1972 op het Rokin in Amsterdam is waarschijnlijk haar bekendste werk.

„Een zeehond of een dolfijn, zoals die uit het water komen, dat zijn al beelden op zichzelf”, zei Van der Pant in 2002. Aan een bronzen baikalrob uit 1968 lijkt inderdaad weinig te zijn gestileerd. Als een grote gladde kei met een staart en een vinnetje ligt hij voor pampus op zijn sokkel. Een ramskop van albast oogt ook al zo natuurlijk, alsof er nauwelijks een mensenhand aan te pas is gekomen. Uiteraard is die kop uit steen tevoorschijn gehakt, waarbij de bonkige snuit glad is gepolijst en de beitelsporen daaromheen zijn gaan werken als de vacht en de jaarringachtige inkepingen in de hoorns. Maar de sculptuur is ook een steen gebleven, of weer een steen geworden – een steen waarop je je verbeelding kunt loslaten zoals op elke andere toevallig in de natuur gevonden kei, stronk of boomstam. Je kunt er een slangmens in zien die een boogbruggetje vormt, of gewoon een steen, of toch een steen die een ramskop voorstelt. Ondertussen is het een object om u tegen te zeggen.

Bizons als opgegraven vuistbijlen

Van der Pants diersculpturen zijn wel degelijk gestileerd of geabstraheerd: hoorns en poten worden soms voelsprieten, vogelklauwen worden vulpenpunten, de rechthoekige vleugels van een uil lijken op een opengeslagen boek. Zes bizons van verschillende materialen en afmetingen staan als opgegraven vuistbijlen in een vitrine. Toch lijkt er van vormgeving nauwelijks sprake. Van der Pant wekt de indruk met haar vereenvoudigingen alleen maar het natuurlijke voorkomen van het dier te hebben aangezet. De vitrine wordt een aquarium als je ziet hoe soepel een vis van wit gips over de bodem glijdt. Ongetwijfeld is een bezoek aan deze tentoonstelling ook bevredigend voor autoliefhebbers en industrieel ontwerpers: zo doe je dat, vanzelfsprekend stroomlijnen.

Fluitspeelster, 1951. Brons, 43 x 19,5 x 15 cm. Particuliere collective

Giraffe, 1954. Brons, 73 x 24 x 17,5 cm. Particuliere collectie

Dit is de betere figuratieve beeldhouwkunst: er is iets aan de zichtbare werkelijkheid ontleend, maar de natuur is niet nagebootst tot op de veren, haren en schubben. Het anekdotische, het zuiver mimetische is ondergeschikt gemaakt aan de sculpturale vorm. Elk dierenbeeld is dier en beeld tegelijk. „Ik heb me altijd verzet tegen die scheiding tussen figuratief en abstract”, zei de beeldhouwster, „zo kan ik niet kijken, voelen of waarderen.”

Bij de tentoonstelling verscheen een informatief boekje over Van der Pant, het dertiende deel in de onvolprezen reeks monografieën van na-oorlogse Nederlandse beeldhouwers die wordt uitgegeven door het aan Beelden aan Zee gelieerde Sculptuurinstituut. Het bevat onder meer het lange NRC-interview door Lien Heyting uit 2002, een artistieke biografie door achterneef Floris van der Pant en een geactualiseerde versie van een oeuvrecatalogus uit 1989. In dat overzicht staan nogal wat goede beelden die in Scheveningen ontbreken. Wilhelmina te paard krijg je natuurlijk niet zo makkelijk van haar Amsterdamse sokkel, maar een van de dolfijnen was welkom geweest en ik miste ook de indrukwekkende zwaan uit het Museum Henriette Polak in Zutphen. Gelukkig zijn die beelden dankzij het boek nu in elk geval gedocumenteerd en terug te vinden.

Zeboe, 1969. Inkt, 25 x 35,5 cm. Particuliere collective

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next