Home

Amsterdamse PvdA-leider Sofyan Mbarki: ‘Politici die hele groepen wegzetten voeren een achterhoedegevecht’

Wethouder Sofyan Mbarki, Amsterdams PvdA-lijsttrekker bij de gemeenteraadsverkiezingen, vindt dat veel politici het verkeerde gevecht voeren. „Het gaat niet om of je grootouders uit Marokko komen of uit Noord-Holland.”

Sofyan Mbarki is sinds 2022 in Amsterdam wethouder economische zaken, sport, onderwijs en ‘aanpak binnenstad’ namens de PvdA.

Ontbijtbuffet aan de Sloterplas. Restaurant Mewsim in Amsterdam Nieuw-West zit al halfvol als Sofyan Mbarki binnenloopt en zijn jas uittrekt. Hij is nu nog wethouder economische zaken, sport, onderwijs en ‘aanpak binnenstad’, maar over enkele weken barst de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen los en is hij lijsttrekker van de PvdA. Hij volgt de bekende en populaire Amsterdamse PvdA-leider Marjolein Moorman op, die naar de Tweede Kamer verhuisde. Mbarki (41) is minder bekend dan zij en de eerste vraag is of hij het boek Maar jij bent een goeie, dat komende week verschijnt en waarin hij zijn persoonlijke geschiedenis verknoopt met zijn politieke werk, heeft geschreven om daar verandering in te brengen.

„Nee, niet direct”, zegt hij. Het was Laurens Ubbink, uitgever bij AmboAnthos die hem vroeg. Aanleiding was een vlammende post die Mbarki op LinkedIn plaatste na de rellen rond de voetbalwedstrijd Ajax – Maccabi-Tel Aviv in november 2024. Premier Schoof had, voordat duidelijk was wie had meegedaan aan de grootschalige mishandeling van Israëlische fans, geconcludeerd dat Nederland „een integratieprobleem” heeft. Sofyan Mbarki zette op een rijtje wat hij zoal had gedaan: hij was taxichauffeur geweest, medewerker van een jeugdgevangenis, mbo-docent, wethouder. „Als dat voor de premier een integratieprobleem is, dan ben ik er trots op om het integratieprobleem te zijn”, zo eindigde hij.

CV Leraar en politicus

Sofyan Mbarki (Amsterdam, 1984) is sinds 2022 in Amsterdam wethouder economische zaken, sport, onderwijs en ‘aanpak binnenstad’ namens de PvdA.

Voor de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart is Mbarki de lijsttrekker van de PvdA. Na de verkiezingen gaat zijn partij samen met GroenLinks. Hij hoopt zelf wethouder te blijven.

Voor zijn politieke carrière was Mbarki taxichauffeur, pedagogisch medewerker in een jeugdgevangenis en leraar op een mbo in Amsterdam.

Mbarki is getrouwd en heeft drie kinderen.

Toen de uitgever hem zei dat er ‘een groter verhaal’ onder die post zat, ging Mbarki nadenken. En ja, zegt hij nu, daarbij speelde ook mee dat hij zo „een kans had om mijn verhaal te vertellen”. Maar het was primair om hardop te kunnen nadenken over „een maatschappelijk vraagstuk dat zich op dat moment weer aandiende, namelijk: hoe vinden wij dat we verschillende groepen in onze samenleving op bepaalde momenten benaderen?” De titel verraadt al hoe de schrijver ernaar kijkt. Al te vaak heeft hij, als hij weerwerk gaf op laatdunkende opmerkingen over migranten, gehoord dat hij het niet persoonlijk moest opvatten, en dat híj natuurlijk ‘een goeie’ was. Premier Schoof zei het zelfs, in reactie op de LinkedIn-post van Mbarki. Hij „bedoelde niet die Amsterdamse wethouder”, zei hij in een Kamerdebat.

Het boek was er ook gekomen, wil Mbarki maar zeggen, als hij geen lijsttrekker was geworden. „Het hele fenomeen integratie is iets waar ik in mijn leven onderdeel van ben geworden.”

‘Onderdeel van ben geworden’?

„Ik ben gewoon een Amsterdammer, geboren en getogen. Toen ik een schooljongen was, is mijn zijn, wie ik ben – moslim, Marokkaanse ouders en nog zoveel meer – nooit geproblematiseerd. Tot een aantal momenten die maatschappelijke trillingen veroorzaakten. De moord op Theo van Gogh in 2004, de aanslagen van 11 september 2001. Toen werd ik op een gegeven moment een Ander. En moest ik me verhouden tot een ‘integratievraagstuk’.”

