De Zitting De forensisch arts die de vrouw onderzocht telde 57 letsels. Drie tanden ontbraken, haar ogen waren dichtgeslagen. In de rechtszaal zegt verdachte B. dat hij „haar wel meer klappen kan hebben gegeven, maar ik kan me dat niet herinneren”.
Meer dood dan levend trof de politie in de zomer van 2024 het slachtoffer aan in haar woning in Rotterdam. Ze lag naakt in bed, onherkenbaar door haar verwondingen, haar ogen dichtgeslagen. De vijftigjarige verdachte, Raajkumar B., stond erbij. Zijn kleren besmeurd met bloed. Agenten hoorden hem zeggen dat zijn vriendin was vreemdgegaan.
Nu zegt B. tegen de rechter niet te weten hoe hij daar was beland. Hij was dronken en kan zich weinig herinneren van die nacht. Enkele maanden eerder zou de toen dakloze B. bij het slachtoffer, met wie hij een relatie had, zijn ingetrokken.
De politie bezocht de woning nadat het slachtoffer in de nacht contact had gezocht met haar zus en broer. Ze kwam nauwelijks uit haar woorden, had de zus gemerkt. De volgende dag stonden agenten, samen met broer en zus, voor haar deur. In de woning troffen ze een ravage aan. Bloed en uitwerpselen. Het slachtoffer lag onder het bloed in bed, plukken haar uit haar hoofd getrokken. Ze kon niet praten.
Ze werd opgenomen in het ziekenhuis, waar ze anderhalve maand zou blijven. Daarna moest ze nog vierhonderd dagen revalideren. Ze zal nooit meer zelfstandig kunnen leven, hebben de artsen geconcludeerd.
Volgens het Openbaar Ministerie vond in de nacht van 21 op 22 juli 2024 een „explosie van geweld” plaats in de woning. Een buurvrouw verklaarde dat het gegil van het slachtoffer „door merg en been ging”. Ook in de weken daarvoor zou B. haar diverse keren hebben mishandeld.
De forensisch arts die haar onderzocht, telde 57 letsels. Het merendeel aan de voorkant van haar lichaam, in de vorm van bloeduitstortingen. Drie tanden ontbraken. Er werden hersenbloedingen geconstateerd aan zowel de linker- als rechterzijde. Bloedspetters van het slachtoffer zaten op de muur, op de riem van de verdachte en de ceintuur van haar badjas. Het OM denkt dat de verdachte haar daarmee heeft verwurgd.
Verwurging wordt in het strafrecht gezien als levensgevaarlijk geweld en leidt tot een verdenking van poging tot doodslag. Dan moet de rechter kunnen vaststellen dat de verdachte geweld gebruikte waarbij hij wist dat het slachtoffer kon overlijden, en dat hij dat risico op de koop toe nam.
De rechter vraagt B. of hij de foto’s heeft gezien. „Erg geschrokken”, zegt hij. Is dit letsel ontstaan door „een paar klappen met vlakke hand”, zoals B. verklaart? „Ik kan me dat niet voorstellen”, zegt hij. „Ik kan haar wel meer klappen gegeven hebben, maar ik kan me dat niet herinneren.”
B. zegt zich niet te kunnen voorstellen dat hij haar bij de keel heeft gegrepen. Hij zou haar wel „heel vaak” bij haar hoofd hebben vastgepakt toen ze op de grond lag, om haar overeind te helpen en naar het toilet te brengen. „Ik wilde haar geen pijn doen”, zegt hij.
In de zaal zit ook de forensisch arts. De officier van justitie wil vooral weten of het slachtoffer is gewurgd. Op scans ziet de arts vocht en beschadigingen in de hals, rond het sleutelbeen en bij de stembanden. „Dat past bij geweld op de hals”, zegt hij. Tegelijkertijd wijst hij op het hoofdletsel: bloeduitstortingen onder de schedel en hersenbloedingen, „volledig passend bij geweld”. Als het slachtoffer buiten bewustzijn raakte, zegt de arts, is dat „veel aannemelijker veroorzaakt door hoofdletsel” dan door verwurging alleen.
De zus van het slachtoffer krijgt het woord. Omdat haar zus zelf niet kan spreken, zegt ze, doet zij dat. „Waar mijn zus eerst iemand was die kon lachen, denken, functioneren, is zij nu iemand die elke dag moet vechten.” Ze noemt het „levenslang”.
De officier vindt dat B. wisselend verklaart: veel zou hij niet meer weten, behalve wat hem goed uitkomt. Zo zegt hij dat het slachtoffer begon met slaan en wel vaker warrig overkwam. Volgens het OM is hij volledig losgegaan, nam hij het risico dat zijn vriendin het niet zou overleven en schakelde hij achteraf geen hulp in. Het OM eist acht jaar celstraf en een contactverbod.
Volgens de advocaat van B. is het dossier „een worsteling” en blijft onduidelijk wat zich precies die nacht heeft voorgedaan. Ook over de verwurging en de oorzaak van het letsel bestaat volgens de verdediging te veel twijfel.
De rechtbank spreekt Raajkumar B. vrij van poging tot doodslag en van de mishandelingen in de maand vóór de bewuste nacht. De rechters vinden dat niet is vast te stellen wat precies is gebeurd in de woning, omdat zowel B. als het slachtoffer zich weinig herinnert. Dat het slachtoffer ernstig letsel opliep, zelfs „in potentie dodelijk”, is volgens de rechtbank niet genoeg om te kunnen zeggen dat B. haar wilde doden, of dat hij het risico daarop bewust heeft genomen.
Wel acht de rechtbank zware mishandeling bewezen. Uit het letsel blijkt dat B. „ernstig geweld” gebruikte. De rechtbank schrijft dat het slachtoffer doodsangsten moet hebben uitgestaan, in haar eigen huis, waar ze zich veilig had moeten voelen.
B. krijgt drie jaar gevangenisstraf, waarvan één jaar voorwaardelijk, met twee jaar proeftijd. Op de voorwaarden dat hij meewerkt aan toezicht door de reclassering, behandeling en begeleiding en controles op alcohol en drugs. Er komt geen contactverbod: de rechtbank ziet geen aanwijzingen dat B. na z’n aanhouding contact heeft gezocht met het slachtoffer.
B. moet daarnaast 57.467 euro schadevergoeding betalen. Daarvan is 50.000 euro smartengeld. De rest is voor materiële kosten, zoals dagvergoedingen voor ziekenhuis en revalidatie.
Source: NRC