Home

Al die uiteenlopende types in de gevangenis. Hoe zorg je ervoor dat alles goed gaat achter die celdeur?

Gevangenisleven Rechtse partijen willen zwaardere straffen en een versoberd leven in gevangenissen. Ondertussen belanden door wegbezuinigde zorg meer daklozen, psychisch zieken en verstandelijk beperkten in de cel. NRC liep twee maanden mee in de gevangenis in Zwolle. „Ik denk dat straks nog wel even de pleuris uitbreekt.”

Keuken en woonkamer in de penitentiaire inrichting Zwolle op de afdeling voor vrouwelijke veelplegers.

‘Dag Anja.” De bewaarder tilt het luikje op en buigt licht voorover om naar binnen te kunnen kijken. Anja zwaait terug. „Dag Jasmine”, zegt de bewaarder, drie meter verderop bij de volgende celdeur. „Janet, goedemorgen.” Alle cellen in het blok, een stuk of twintig, gaat hij vrolijk en vriendelijk langs.

Iets verderop, in het mannengebouw, tikt een bewaarder op de deuren van onder anderen Justin, Ali en Jos, doet het luikje open en knikt beleefd. „Goedemorgen.”

Het is kwart voor twaalf op een woensdagochtend, eind oktober, en in de penitentiaire inrichting (PI) Zwolle wordt iedereen geteld. Drie keer per dag, minstens, als een bus kinderen op schoolreisje. Als alles klopt – en het klopt eigenlijk altijd – gaan een paar honderd piepers af met een geruststellende mededeling. „Alle sterkte akkoord”, oftewel: tussen deze telling en de vorige is er niets veranderd. Niemand ontsnapt, niemand gestorven.

In deze gevangenis zitten zo’n 350 mensen opgesloten. De gemiddelde gedetineerde zit er een maand of vier, een handjevol levenslang. Het zijn moordenaars, ramkrakers en verkrachters. Brandstichters, witteboordencriminelen en drugsbazen. Psychopaten, kwetsbare jongeren en drugsverslaafden. Maar ook hardleerse winkeldieven, die nadat ze tientallen keren zijn gepakt een gevangenisstraf is opgelegd.

Pakweg zeshonderd medewerkers zien erop toe dat deze ‘justitiabelen’ hun celstraffen uitzitten. Het zijn mensen die op een vast cellenblok werken en soms jarenlang elke werkdag dezelfde gedetineerden zien; ze dragen verschillende titels, maar we noemen ze in dit artikel voor het gemak bewaarders. Dan zijn er de beveiligers, die toezicht en orde houden in de rest van de inrichting, zoals bezoekruimten en isoleercellen. En dan zijn er nog de casemanagers, psychiaters, schoonmakers et cetera.

Over dit artikel

Dit artikel is het eerste deel van een drieluik over het gevangeniswezen, waarvan de overige twee delen binnenkort verschijnen. De auteur benaderde meerdere Nederlandse gevangenissen met het verzoek langere tijd mee te mogen lopen; de PI Zwolle reageerde welwillend.

De auteur mocht tussen half oktober en half december 2025 op verschillende afdelingen meekijken en iedereen aanspreken die daarvoor openstond. Hij sprak met tientallen medewerkers en zo’n twintig gedetineerden.

Alle citaten zijn voor publicatie voorgelegd aan de betrokkenen. Afgesproken werd dat iedereen, met uitzondering van directieleden, enkel met de voornaam zou worden opgevoerd.

Alle volledige namen zijn bekend bij de redactie.

Het gevangeniswezen zit in een diepe crisis. In de afgelopen vijftien jaar zijn bijna dertig gevangenissen gesloten en duizenden bewaarders ontslagen, terwijl opeenvolgende ministers van Justitie almaar zwaardere straffen invoerden. Nu zitten de inrichtingen op 99,5 procent capaciteit, staan er zo’n duizend vacatures open en wachten ruim 3.200 veroordeelde criminelen in vrijheid op een plek in de gevangenis. Om deze crisis te bezweren vroeg toenmalig staatssecretaris van Justitie en Veiligheid Ingrid Coenradie (PVV) begin 2025 om jaarlijks 500 miljoen euro extra. Het demissionaire kabinet zegde 75 miljoen euro per jaar toe.