Wat betekent dat?

„Ik was een Amsterdamse jongen die naar het Damrak ging om een potje te poolen. Toen het eerste vliegtuig het World Trade Center in vloog, liep ik net de hogeschool uit waar ik management, economie en recht studeerde. De volgende dag op school wilde iedereen antwoorden hebben. En ik voelde dat men die antwoorden ook van mij verwachtte, mijn medestudenten, mijn docenten. Ineens moest ik zeggen wat ik van Afghanistan vond. Hoe bedoel je? Waarom moet ík daar wat van vinden?”

Waarom denk je?

„Omdat ik schijnbaar uiterlijke kenmerken had die de mensen die de vliegtuigen de torens in hadden gevlogen, ook hadden. Ik had geen idee. Net als ieder ander. Wat is hier gebeurd? Hoe kan dit? Maar ik moest direct in de verdediging.

„Ik was zeventien. En die vragen kwamen allemaal onder de noemer: welk antwoord geef je? Dan weten we of je goed of minder goed geïntegreerd bent. Wat vind je van de Taliban? Wacht even, wat heb ik met de Taliban te maken? Mijn vader komt uit het noordoosten van Marokko. Dat ligt verder van Afghanistan dan Osdorp.

„Ik ben heel vaak op die vragen ingegaan, hoe weinig ik er ook over wist. Daar kwam toch ook iets positiefs uit. Ik kwam op veel plekken waar mensen andere ideeën hadden. Mijn middelbare school was heel divers, de hogeschool ook. Zo kreeg ik andere referentiepunten dan jongens uit mijn buurt die een andere studie deden of die al waren gaan werken en weinig contact hadden met Nederlanders – en zo ook niet door middel van gesprekken konden ervaren dat niet iedere Nederlander jou wantrouwt. Dat sommige vragen vanuit oprechte belangstelling worden gesteld.”

De serveerster komt aan tafel. De wethouder wil een kopje koffie en een croissantje als ze dat hebben. Hebben ze niet. Iets anders kleins? Een spinaziebroodje. Doe maar, lekker, zegt de wethouder. Maar dan wil ik er thee bij, geen koffie. Turkse thee? Turkse thee. Maar niet zo sterk.

Ook voor 2001 werd in Nederland veel gediscussieerd over islam en integratie. Was het allemaal wel zo paradijselijk vóór 11 september?

„Zo heb ik Amsterdam wel ervaren. Ik had het geluk dat we in de meest progressieve stad van het land woonden. Stel dat we in een conservatieve gemeente waren gaan wonen, dan waren de werelden van thuis en buiten veel meer op elkaar aangesloten geweest.”

Waren je ouders zo conservatief?

„Behoudend. Beschermend. Omdat ze de Nederlandse samenleving niet goed konden duiden.”

Je vader werkte hier al sinds 1973.

„Ja, maar wat voor werk? Hij zat beneden in de keuken van een restaurant aan het Spui. Hij deed niet mee aan debatten in de samenleving.”

Wat deed hij dan als hij klaar was met zijn werk in de keuken?

„Dan had hij nog een ander baantje. Mijn vader was altijd aan het werk of aan het uitrusten.

„We hadden het niet breed. Mijn twee broers, twee zussen en ik, we konden echt niet eventjes naar de kast lopen om een zak M&M’s te pakken.”

Dat klinkt alsof jouw kinderen dat wel doen.

„Mijn vrouw en ik proberen het te voorkomen. Maar die zak staat er wel, ja. Bij ons thuis hadden we zoutjes van zo’n goedkoop merk…”

Croky?

„Niet eens. Croky kochten we als we in de klas mochten uitdelen voor onze verjaardag. Naar buiten toe hielden mijn ouders wel iets op, dat we konden meedoen met de rest. Thuis hadden we van die zakken van de Dirk, van die kromme zoutjes met een pindasmaakje of gele kaasknabbels.

