Home

De val van Meatable leert: wie snel rendement zoekt, stapt niet in kweekvlees

Voedseltechnologie Het einde van de Leidse kweekvleesmaker Meatable is een klap voor een sector die nog niet eens goed van de grond is gekomen. De overblijvers moeten het hebben van investeerders met een lange adem.

Worstjes met kweekvet van Meatable in een pan, tijdens een proeverij in Leiden.

Een opgewonden sfeer heerste er, toen een groepje genodigden in Leiden voor het eerst een worstje met gekweekt varkensvet mocht proeven. Het was half april 2024. Kweekvleesbedrijf Meatable, net verhuisd naar een splinternieuw pand op het Bio Science Park in Leiden, had een mijlpaal bereikt op de lange weg naar een lekker en betaalbaar alternatief voor vlees van geslachte dieren.

Dáár lag het worstje, op een broodje met mosterd en ui, heel speciaal en heel gewoon tegelijk te zijn. De bevlogen oprichter Daan Luining wist dat het nog een lange weg naar de markt was: „Maar mijn droom is dat ik op een dag met mijn dochter door de supermarkt loop en kan zeggen: kijk, heeft papa gemaakt.”

Nog voor het einde van 2025 was de stemming totaal omgeslagen. Op een Portugees kweekvleescongres kondigde Luining zijn vertrek bij Meatable aan in een speech waarvan sommige aanwezigen de tranen in de ogen kregen. Voor hen werd in het conferentieoord in de Algarve duidelijk: dit is het einde van Meatable.

Eind december trok biotechinvesteerder Agronomics als belangrijkste aandeelhouder officieel de stekker uit de start-up. De „verwachte prestaties” had Meatable door „voorziene en onvoorziene risico’s” niet kunnen leveren. „Liquidatie is de meest geschikte oplossing.” Van de circa 85 miljoen euro die Meatable in zeven jaar verbrandde, was bijna 8 miljoen opgehaald bij Agronomics.

Sceptici van het eerste uur zagen hun gelijk bevestigd. „In 2018 rekende ik al voor waarom kweekvlees nooit iets kon worden”, schreef oud-hoogleraar voedingsleer Martijn Katan op X, doelend op het „peperdure” productieproces. „Jammer maar helaas.”

Realisme

Hoe kan het dat de beloftevolle Leidse start-up is omgevallen? En heeft kweekvlees nog toekomst? Een ronde langs experts in deze pionierende sector laat zien dat het visioen van een wereld zonder intensieve veehouderij heeft plaatsgemaakt voor realisme. Maar het geloof in kweekvlees is nog springlevend.

Daan Luining kan zolang de afwikkeling van het faillissement duurt niet praten over Meatable. Andere betrokkenen zijn voorzichtig met details over de oorzaken van het faillissement. Duidelijk is wel: zonder investeerders met een lange adem houdt alles op.

Al langer valt bij congressen over alternatieve eiwitten zoals kweekvlees te horen dat de hype voorbij is: duurzame innovaties zijn bij durfkapitalisten minder in trek, AI is het nieuwe speeltje. De ‘toeristen’ zijn verdwenen, er is minder geld te verdelen en dat gaat naar de kweekvleesbedrijven met de beste kansen.

The Good Food Institute, dat de investeringen in de sector bijhoudt, laat zien: de piek lag in 2021, met 1,36 miljard dollar aan investeringen wereldwijd. In 2025 stond de teller na 9 maanden op een fractie daarvan: 36 miljoen dollar.

Snel rendement

Of bedrijven overeind blijven, heeft veel te maken met het type investeerders. Bij Meatable werden de investeringsrondes geleid door Agronomics, een Britse biotechinvesteerder. Weliswaar met een sterke affiniteit met celkwekers, maar tegelijkertijd een beursgenoteerd bedrijf dat zijn aandeelhouders moet laten zien dat er op afzienbare termijn iets terugkomt van de geïnvesteerde miljoenen. En snel rendement blijkt zich slecht te verhouden tot de ontwikkeling van kweekvlees. 

Een worstje van kweekvlees op een broodje.

Sinds hoogleraar Mark Post in 2013 de eerste kweekvleesburger aan de wereld presenteerde, zijn grote stappen gezet – zo is het al heel lang niet meer nodig cellen te kweken met bloed van ongeboren kalveren. Maar kweekmedium, de voeding waar cellen op groeien, is nog steeds duur. Het productieproces versnellen én opschalen naar fabrieksproporties is voor alle start-ups ingewikkeld en tijdrovend – levende cellen gedragen zich in grote bioreactoren nu eenmaal anders dan in het lab.

Het terugkerende woord is kostenefficiëntie: kun je met kweekvlees een hamburger of een worstje maken voor 2,50 in plaats van 250.000 euro? 

Met de kennis van nu zijn bij Meatable keuzes gemaakt die niet goed uitpakten, zeggen ingewijden. De Amerikaanse ceo Jeff Tripician leek in 2024 met zijn achtergrond in de vleesindustrie de aangewezen persoon, hij kende de consumentenmarkt. Maar hij wilde te snel. Had te weinig oog voor de technische uitdagingen. Sorteerde te vroeg voor op verkoop van het bedrijf.