Rechtse partijen pleiten al jarenlang voor zwaardere straffen en een versoberd leven in de gevangenis. Veel van hun voorgestelde maatregelen zijn inmiddels doorgevoerd, maar hoe ervaren de bewaarders dat? Hoe is het om in dit politieke klimaat in een gevangenis te werken? Wat zijn de morele vragen waar bewaarders vrijwel dagelijks een antwoord op moeten vinden?

De PI Zwolle heeft als een van de weinige inrichtingen geen personeelstekort en staat onder gedetineerden bekend als een betrekkelijk fijne gevangenis. Toch is ook hier goed te zien dat er veel is veranderd de afgelopen jaren.

‘Ze kan de cel niet aan’

„Die daar, rechtsonder, die heeft eigenlijk tbs.” Drie bewaarders zitten in de teamruimte, het kloppend hart van elk cellenblok. Terwijl de koffie in de hoek pruttelt, wijzen ze om de beurt een pasfoto aan op de muur, op de grote lijst met alle gedetineerden van de afdeling. „Deze ook, trouwens”, zegt een blonde bewaarder van in de twintig, en tikt een andere foto aan. Naast iedere foto staan een naam en datum van binnenkomst. Elke teamkamer heeft zo’n lijst aan de muur. „Die twee horen hier helemaal niet te zijn. Maar de klinieken zijn vol, dus nu zitten ze hier, te wachten. Al anderhalf jaar.”

Het is een drukte van jewelste in de kleine teamruimte op een van de afdelingen voor vrouwen. De ene na de andere gevangene staat in de deuropening met een vraag of verzoek. Af en toe staat een van de bewaarders op, excuseert zich, en brengt een gedetineerde weg – naar de arbeid, onderwijs of misschien naar een advocaat. Hans, een casemanager van begin zestig met een borstelige snor en warme stem, schuift aan voor koffie.

„En die mevrouw?”, vraag ik, en wijs naar de gang waar net een verwilderd ogende vrouw met geblondeerd haar langsliep.

„Zij is net nieuw”, zegt een bewaarder. „Licht verstandelijk beperkt, we hebben een paar van zulke gedetineerden op de afdeling.” In de PI loopt ook een IS-vrouw rond (volgens justitie ooit gelieerd aan terreurgroep Islamitische Staat) en sinds kort ook een soeverein (iemand die de overheid en haar wetten niet erkent). Het risico bestaat, zegt de gevangenisleiding, dat zij proberen te ronselen.

De penitentiaire inrichting (PI) Zwolle.

De gevangenisbevolking wordt almaar complexer en dat is ook hier goed te zien. Meer gedetineerden zijn verstandelijk beperkt, psychisch ziek of drugsverslaafd – dat zegt vrijwel elke bewaarder. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd is het met hen eens; al in 2020 trokken zij hierover aan de bel.

„Het is ook niet zo gek”, zegt casemanager Hans nuchter. „Als je buiten op de zorg bezuinigt, worden mensen vaker over het hoofd gezien, en dan komen ze vanzelf hier terecht.” Het maakt het werk voor bewaarders moeilijker: ze moeten orde houden op afdelingen met zeer uiteenlopende typen gedetineerden.

Ik wijs naar de pasfoto van een gedetineerde die ik eerder op de luchtplaats in haar eentje rondjes zag lopen. „Die heeft ook tbs, maar zit hier al een hele tijd”, zegt een bewaarder die net koffie inschenkt. „Ze heeft euthanasie aangevraagd.” Even is het stil. Hans neemt plechtig het woord: „Ze kan de cel niet aan.”

De PI in Zwolle is een bijzonder gevarieerde inrichting. Je hebt er het huis van bewaring, de afdeling waar mensen het vonnis in hun zaak afwachten. Dan de gevangenisafdeling, waar ze hun straf uitzitten. Een kleine vleugel is gereserveerd voor vrouwelijke veelplegers, veelal dakloze verslaafden.

Dan is er de PPC, het penitentiair psychiatrisch centrum, in feite een psychiatrisch ziekenhuis in de gevangenis. Als iemand in een acute crisis als een psychose iets vreselijks doet – zijn geliefden vermoorden, bijvoorbeeld – dan komt die hier terecht. Bijna vier op de tien van de gedetineerden in Zwolle zit op de PPC.