„Mijn ouders ervoeren de buitenwereld als een boze buitenwereld. De eerste keer dat ik naar de bioscoop wilde, zei m’n moeder: hoezo ga jij naar de bioscoop? Je kan toch gewoon thuis een film kijken? Op de havo wilde ik piloot worden. Ik had instituten in binnen- en buitenland vergeleken. Die in het buitenland waren het best. Toen ik dat aan mijn ouders vertelde, zeiden ze: nee. Ik was daar op voorbereid, ik dacht alleen dat de hoge kosten het argument zouden zijn. Maar ze zeiden gewoon: nee, je gaat niet naar het buitenland, je blijft hier, we zijn hier toch bij elkaar?

„Gisteravond was mijn zoon een speech in het Engels aan het voorbereiden. Ik dacht: dit zit wel goed. Je spreekt beter Engels dan ik op mijn dertiende. Ik gun hem wel een halfjaartje buitenland.”

Amerika?

„Ik dacht niet aan Amerika. Er zijn heel veel andere plekken interessant genoeg. Misschien Marokko zelfs. Dat wordt ook steeds aantrekkelijker.. De economie trekt aan en ze stonden toch maar mooi in de finale van de Afrika Cup.”

Spreken je ouders Nederlands met jou en je broers en zusters?

„Nee. Het Nederlands van mijn vader is beter dan van mijn moeder. Maar ze spreken gewoon Marokkaans. Daar ben ik ook blij mee. Het is voor ons best een uitdaging om onze kinderen die taal ook mee te geven. Tweetaligheid geeft zelfvertrouwen.”

Je vrouw heeft ook een Marokkaanse achtergrond, dus jullie kunnen het wel spreken.

„Maar we dromen in het Nederlands en dat is ook de taal die we thuis doorgaans spreken. We sturen onze kinderen naar een weekendschool, niet Arabisch: Marokkaans, heel bewust. Wij willen dat ze met opa en oma kunnen spreken. Dat ze in Marokko op straat een kopje koffie kunnen bestellen. Dat ze niet worden opgelicht op de markt. Zodra je daar aankomt vanuit Nederland, gaat de prijs van 80 naar 100.”

De serveerster brengt het spinaziepasteitje. Is dit met gehakt, vraagt de wethouder. Ja. Hmm, hij had hem wel vegetarisch willen hebben. Deze komt net uit de oven, zegt de serveerster. Geef maar, is goed.

Het restaurant staat met zijn enkels in de Sloterplas. Vanaf hier kun je bijna het huis zien waar hij opgroeide. En het huis waar hij nu met zijn eigen gezin woont, vlak bij zijn ouders. Hier begon de politieke carrière van Mbarki. In de nasleep van 11 september en de moord op Van Gogh ging hij naar debatcentra en daar benaderde een stadsdeelraadslid hem, zijn bijdrage had indruk op haar gemaakt. „Terwijl ik heel lang heb gestotterd, ik was altijd onzeker over mijn spreken.” Hij werd lid van de PvdA en kwam als jonge twintiger in het bestuur van de lokale afdeling in Osdorp, dat later zou opgaan in stadsdeel Nieuw-West.

Het viel hem op dat de politieke discussies in het stadsdeel wel heel vaak over deze ene strook langs het water gingen, waar theater De Meervaart en het winkelcentrum liggen, en veel minder over de woonwijken daaromheen, waar in totaal 150.000 mensen wonen. Dat verschil is hem altijd blijven intrigeren en hij komt er via elk gespreksonderwerp ook weer op uit. Waarom wordt het vuil in het ene stadsdeel veel beter van straat gehaald dan in het andere? Waarom zijn de voorzieningen op de ene school zoveel beter dan op de andere?

Hij had zijn bestuursfunctie al snel neergelegd en was hooguit slapend PvdA-lid toen hij als 24-jarige ging lesgeven op het Calvijn Junior College dat in een afgetrapt gebouw aan de Schipluidenlaan zat. „Ik gaf er een baan in de jeugdgevangenis voor op. Vrienden vroegen me: wat heb je uitgespookt dat je nu zo gestraft wordt?”

In zijn boek beschrijft hij een collega die „elke dag met de auto uit de kop van Noord-Holland kwam en niets van Nieuw-West zag behalve de parkeerplaats bij de school”. Als die collega op een feestje vertelde over zijn werk dan zei hij: ‘Ik geef les aan halve en hele criminelen.’ Als zijn leerlingen in het weekend met hun vrienden op straat waren zeiden zij: ‘Wij krijgen les van een racist.’