Het plan was: snel goedkeuring krijgen in Singapore, waar restaurants sinds 2020 kipnuggets van Eat Just met opgekweekte dierlijke cellen mochten serveren. Vervolgens naar de VS – met iets langere toelatingsprocedures, maar met een gigantische markt. En als laatste naar de EU, waar de goedkeuring notoir ingewikkeld en tijdrovend is.

In Singapore had Meatable een partner gevonden voor een testfabriek, vertelde Luining bij de proeverij. De stap naar de markt verwachtte hij eind 2025. Dat bleek te optimistisch.

Meatable maakt kweekvlees met behulp van genetisch gemodificeerde stamcellen. Lastig in de EU, waar hoge drempels voor gmo zijn, en waar consumenten veelal afwijzend tegenover ‘geknutsel’ aan genen staan. In Singapore zou het sneller moeten lukken.

Maar zo snel als verwacht ging het niet. De Singaporese autoriteiten stelden telkens nieuwe vragen over het goedkeuringsdossier, waarop Meatable steeds nieuw onderzoek moest aanleveren. Duur en tijdrovend onderzoek, meer dan Meatable vol kon houden. Met de finish in zicht raakte Meatable door zijn laatste reserves. Waar Mosa Meat in december kon melden weer 15 miljoen euro te hebben opgehaald voor opschaling, ging bij Meatable de geldkraan dicht.

„Het geduld van investeerders heeft voor een groot deel te maken met de verwachtingen die bedrijven scheppen op een terrein dat inherent risicovol is”, zegt René Wijffels, die aan de Wageningen Universiteit als hoogleraar bioprocestechnologie de toekomst van kweekvlees onderzoekt. „Alle start-ups hebben dit dilemma: je moet beloftes doen om investeerders over de streep te trekken, maar als je die beloftes niet snel genoeg kunt waarmaken, haken investeerders af.”

Ellenlange toelatingstrajecten

Meatable heeft misschien onfortuinlijke keuzes gemaakt, maar is niet de enige kweekvleesmaker die over de kop ging. Ook andere veelbelovende start-ups moesten stoppen. Zo viel het Israëlische Believer Meat om, mede doordat investeerders zich van Israël afkeren. Ook het Britse CellRev en het Nederlandse Upstream staakten hun activiteiten. Kweekvleesproducenten van het eerste uur, zoals Eat Just, houden met moeite het hoofd boven water.

Ieder bedrijf dat ‘novel food’ op de markt wil brengen, krijgt te maken met ellenlange toelatingstrajecten. Toch is dit niet de belangrijkste reden dat investeerders zich terugtrekken, volgens Cindy Gerhardt, gepokt en gemazeld bij biotechnologische bedrijven en een van de oprichters van de koepelorganisatie Cellulaire Agricultuur Nederland (CAN). „Er is nog geen enkel bedrijf dat al op grote schaal kweekvlees kan produceren. Dat is het grootste probleem. Veel investeerders zijn het vertrouwen kwijtgeraakt door de lange en dure ontwikkelingsroute.”

Kweekvlees wordt vaak met medicijnonderzoek vergeleken: het vraagt veel onderzoek en dat kan jaren, decennia duren. Maar waar farma-investeerders weten dat ze met één klapper alle investeringen meer dan goedmaken, is dat voor kweekvlees onzeker. Gerhardt: „Met een hamburger kun je nooit verdienen wat je met een nieuw medicijn kan verdienen.”

En er is nog een verschil: betere medicijnen wil iedereen. Maar kweekvlees is niet overal welkom. Kweekvlees belooft het klimaat en dierenlevens te redden en een einde te maken aan de bio-industrie. Dat maakt het bedreigend voor veehouderij en vleesindustrie. Italië en Hongarije hebben nu al gezegd het nooit toe te laten, om hun cultuur en tradities te beschermen.

Er zijn genoeg redenen om te zeggen dat het project kweekvlees gedoemd is te mislukken. Waarom zouden de overblijvers het dan toch kunnen halen? Het simpelste antwoord is: omdat zij de overlevers zijn.

Mosa Meat, het enige Nederlandse bedrijf met een proeffabriek, heeft in een aantal opzichten een betere uitgangspositie dan Meatable had. Het bedrijf, opgericht in 2016, prijst zich gelukkig met investeerders die ook een plek in de productieketen hebben. Nutreco bijvoorbeeld ontwikkelt met Mosa Meat het groeimedium voor kweekcellen en zou naast diervoeding in de toekomst ook celvoeding kunnen verkopen. Ook Bell Food, een Zwitserse vleesverwerker, en het Duitse pluimveeconglomeraat PHW hebben langetermijnbelangen: vlees wordt schaarser en duurder, alle alternatieven worden serieus genomen. 