De dagen van reguliere gevangenen volgen een strikt stramien, en gaan ongeveer zo. Om vijf uur ’s middags gaat je celdeur dicht en zit je in je hok van twee bij vijf, met je lineaire televisie (3 euro per week), je pakje shag en met een beetje pech een bankovervaller met slaapapneu. Iets voor acht uur de volgende ochtend gaat de deur weer open, en dan mag je drie uur vaatwastabletten inpakken (voor 15 euro per week) en om half twaalf weer een uur op cel. ’s Middags even luchten, bellen, misschien naar de bibliotheek, en dan weer vijftien uur op cel.

De Ouder-Kind-Dag

Een enorme olifant staat in de hoek van de sportzaal. Het beest is onderdeel van een kleurrijk springkussen, met een glijbaan en ballenbak er aan vast. Zacht gebrom klinkt van achter het gevaarte. Een vader ligt met zijn dochtertje bovenin te spelen, alleen zijn voeten zijn nog zichtbaar. Het kind is ergens achterin verdwenen, af en toe klinkt haar lach.

Deze zondag halverwege november is het Ouder-Kind-Dag. Negen of tien keer per jaar (zomers gaat het programma op pauze) mogen de kinderen van gedetineerden twee uurtjes komen spelen in de gevangenis. Slechts een deel van de vastzittende vaders en moeders krijgt op deze dag bezoek; sommigen willen niet dat hun kinderen een gevangenis ‘meemaken’, anderen liegen tegen hun kinderen en zeggen dat ze een jaar op vakantie zijn, of door het leger zijn uitgezonden.

Normaal gesproken zien gedetineerde ouders hun kind in de algemene bezoekkamer, die ook wel ‘de slang’ wordt genoemd vanwege de lange, kronkelende tafel die de ruimte in tweeën deelt. Het doet denken aan een soort industriële nagelsalon of uitgestrekte autoverhuurbalie. Daar blijven gevangenen en hun bezoek strikt gescheiden van elkaar – behalve als het om kleine kinderen gaat, die mogen nog wel eens over het scheidingswandje worden getild om op schoot te zitten. De Ouder-Kind-Dag is de enige gelegenheid om zonder al te veel restricties samen te zijn.

Kinderen kunnen ouders bezoeken in een ruimte die ‘de slang’ wordt genoemd naar de lange slingerende tafel (links) en negen of tien keer per jaar op Ouder-Kind-Dag in de sportzaal.

„Hopelijk plant dit iets van een zaadje”, zegt Tineke, een bewaarder van in de vijftig. Ze knikt naar een vader die met zijn zoontje een kleurplaat maakt. „Ik kan ze niet veranderen, dat moeten ze toch echt zelf doen. Maar als ze doorhebben dat ze het echt verkloot hebben, als ze zien wat ze thuis missen, dan helpt dat misschien.”

Samen met haar collega’s Karin en Edith, ook oud-gedienden in de PI, organiseert Tineke dit soort dagen. Zes of zeven vaders, allen met celstraffen tussen de vijf en vijftien jaar, spelen verspreid over de sporthal met hun kinderen. Er ligt speelgoed in een hoek, een stapel badmintonrackets, tennisballen en een roze springtouw. Aan een kant van de zaal staat een handjevol klaptafeltjes, voor bordspelletjes of om even rustig limonade te drinken.

Eén vraag gaat rond tussen de drie vrouwen en een beveiliger die aanschoof voor een kopje koffie en zich in het gesprek mengt. Hoe ga je om met iemand die een gruwelijke misdaad heeft gepleegd?

„Ze zijn al gestraft, hè”, zegt de beveiliger. „Ze zitten hier. Het is niet aan ons om dat erger te maken.”

Edith zegt: „Je wil ze ook niet extra beschadigen.”

„Ze komen natuurlijk ook weer buiten”, zegt Karin. „Daar ontkom je niet aan. Ik zat laatst bij de kapper en iemand zei: geef ze water, brood en las die deur maar dicht. Toen zei ik: oké, doen we dat. Geen contact, alleen wat eten naar binnen smijten. Tien jaar later zit de straf erop en laat ik geen mens naar buiten maar een beest. En dan kom jij hem tegen.”

