Home

Kunstenaar Jan Dibbets: ‘Boven het maaiveld ben je alleen. Wat doe je dan? Naar het buitenland’

Jan Dibbets in H’ART Museum In de jaren van 1966 tot 1976 maakte kunstenaar Jan Dibbets zijn eerste schreden in de internationale avant-garde. Dat werk is nu te zien in het H’ART Museum in Amsterdam. In een groepsgesprek met journalisten moppert hij graag over „de oenen” aan wie hij zijn werk al zestig jaar moet uitleggen.

Jan Dibbets bij zijn 'Big Comet Sky-Land-Sky 3˚- 60˚' in H'ART Museum in Amsterdam.

Of de in 1941 in „het gat” Weert geboren kunstenaar Jan Dibbets een tevreden man is, valt moeilijk in te schatten. Natuurlijk is hij tevreden met de solotentoonstelling die zaterdag in H’ART Museum in Amsterdam voor publiek opent en met de Franse l’Ordre des Arts et des Lettres die hij donderdag opgespeld kreeg, vanwege de manier waarop hij als kunstenaar heeft bijgedragen aan de bevordering van de kunsten in Frankrijk en de rest van de wereld.

De tentoonstelling in Amsterdam spitst zich toe op de jaren, lang geleden, dat Dibbets „bij toeval” terechtkwam in de wereld van de avant-garde. Zijn laatste solo in Amsterdam dateert uit 1972 en de plek van de huidige tentoonstelling is niet het Stedelijk Museum, waarmee Dibbets vroeger zulke innige banden onderhield. Die banden zijn al zo’n tien jaar behoorlijk afgekoeld, want in het Stedelijk maken „moraalridders” de dienst uit. „Lachwekkend”, noemt hij het.

Dibbets moppert graag en maakt cynische grappen over de „oenen” aan wie hij al zestig jaar zijn werk moet uitleggen, over de kwaliteit van hedendaagse fotografievakjury’s („alleen op zoek naar iemand die met twee benen onder de tram is gekomen”), over de „geleerden” van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen die „maar wat kwebbelen over kunst”, over de tekenopleiding in Tilburg waar hij na zijn Gymnasium in Weert naartoe ging („fenomenaal slecht”). „Dus ach”, zegt Dibbets op het groepsinterview voorafgaand aan de tentoonstelling (individuele interviews vindt hij te vermoeiend): hij heeft al zo veel exposities gehad over de hele wereld. Wat boeit het hem dat deze tentoonstelling in Amsterdam is of daarbuiten? Exposities zijn voor een kunstenaar van zijn statuur totaal onbelangrijk. In Nederland is het lastig als je je kop boven het maaiveld uitsteekt. „We moeten gezellig met z’n allen onder dat maaiveld blijven, elkaar prijzen en schouderklopjes geven. Boven het maaiveld ben je alleen. Wat doe je dan? Naar het buitenland.”

Jan Dibbets: Perspective correction – My Studio II,1: square on floor.

Geen medium voor een vaas met bloemen

Wat Dibbets wel belangrijk vindt, is dat hij in de zesendertig meter lange, tien meter brede en acht meter hoge ‘Kerkzaal’ van het museum een totaalinstallatie mocht maken met conceptuele fotowerken uit de periode tussen 1966 en 1976. Sommige werken hangen haast tegen het plafond en kun je alleen vanaf een verdieping hoger, uit de verte, bekijken. Andere, zoals de bekende ‘perspectiefcorrecties’ die Dibbets in 1969 in zijn atelier maakte, hangen op kniehoogte. Het zijn zwart-witfoto’s van een leeggeruimd en schoongeboend atelier met op de vloer of de muur een simpel vierkant getekend of geplakt. De vierkanten staan frontaal in de ruimte, waardoor het perspectief van het atelier verandert en je als kijker denkt: waar kijk ik eigenlijk naar? Ook hangt hier het kolossale Big Comet Sky-Land-Sky 3˚- 60˚ (1973), dat de museummuur in tweeën spiest: een halve triomfboog van aan elkaar gekitte kleurenfoto’s van langzaam kantelende horizonnen die steeds minder als zodanig herkenbaar zijn.