Mbarki: „De een zei: het ligt aan de leerlingen, de ander zei: het ligt aan de docenten. Maar het lag aan geen van beiden. Ze werkten in een verwaarloosde organisatie, in een verwaarloosd gebouw. Dat zegt iets over het schoolbestuur. Ik kon niet bedenken dat we in een rijk land als Nederland zo’n schoolgebouw hadden. Waarom laten ze dat gebeuren? Wij zijn destijds een aantal jaar achter elkaar niet bezocht door de inspectie. Dat zijn allemaal signalen: je doet er niet toe.

„Ik kwam in het managementteam. Wij trokken stagiaires aan die in de eindfase van hun opleiding zaten. Veel ambitie en energie. Maar goed, dan loopt zo’n jonge vrouw op haar eerste dag door de kantine en hoort ze een leerling ‘hoer’ zeggen. Toen hebben we gezegd: wij gaan als docenten ook pauzeren in de kantine. Ja, maar het is mijn pauzemoment, pruttelden sommigen. Je kunt toch ook je pauzemoment hebben met de leerlingen. Neem je broodje maar mee. Ik ben daar gewoon gaan zitten. Praten over de voetbalwedstrijden van het weekend. Dan ga je je op een andere manier tot de leerlingen verhouden.

„Niet dat alles meteen was opgelost. We hadden echt zware jongens op school. Ik heb meegemaakt dat ik in de kantine zat met een groep jongens. Een paar uur later zag ik ze op tv: hadden ze een overval gepleegd in de buurt van Eindhoven. Op school gedroegen ze zich keurig!”

Als wethouder gaat hij langs mbo-scholen en hoort daar een leerling zeggen: ‘Wij zijn gewoon de slaafjes’ – met zo weinig zelfvertrouwen bezien ze zichzelf en hun toekomst. Hij heeft een stagepact gesloten met bedrijven om mbo’ers aan een plaats te helpen. Waarom dat met een pact moet is hem een raadsel, maar hij wil vooral zeggen dat hij „heel blij” is met de inmiddels meer dan honderd bedrijven die meedoen. „Het is een investering in de toekomst van je bedrijf. Je kunt in een stad als Amsterdam – meer dan de helft van de beroepsbevolking, ruim 60 procent van alle inwoners, heeft een migratieachtergrond – toch niet een bedrijf leiden zonder de diversiteit van de stad je bedrijf in te halen? Dan snijd je jezelf in de vingers. Het kan gewoon niet kloppen dat onze universiteiten, onze hbo’s en mbo’s heel divers zijn, en onze bedrijven niet altijd.”

Is hier een verband met jouw boosheid over de opmerking van premier Schoof?

„Dat was politieke luiheid. Het gemak waarmee je groepen wegzet, dat heeft heel lang electorale winst opgeleverd. Volgens mij is het een achterhoedegevecht. Mensen met mijn achtergrond zijn partner bij een consultingbedrijf, werken bij de politie, staan voor de klas. Die worden echt niet ’s ochtends wakker met het idee ‘hoe ga ik me vandaag eens verhouden tot het vraagstuk van integratie?’ Die worden wakker en denken, welk dossier ligt op mijn bureau? Hebben de kinderen hun broodtrommel ingepakt?

„Ik dacht dat we er voorbij waren. We hebben de sociaaleconomische ladder beklommen. Bijgedragen. Meegedaan. Ons ingevochten – zo zei Mark Rutte het toch? En dan komt er zo’n verschrikkelijk incident als de Maccabi-rellen in mijn stad. Ik vind het nog veel erger dan Schoof en zijn ministers het vinden, want dit is mijn stad, niet die van hen. Toen wist ik wat de boodschap van mijn boek moest zijn: jullie zijn een achterhoedegevecht aan het voeren. En dat voeren jullie niet over de ruggen van de mensen in mijn stad.”

Wat is dan wel het gevecht dat Amsterdam volgens de PvdA moet voeren?

„Hoe zorgen we ervoor dat de volgende generatie óók kan meedoen? Dat ze een baan kunnen vinden. Dat ze een huis in de stad kunnen betalen. Dat er in alle wijken fatsoenlijke voorzieningen staan, dat we geen woonkazernes in wijken zonder groen of speeltuin krijgen. En die volgende generatie is gewoon een generatie Amsterdammers. Die woont in Floradorp, die woont in Kraaiennest, die woont in Osdorp.”

Wijken met elk een heel eigen samenstelling. Dus etnische achtergrond is de kern niet?