Verliefd op een gevangene

Een handjevol officiële, ambtelijk aandoende begrippen zingt vrijwel permanent rond in de PI. ‘Afstand en nabijheid’ is er een van. Van de directie tot gloednieuwe bewaarders: iedereen spreekt die drie woorden uit met eenzelfde soort plat plichtsbesef, afstandennabijheid, alsof de spaties ertussenuit zijn. Iedereen die ik ernaar vraag is er helder over: afstand bewaren tot gevangenen, maar tóch nabijheid behouden, dat is het allerbelangrijkste én het allermoeilijkste.

„En dat is ook niet gek, hè”, zegt Jacco, een ervaren afdelingshoofd van rond de vijftig met zilvergrijs haar. We lopen over de bezoekafdeling, een verzameling gangen en ruimten waar familie en advocaten mogen komen. Toevallig komen we tot stilstand in de BZT-kamer: bezoek zonder toezicht. Het is de enige ruimte waar gedetineerden, op voorwaarde van maandenlang goed gedrag, hun partner zonder enig toezicht mogen ontvangen. Het is impliciet bedoeld voor seks, maar staat net zo goed bekend als dé manier om drugs te smokkelen. De inrichting van de ruimte is onpersoonlijk, onverwoestbaar, alles is makkelijk af te nemen met een doekje. Zelfs de kussens op het bed zijn gemaakt van dik pvc.

„Er zijn er een paar”, gaat Jacco verder, „die hebben levenslang. Dus die zie je nog meer dan je eigen partner. Hier ben je vier keer negen uur. Je komt ’s avonds misschien om half zeven thuis, dan ga je nog even eten en gelijk je bed weer in. Want de volgende ochtend sta je ergens tussen vijf en zes op, rij je hier weer heen en zit je weer negen uur met die man.”

Een geval van „te veel nabijheid”, zoals Jacco het omschrijft, kan op twee dingen uitlopen. Een chantabele bewaarder of, eigenlijk nog erger: een verliefde bewaarder. „Dat heb ik twee keer van dichtbij meegemaakt,” zegt Jacco, „en het is echt vreselijk”. Het ging om vrouwelijke bewaarders die een geheime relatie waren aangegaan met een gevangene. De ene keer was het een oudere, ervaren medewerker, de tweede keer een jonge vrouw. „Haar hebben we heel vaak gewaarschuwd als team, zo van: ‘we zien dit, we zien dat’, totdat een andere bewaarder zag dat ze hem een kus gaf.”

Maar tot verliefdheid hoeft het niet eens te komen. Elise Beltman, directeur van de PI, noemt het voorbeeld van een oude, kwetsbare gedetineerde die een bewaarder om hulp vroeg. Hij had ‘buiten’ vrijwel geen netwerk, slechts één vriend, maar die wilde niet naar de gevangenis komen. „Of de bewaarder alsjeblieft een tas met kleding van die vriend zou willen aannemen, voor de arme, oude gedetineerde.” Zo gezegd, zo gedaan: de bewaarder sprak uit medelijden met de gedetineerde af met de vriend, ergens bij een tankstation, en nam een boodschappentas met kleding aan. Beltman: „Die overdracht werd gefotografeerd. De bewaarder kreeg de keuze: óf we geven de foto aan je baas en je bent je baan kwijt, óf je gaat mij met andere dingen helpen.”

Gang op de afdeling C-0 voor langgestrafte mannen.

Het maakt dat bewaarders niet alleen op ‘hun’ gevangenen letten, maar ook op elkaar. Iedereen kent verhalen van collega’s – binnen de PI Zwolle, maar ook daarbuiten – die chantabel of verliefd zijn geworden. Zelden kent het een mooi einde. Het maakt dat het personeel dat elkaar blindelings hoort te vertrouwen, toch altijd íéts van wantrouwen moet houden, voor hun eigen veiligheid.

„Er zit verderop, aan de mannenkant, een collega die al heel lang meedraait”, zegt een bewaarder. „Een vrouw. Die begint de laatste tijd ineens opgemaakt naar werk te komen. Voor wie maak je je op?” Het zou een van de vele relaties kunnen zijn die tussen collega’s op de werkvloer ontstaan. „Maar wat als het voor een gedetineerde is? Wat bespreekt ze met hem? Heb je het over mij, waar ik woon, hoe mijn kinderen heten?”

