Protesten Iran Het Amerikaanse magazine Time citeert twee hoge Iraanse functionarissen, volgens wie dertigduizend doden zijn gevallen bij het neerslaan van protesten in Iran. Dat zou wijzen op een gruweldaad van historische proporties. Politiek filosoof Shahin Nasiri roept op tot voorzichtigheid met deze cijfers. „Dodentallen worden als wapen ingezet.”
Verbrande bussen bij een depot in Teheran, na demonstraties.
Het aantal mensen dat is gedood tijdens de protesten in Iran ligt mogelijk nog veel hoger dan tot nu toe werd aangenomen. Twee hoge ambtenaren van het Iraanse ministerie van Gezondheid zeggen tegen het Amerikaanse opinieblad Time dat de Iraanse veiligheidsdiensten alleen al op 8 en 9 januari dertigduizend mensen gedood kunnen hebben.
Door de internetblokkade is het nog steeds moeilijk om de omvang van de slachtpartij te bepalen. Wel is er veel bewijs van lichamen die op straat liggen, doodgeschoten, vaak met een kogel in het gezicht. De mortuaria konden de stortvloed aan doden niet meer aan. Lijkzakken raakten op, en er waren niet genoeg ambulances om de lichamen te vervoeren. Uiteindelijk schakelde het regime grote opleggers in om de doden te bergen.
Ook de Iraans-Nederlandse politiek filosoof Shahin Nasiri van de Universiteit van Amsterdam heeft, via vrienden, gehoord dat er op grote schaal direct op demonstranten is geschoten, onder meer door scherpschutters, speciale eenheden en paramilitairen. Desondanks vindt hij dat er „heel voorzichtig” met het dodental omgesprongen moet worden, zegt hij telefonisch.
Er wordt „bombastisch gespeeld met statistieken”, zegt Nasiri. „Daar maak ik me zorgen over. Om wetenschappelijk iets zinnig over het dodental te kunnen zeggen, heb je een degelijke methodologie nodig. Ronde getallen zijn sowieso verdacht. Als het om dertigduizend doden gaat, genoemd door anonieme bronnen, zou er een belletje moeten gaan rinkelen.”
Een verbrande Koran in de Beheshti-moskee in Teheran.
Volgens Nasiri worden dodentallen „als wapen ingezet”, zowel door het regime als door de tegenstanders van de machthebbers in Iran. Het officiële aantal dat de autoriteiten in omloop gebracht hebben is 3.117 doden, van wie 2.427 burgers en politiepersoneel. De rest zouden ‘terroristen’ en ‘relschoppers’ zijn, de termen die zij gebruiken voor demonstranten.
Nasiri: „Je weet dat het regime niet de waarheid spreekt. Toch is het veelzeggend dat ze toch nog zo’n hoog getal noemen. Dat duidt er wel op dat er veel meer aan de hand is dan bij vorige protesten. Maar let op: het regime probeert het narratief te claimen dat degenen die de orde probeerden te bewaken, dus de politie en de veiligheidstroepen, de slachtoffers waren van de ‘terroristen’. Díé begrafenissen worden op de staatstelevisie getoond.”
Maar ook tegenstanders van het regime, zegt de politiek filosoof, kunnen er belang bij hebben het dodental te framen. „Vooral toen de demonstraties nog in volle gang waren, hoorde je aantallen tot wel tachtigduizend slachtoffers voorbijkomen. Soms had een Israëlisch medium dan anonieme bronnen opgevoerd. Een zo hoog mogelijk aantal slachtoffers noemen kan als doel hebben om president Trump tot ingrijpen te bewegen.”
Er zijn veel verschillende schattingen van het dodental in omloop. Mensenrechtengroeperingen die namen van slachtoffers verifiëren, tellen er tussen de 3.400 en 5.900, met daarbij de opmerking dat er nog veel gevallen onderzocht worden. De schatting van dertigduizend komt overeen met een heimelijke telling door artsen en eerstehulpverleners van het aantal sterfgevallen dat door ziekenhuizen geregistreerd is. De Duits-Iraanse oogchirurg Amir Parasta verzamelt die gegevens en bereidt er een rapport over voor.
Zelfs het aantal van dertigduizend is „vrijwel zeker een onderschatting”, zegt Les Roberts tegen Time. Roberts is een hoogleraar aan de Columbia-universiteit in New York die zich specialiseert in de epidemiologie van gewelddadige sterfgevallen; eerder was hij betrokken bij onderzoek naar dodentallen in Irak en Congo. De onderschatting kan ontstaan doordat de inventarisatie van de artsen niet elk ziekenhuis in het land bereikt. Ook zijn sommige doden naar militaire ziekenhuizen gebracht, of rechtstreeks naar het mortuarium.
Het aantal van dertigduizend kan waar zijn, zegt Nasiri. „Maar het is te vroeg om harde cijfers naar buiten te brengen. Ik vind het ook kwalijk om ongeverifieerd grote getallen te publiceren: zo worden mensen ongevoelig voor menselijk leed. Dan maakt het als het ware niet meer uit of het er dertig- of driehonderdduizend waren. Ik pleit voor onafhankelijk onderzoek, bijvoorbeeld een onderzoeksmissie door de Verenigde Naties.”
Zelf was Nasiri betrokken bij een project om het aantal doden te tellen dat het Iraanse regime in de jaren tachtig op zijn geweten had. Vrijwilligers trokken naar begraafplaatsen en controleerden foto’s en namenlijsten. Doel: een controleerbare lijst met namen van slachtoffers.
Destijds ging het voor een groot deel om politieke gevangenen die buiten het oog van elke camera waren geëxecuteerd. Nu er zo veel doden op straat zijn gevallen, zou het makkelijker moeten zijn om het aantal doden te verifiëren dan toen, zegt Nasiri. „Over de jaren tachtig lopen de schattingen van het dodental nog steeds uiteen. Er wordt uitgegaan van enkele tienduizenden dodelijke slachtoffers, maar ook het aantal van honderdtwintigduizend wordt wel genoemd.”
Een verbrand overheidsgebouw in Teheran.
Stel dat het aantal van dertigduizend zou kloppen, waar is het bloedblad dan mee te vergelijken? Historici, genocideonderzoekers en epidemiologen proberen het onbevattelijke aantal doden in context te plaatsen. Een vergelijking die meteen al getrokken werd is die met het Bloedbad van Babyn Jar, een ravijn in Kyiv waar de nazi’s op 29 en 30 september 1941 bijna 34.000 Joden met machinegeweren doodschoten.
Ook Ugur Ümit Üngör, hoogleraar Holocaust- en genocidestudies aan de Universiteit van Amsterdam en het NIOD, moest aan Babyn Jar denken. Een groot verschil met Babyn Jar, zegt Üngör, is dat de slachtoffers daar op één plek vermoord werden, waar het in Iran om demonstraties ging op duizenden plekken in het land. Net als Nasiri maakt ook de genocide-expert direct een groot voorbehoud: áls het dodental klopt. „Zonder verificatie hebben we niets.”
Source: NRC