„Ik laat zien dat fotografie geen medium is voor een vaas met bloemen of een portret van opa. Op een fototentoonstelling gaat iedereen automatisch op zoek naar zijn opa. Maar fotografie gaat niet over de werkelijkheid, het gaat over niks. Je moet je afvragen: wát is fotografie en hoe werkt het? Dat doet niemand in Nederland, ook niet in al die nieuwe fotografiemusea die er zijn. Die musea zijn toch zielig? Zelfs in het MoMA in New York lopen mensen bij fotografie rond die er niks van begrijpen.”

Jeugdig elan en nieuwsgierigheid

Op de tentoonstelling staan vitrines waaruit het jeugdig elan spat en de vrijbuiterige nieuwsgierigheid waarmee Dibbets en zijn artistieke geestverwanten tussen 1966 en 1976 het wereldtoneel bestormden. Dat waren Ger van Elk, Reinier Lucassen, Lawrence Weiner, Donald Judd, Carl Andre en Sol LeWitt. Conceptuele kunst, Minimal art, Landart, Arte Povera: het is „allemaal precies hetzelfde”, zegt Dibbets. „Arte Povera heet alleen maar zo omdat Italianen niets anders dan Italiaans kunnen spreken.”

Het zijn kunstenaars die allergisch waren voor het vette gebaar van de abstract-expressionistische schilderkunst en voor de loodzware regels van beeldhouwkunst (altijd een sokkel). Kunst werd efemeer, ging buiten de perken (denk aan Sonsbeek 1971), kon een gedachte zijn, een tekst op de muur, een actie. Dibbets groef in 1969 voor de door Wim Beeren samengestelde tentoonstelling Op Losse Schroeven in het Stedelijk Museum de fundamenten van het museum uit. Vooral met zijn ‘perspectiefcorrecties’ trok hij vanaf 1969 internationaal de aandacht: hij werd uitgenodigd voor twee Documenta’s in Kassel, die van 1972 en 1977.

Jan Dibbets: Horizon Sea and Land 0° – 135° (1972).

Dibbets richtte daarnaast de inmiddels in Amsterdam gevestigde talentenwerkplaats De Ateliers op, gaf daar bijna dertig jaar lang les en doceerde twintig jaar aan de kunstacademie in Düsseldorf. Hij zegt „geen flikker” te hebben geleerd van die jaren. „Ik had mijn eigen programma. Voor mij was die ene lesdag in de week de fijnste ontspannen dag van de week. Wat ik gehoord heb, was dat studenten weleens bang voor mij waren. Maar altijd positief bang, na afloop. Ik had collega’s die eindeloos vriendelijk bleven. Bij mij duurde een studiobezoek nooit langer dan tien minuten. Het was een soort huisartsenconsult. Het hoogste dat je bij mij kon bereiken: dat ik mijn hand uitstak en zei: ‘Welkom collega.’”

Weggegooid als een vies dingetje

Voor Dibbets is de kennismaking met het goedkope Russische cameraatje van zijn zus, die in Eindhoven studeerde, fundamenteel geweest. „Ik was aan het punt gekomen dat ik niet meer wilde schilderen. Ook al is Mondriaan mijn geestelijke grootvader, ik vond schilderkunst zo’n dwingend medium. Ik zocht wanhopig naar iets wat buiten schilder- en beeldhouwkunst Kunst kan zijn.”

„Ik keek in dat boxje van mijn zus en zag de hele boel bewegen. Ik realiseerde me ineens dat de waarde van dit fenomeen nooit de aandacht had gekregen die het verdiende. Dat ontplofte als een bom in mijn nek. Ik realiseerde me dat fotografie een volledig nieuw medium was dat niet begrepen is. Fotografie is alleen maar toegepast, ausgenutzt zoals de moffen dat noemen, weggegooid als een vies dingetje, als document, dat ooit ontdekt is naast die prachtige schilderijen van Ingres.”

Jan Dibbets: Four Diagonals (1970), en TV as a Fireplace (1969).

Jan Dibbets – Toward another Photography 1966-1976. Vanaf 23 jan t/m 5 april in H’ART Museum, Amsterdam. Info: hartmuseum.nl

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next