Een geheime liefde tussen een bewaarder en een gedetineerde is een nachtmerrie voor al het personeel. „Gelukkig komt het niet zo vaak voor”, zegt directeur Beltman. Op een personeelsbestand van zeshonderd ontslaat de PI er om deze reden „twee per jaar, gemiddeld. Naïviteit, en vatbaarheid voor manipulatie en chantage, is de belangrijkste reden waarom we afscheid nemen van werknemers.”

Wat nou als het op een sjaal lijkt?

„Kijk, de vraag is: wat is een badhanddoek?”, zegt beveiliger Joke, een blonde vrouw van tegen de zestig. Ze kijkt de tafel rond. „Ik wil gewoon geen discussie met jullie daarover.”

We zitten in een ongezellig zijkamertje met uitzicht op een luchtplaats, een paar meter verderop rijst de alomtegenwoordige muur omhoog. Aan tafel zitten vijf personeelsleden, tegenover hen vijf vrouwen van de gedetineerdencommissie, die (net als bij de mannen, die hun eigen afvaardiging hebben) bestaat uit verkozen vertegenwoordigers van elke gevangenisafdeling.

Eens per maand mogen ze met de PI in gesprek over hun klachten en wensen. Maar omdat de regels streng zijn en de gevangenisleiding er zelden tot nooit van afwijkt, om een glijdende schaal te voorkomen, verandert er in de praktijk weinig. Vrijwel altijd staan dezelfde dingen op de agenda: de bezoekregels, wat er door de bajeswinkel verkocht mag worden, en de invoerlijsten.

Nu gaat het over dat laatste: het register dat bepaalt welke objecten van ‘buiten’ mogen worden ingevoerd door familie en vrienden. Misschien wil de PI wel een uitzondering maken en badhanddoeken toestaan, zodat vrouwen na het douchen nog even ingezwachteld door hun cel kunnen lopen.

Maar dan moet eerst de vraag beantwoord worden: wat is een badhanddoek?

Een gedetineerde met zwart haar in twee lange vlechten ziet haar kans schoon. „Zo’n hamamdoek, is dat dan ook oké? Of is dat te groot?”

Joke denkt even na. „Het gaat me minder om de afmetingen”, zegt ze. „Maar hoe dik is zo’n doek? Wat nou als het op een sjaal lijkt?”

Een andere gedetineerde, met een Limburgs accent en een zwarte hoodie, veert op. „Dan zouden we ook een sjaal mogen invoeren?”

Joke antwoordt geduldig: „Maar dat mag dus niet.” Voor sjaals geldt, zoals voor alle kleding, een strikt maximum aantal. Gedetineerden mogen dus niet een extra sjaal ‘invoeren’ door die maar een badhanddoek te noemen. De Limburgse vrouw zakt teleurgesteld in elkaar. „Daarom dus de vraag”, gaat Joke moedig voort. „Wat is een badhanddoek?”

De regels moeten helder zijn voor iedereen, want elke millimeter speling kan later problemen opleveren. Een klein beetje ruimte kan een gedetineerde proberen open te wrikken om er meer uit te halen: je hebt dit voor me gedaan, kan je dan misschien ook dát voor me doen? Elke bewaarder zegt er min of meer hetzelfde over: je hebt vierentwintig uur per dag om dingen te beramen, soms jarenlang. Nogal wiedes dat je dan probeert dingen naar je hand te zetten.

In de praktijk komt het neer op ellenlange semantische discussies. Wanneer is een badhanddoek zo dun dat die geldt als sjaal? Of: een gedetineerde zegt geen geld te hebben voor een postzegel, bijvoorbeeld voor een brief aan de klachtencommissie. Wanneer is hij ‘arm’ genoeg om in aanmerking te komen voor een gratis postzegel? Dan zul je zien dat iemand al zijn geld uitgeeft aan shag, om vervolgens een gratis postzegel te vragen. Of: waar ligt de grens tussen een soft-erotisch tijdschrift (dat mag) en pornografie (dat mag niet)?