„De kern zit erin dat we in deze regio 220 miljard euro per jaar verdienen en dat 1 op de 5 kinderen zonder ontbijt naar school gaat. Het is die scheefheid in de verdeling waardoor mensen afhaken. Daar zit de pijn. Niet in de vraag of je grootouders uit Marokko komen of uit Noord-Holland.”

En intussen is het politieke debat meer dan ooit op verschillen gericht.

„Dat is dus een achterhoedegevecht.”

Grote achterhoede dan. Jouw partij heeft tussen 2023 en 2025 vijf zetels verloren.

„Ik vind ook dat de progressieve beweging een visie moet vormen op migratie. Ik ben voor een migratiesaldo, een beperking van het aantal jaarlijks toegelaten migranten, net als mijn partij inmiddels – niet omdat ik tegen de mensen ben die binnenkomen, maar omdat die mensen worden misbruikt om lage lonen te handhaven.

„Als je het bekijkt vanuit het rechts/links paradigma – wat ik ouderwets vind – is mijn vader hier naartoe gehaald door rechts. Omdat mijn vader werk wilde doen dat Nederlanders niet meer wilden doen, tegen een loon waar ze niet voor wilden werken. En dat systeem hebben ze nooit losgelaten. Rechtse politiek wil lage lonen faciliteren. En dat doen ze door sectoren in stand te houden die niet meer zo hoogproductief zijn.

„Laat ik de VVD een gratis tip geven. Als ze de kwestie echt willen oplossen moeten ze afscheid nemen van sectoren die op arbeidsmigratie drijven. De vleesverwerkende industrie, de tuinderijen in het Westland. Daar zou de VVD vanaf moeten. Maar dat vinden ze moeilijk. Want daar stemmen ze ook op hen.”

Nog een kopje thee, vraagt de serveerster. Nee, de wethouder is helemaal vol. Er zijn nu chocoladebroodjes, zegt de serveerster. Mmmm, goed, maar dan wil hij een cappuccino én een chocoladecroissant. Jij bent goed, zegt de wethouder tegen de serveerster. Je hebt me al twee keer iets verkocht dat ik eigenlijk niet wilde hebben.

Je bent de lijsttrekker voor de raadsverkiezingen. Zijn er politici aan wie je je spiegelt?

„In de tijd dat ik opgroeide vond ik de rust van een Job Cohen [oud-burgemeester van Amsterdam en oud-PvdA-leider, red.] weldadig. In een tijd waarin maatschappelijke verdeeldheid op de loer lag, zei hij: ‘We gaan de boel bij elkaar houden.’ Ik vond dat een heel sterke boodschap, waar ik letterlijk troost bij voelde.

„Ik probeer het ook. Ik geloof er namelijk in. Of het nou een voetbalploeg is, of een familie, of een samenleving. Verdeeldheid verzwakt je. Zodra je wordt verdeeld, heerst de ander. Het is ook de aard van het beestje. Ik zit zelf zo in elkaar.”

Kennissen aan wie ik vroeg wat je zwakke plek is, noemden precies dit: dat je wel heel weloverwogen, genuanceerd en gericht op consensus bent. Waar is het vuur? Kun je wel van je afbijten in een campagne?

„Ik hoop niet dat ze bedoelen: vuur waardoor ik mezelf tegenover andere mensen ga zetten. Dat ben ik niet. Ik weet ook niet of dat ons verder brengt.”

Je grootste concurrent op links heeft een vurige lijsttrekker.

„Wie is onze grootste concurrent op links?”

GroenLinks, lijsttrekker Zita Pels.

„Ik weet niet of dat een concurrent is. Dit zijn de laatste verkiezingen die we apart ingaan, daarna gaan we fuseren.”

Van jou hoeft de PvdA niet de grootste partij te worden? De kop heb ik al.

„Ik wil zeker de grootste partij worden.”

Je schrijft dat je hoopt ‘dat we het nog gaan meemaken dat iemand van ons in de voetsporen treedt van onze illustere buurtgenoot Wim Kok’. Wie is de ‘ons’ in dat zinnetje?

„Iemand van onze generatie. Mensen die midden in de sociale pijn zitten, in de echte samenleving.”

Met een Marokkaanse achtergrond?

„Hoe mooi zou het zijn als de eerste vrouwelijke minister-president van Nederland ook een migratie-achtergrond zou hebben? Misschien zit ze nu wel hier te eten.”

Source: NRC

Previous

Next