Mosa heeft veel kennis opgebouwd en vastgelegd in waardevolle patenten, en heeft de productiekosten aanzienlijk naar beneden weten te brengen – naar eigen zeggen kunnen ze nu hamburgers voor een „restaurantprijs” produceren. Hoewel het niet de makkelijkste weg was, bleef Mosa weg van genetische modificatie.

Onlangs is Mosa Meat met een handvol andere start-ups uitgekozen voor een proefproject met de Britse overheid om kweekvlees versneld in het Verenigd Koninkrijk op de markt te brengen. De Britse route kan wellicht de eeuwige catch 22 doorbreken: er komt pas écht geld los als bedrijven goedkeuring hebben om hun product te verkopen, maar er kan alleen goedkeuring komen als bedrijven genoeg geld krijgen om hun dossier te bouwen.

Kennisnetwerk

Bedrijven die ‘novel food’ op de markt willen brengen – van eendenkroos tot gefermenteerd eiwitpoeder – klagen veel over stroperige procedures in Europa. En toch, zeggen experts, is Nederland voor innovatieve voedseltechnologie nog steeds een goede basis. Het had een Groeifonds, dat 60 miljoen vrijmaakte voor ontwikkeling van de sector – wat co-financiers nog eens tot ruim honderd miljoen euro aanvulden. Het heeft een sterk kennisnetwerk van universiteiten en onderzoeksinstituten, en sinds kort een demonstratieboerderij voor kweekvlees.

Ook politiek is er beweging. In de EU is onlangs de Biotech Act aangenomen, die Europa moet transformeren tot een biotechnologische grootmacht – ook op het gebied van kweekvlees en andere dierlijke producten gemaakt uit cellen. Het rapport-Wennink, van de voormalige ASML-topman, ziet in Nederland innovatieland een rol voor ‘nieuwe eiwitten’. Hoewel het geld bij die ambities nog moet komen, voelt die erkenning als een steuntje in de rug.

Nu al kunnen innovatieve start-ups in nieuwe eiwitten een beroep doen op Invest-NL. Deze instelling financiert namens de overheid duurzame projecten die voor banken en private investeerders een te groot risico opleveren. Invest-NL investeerde zowel in Meatable als in Mosa Meat 15 miljoen euro.

„Het omvallen van Meatable is een klap”, zegt Victor Meijer van Invest-NL. „Maar het past in een natuurlijk proces.” Er gaan nog meer kweekvleesbedrijven omvallen, verwacht Meijer. En een aantal blijft overeind. „Cruciaal voor investeerders is: wat voor team zit er, welke kennis, en willen ze stukjes van de puzzel delen om een sector op te bouwen.”

Of er ooit een kweekvleesburger bij Albert Heijn komt, is onzeker, weet Meijer. „Maar feit is: kweekvlees is nog steeds hard nodig. Je kunt ook plantaardig eten, maar mensen willen nu eenmaal vlees, en de manier waarop we dat nu produceren, is niet vol te houden. Zeker niet als de vleesconsumptie nog met de verwachte 50 procent groeit.”

Mosa Meat ziet duidelijk de toegevoegde waarde van Invest-NL als partner. Het grondige technische onderzoek van Invest-NL en de strenge voorwaarden voor financiering helpen Mosa ook weer om andere investeerders aan boord te krijgen. Van vermogende families, van Thuisbezorgd-oprichter Jitse Groen. Maar ook van de Amerikaanse ‘cowboy’ Chris Sacca, die als missie heeft „to unfuck the planet”.

En intussen blijft Mosa Meat schaven en sleutelen, óók aan de verwachtingen. Het eerste product zal niet een complete kweekvleesburger zijn, van spieren en vet uit de bioreactor. Het begint waarschijnlijk met vetcellen. Een ingrediënt waarmee ze plantaardige burgers een vlezige ‘sizzle’ kunnen geven. Zoals Meatable begon met kweekvet in een worstje.

Het lijkt Gerhardt verstandig om te beginnen op de ingrediëntenmarkt – en niet met een eigen consumentenmerk. „Business to business is niet zo sexy, maar als je met een uniek ingrediënt veel waarde kan toevoegen aan een consumentenproduct, kun je met de inkomsten vertrouwen van investeerders winnen en rustig je technologie verbeteren.” Tot er misschien ooit iets uitkomt dat op biefstuk lijkt.

Mijlpaal

De proeverij bij Meatable vorig jaar was een mijlpaal – eindelijk was het in Nederland toegestaan kweekvlees te eten. „Er zijn zoveel mensen die er al zo lang aan werken en die het nog nooit geproefd hebben”, zei Ira van Eelen, dochter van Willem van Eelen die in de jaren negentig het eerste patent op kweekvlees verkreeg. Zij was erbij vanaf het prille begin.

Het einde van Meatable vindt Van Eelen vreselijk voor de oprichters. „Maar de kans dat de kweekvleessector omdondert, is nog nooit zo klein geweest”, zegt ze als onvermoeibare ambassadeur. „Met Meatable houdt het niet op. De kennis die ze daar hebben opgebouwd, komt elders wel weer terug.”

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Voorkennis

Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen

Source: NRC

Previous

Next