Het is onderdeel van het doel van de PI om zo rechtlijnig mogelijk te zijn: elke beslissing, elk privilege dat iemand erbij krijgt of verliest, moet voor iedereen goed uit te leggen zijn.

De veranderende gevangenisbevolking maakt ook dat moeilijker. Gedetineerden zijn bij binnenkomst steeds vaker zwaar psychisch ziek, flink verstandelijk beperkt, of misschien al een decennium of twee dakloos en verwilderd. Een casemanager noemt een voorbeeld van hoe ver het uit elkaar kan liggen: „Een van mijn jongens haalt zijn lasdiploma. De ander probeer ik zover te krijgen dat hij overdag wakker is en ’s nachts slaapt, in plaats van andersom.”

Vrijwel iedereen die NRC sprak in de PI wijt dit aan de afgeschaalde zorgvoorzieningen. De woningcrisis maakt mensen dakloos, psychiatrische patiënten zijn van klinieken overgeplaatst naar woonwijken waar ze ongezien verslechteren, en in de steeds complexere maatschappij krijgen veel verstandelijk beperkte mensen niet de hulp die ze nodig hebben. In al die gevallen kan een spiraal van verslaving, psychische crisis, schulden ontstaan – en dan een misdrijf.

Directeur Beltman beslist wat er gebeurt met officiële meldingen over wangedrag van een gedetineerde. Dat kan vanwege drugsgebruik zijn (er zijn regelmatige urinecontroles) of geweld, belediging, enzovoorts. Ze kan beslissen iemand te degraderen van een plusprogramma met extra privileges naar het kalebasisprogramma. Of ze stuurt hem voor straf naar een isoleercel. „Soms krijg ik zo’n rapport binnen en is het hartstikke helder: dit is vijf dagen straf. En dan ga ik langs bij die man en denk ik: als jij je veters drie keer strikt, vind ik dat ook al genoeg. Maar leg dat maar eens uit aan zijn buurman, die wél de isoleercel in is gegaan.”

Isoleercel (links) en een keuken op de afdeling voor vrouwelijke veelplegers.

In één cel met een etterbakje

„Ik denk dat straks nog wel even de pleuris uitbreekt.” We zitten in de teamkamer van de C-0, de afdeling voor langgestrafte mannen, en Karin kijkt over haar beeldscherm heen naar haar collega’s.

Dat denkt Yorick ook, een opgewekte, vriendelijke bewaarder van ergens in de dertig.

Het is een woensdagochtend, eind november, en het team is aan het „puzzelen”. Karin, Yorick en Michael zijn tegen hun gewoonte in een beetje zenuwachtig. En dat terwijl de puzzel van vandaag er eentje is die om de zoveel dagen, soms zelfs meermaals per dag, door heel de PI wordt gelegd.

In 2025 gaf Justitie de PI Zwolle de opdracht om de bestaande dubbelcellen – waarvan een deel bewust door één gedetineerde werd gebruikt – zo veel mogelijk te vullen. Zo kun je op een afdeling als deze tien gedetineerden extra kwijt.

Maar met agressieve, onberekenbare en/of psychisch gestoorde gedetineerden is het vinden van een werkbaar duo voor een cel moeilijk. Alleen iemand die – vaak vanwege gezondheids- of veiligheidsredenen – een contra-indicatie heeft, kortweg een ‘contra’, ontspringt de dans en hoeft de cel niet te delen. Het is het meest begeerde papiertje van de hele gevangenis.

„En nu hebben we dus gepuzzel”, zegt Yorick droogjes. Een beruchte gedetineerde heeft een poos in de isoleercel gezeten en komt terug op de afdeling. „Nu moeten we mededelen aan…” Yorick draait zijn bureaustoel om en kijkt vertwijfeld naar het grote bord aan de wand. „Deze man”, zegt Michael. Hij is opgestaan en tikt op de pasfoto van een man van zestig, kaal en met een grijs gelaat. „Ja, die ja”, zegt Yorick. „Hem moeten we zo vertellen dat hij een celgenoot krijgt.” Met een ietwat nerveuze lach: „Het is nog even kijken hoe hij daar op reageert.”

Elke keer dat er iemand ‘dubbel’ moet – wat aan de lopende band voorkomt – kiest het team wie er pech heeft. „En je moet goede argumenten hebben”, zegt Karin. „Ik had eerst een ander in mijn hoofd, die zich niet uit het veld laat slaan door zo’n etterbakje bij hem op cel.” Ze wijst naar een pasfoto op het bord, van een vechtersbaas met veel bajeservaring en een kort lontje. Michael vult aan: „Maar ja, dan weet je dus niet wat er gebeurt achter dat celdeurtje. Hoe ze erbij liggen wanneer je ’s ochtends langsgaat.” Daarom is de keuze op iemand anders gevallen.

En dat is „heel krom”, zeggen de drie bewaarders, vrijwel in koor. De uit de isoleercel teruggekeerde lastpak een eigen cel geven kan niet: dan beloon je slecht gedrag en zal iedereen zijn voorbeeld volgen. Maar de keerzijde is dat je goed gedrag bestraft. Psychopaten gaan om vanzelfsprekende reden niet dubbel. Zedendelinquenten in de regel ook niet, voor hun eigen veiligheid. Als je vervolgens een gedetineerde ergens kwijt moet en je kunt kiezen tussen een psychisch onberekenbaar iemand, een beruchte vechtersbaas óf de man die zich al een jaar voorbeeldig gedraagt, is het vrijwel altijd de laatste.

Dit ‘puzzelen’, hoe onschuldig het ook klinkt, is de uitdagendste verandering van de laatste jaren, volgens de meeste bewaarders in Zwolle. Met meer psychisch zieke gedetineerden en beïnvloedbare verstandelijk beperkte gevangenen wordt het almaar moeilijker. En elke keer rijst de vraag: hoe kunnen we de voorbeeldgevangenen – zij die zich jarenlang goed gedragen, opleidingen volgen, die rust brengen op een afdeling – uit de wind houden?

Het draait uit op een variant op het raadsel met de wolf, de geit en de kool. In de PI zijn het de gek, de vechter en de lieverd.

En vandaag is het nog overzichtelijk op de C-0; soms moeten wel drie of vier cellen opnieuw worden ingedeeld om iedereen een geschikte nieuwe plek te kunnen geven. „In de praktijk komt dat uit op een zes- of zevenhoekswissel en komt een hele volksverhuizing op gang waar iedere afdeling bij betrokken is”, zegt Edward, een afdelingshoofd. „Dan is het een dag of twee rustig, misschien drie, en dan zitten we weer met een ander koppel dat niet samen kan. Ik zeg het je: dat is gewoon niet te doen.”

Deze ochtend heeft Karin mazzel. Ze vertelt de gedetineerde dat hij een beruchte celgenoot krijgt, bedt de mededeling in in een handjevol verzachtende beloften, meer recreatietijd op de zaterdag, iets langer koken op de zondag, en de man accepteert het met een zwijgende woede.

„Hij hoeft gelukkig nog maar vijf dagen, dan komt hij vrij”, zegt ze er daarna over. Dan moet een nieuwe gevangene worden gekozen om bij de etter op cel te zitten en begint alles opnieuw.

Nog geen honderd meter verder, op de afdeling B-1, wordt die middag een grote cellenruil afgeblazen. Vijf cellen zouden gedetineerden ruilen, maar op het laatste moment blokkeert een psycholoog het toch nog: een van de gevangenen zou een te groot risico zijn om een cel mee te delen.

In de teamruimte zit Carlo, een verder altijd vrolijke, goedlachse bewaarder, teleurgesteld aan zijn bureau. „We hebben de hele ochtend iedereen er voorzichtig op voorbereid. Er zitten er een paar tussen, verstandelijk beperkt en autistisch, die dit niet zo goed kunnen hebben, zo’n verandering.”

Nog geen tien minuten later klinkt een donderend lawaai vanuit de gedeelde woonruimte. Een oudere gedetineerde, een normaliter rustige man van rond de vijftig, is laaiend over de afgeblazen verhuizing en smijt een koffiepot stuk.

„Kijk”, zegt Carlo, en vermoeid sluit hij even zijn ogen. „Daar zal je het hebben.”

Deze publicatie werd mede mogelijk gemaakt door een bijdrage van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Voorkennis

Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen

Source: NRC

Previous

Next