Afsplitsing
Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevatmeningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groepredacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer eenhandvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.
Het kwam voor de buitenwereld én voor PVV-leider Geert Wilders zelf dinsdag totaal onverwachts: 7 van de 26 Kamerleden, nog maar drie maanden geleden gekozen, stappen uit de PVV-fractie en nemen hun zetels mee. De afsplitsers zijn verbolgen over de houding van Wilders sinds de verloren verkiezingen. Er was geen ruimte voor serieuze evaluatie van de campagne, zagen ze. Wilders straalde uit dat hij „er geen zin meer in had”. De PVV is volgens de uittreders te weinig constructief als het om mogelijke samenwerking met het aanstaande minderheidskabinet gaat, en zou intern moeten democratiseren. Wilders sprak van „een zwarte dag” maar beloofde ijzerenheinig door te gaan, zonder iets aan het karakter van de PVV en zijn almachtige leiderschapsrol te veranderen.
Het is een constante in de twintigjarige geschiedenis van de partij. Wilders had eerder te maken met vertrekkende Kamerleden, bijvoorbeeld in 2012, toen de partij na het weglopen als gedoogpartner van Rutte-I ook een forse nederlaag leed. Wie de redenen van vertrek van de PVV’ers van destijds terugleest – geen serieus intern debat, geen democratische structuur – weet dat er in die veertien jaar helemaal niets veranderde. Terecht zien de huidige afsplitsers dat de PVV een eenmansproject zonder serieuze ontwikkeling is. Maar die situatie weerhield hen er eerder niet van zich bij de partij aan te sluiten. En ook nu, na hun vertrek, hebben ze geen afstand genomen van de ronduit anti-rechtsstatelijke standpunten van Wilders en de partij die ze aan een Kamerzetel hielp.
Interessant aan de huidige breuk is dat de afsplitsers, in een discussiestuk van hun voorman Gidi Markuszower, intern voor het omvormen van de PVV tot ledenpartij hebben gepleit. „We moeten niet onder dwang van anderen ons laten definiëren maar uit eigen kracht vooruit”, schrijft hij, waarbij hij refereert aan een voorstel van D66 dat politieke partijen wil verplichten om leden te accepteren. Dit voorstel, waarover de Tweede Kamer mogelijk later dit jaar beslist, kan tot gevolg hebben dat de PVV in de huidige vorm niet meer kan bestaan, of dus leden moet accepteren om nog aan verkiezingen te mogen meedoen.
Een ledenplicht kan als zwaar middel worden gezien, omdat het diep ingrijpt op de grondwettelijke vrijheid van vereniging. Het demissionaire kabinet koos er vorig jaar niet voor om zo’n plicht op te nemen in de Wet op de politieke partijen, met het argument dat partijen al transparant moeten zijn over hun financiën en hoe zij bijvoorbeeld hun partijbestuur kiezen. Ook bestaat er volgens het kabinet „geen breed gedeelde opvatting […] over wat exact bepaalt of een politieke partij intern democratisch georganiseerd is”.
Nu is het zeker waar dat het toelaten van leden niet automatisch betekent dat een partij democratisch wordt. Dat bewijst de structuur van Forum voor Democratie, waar het partijbestuur praktisch alle macht heeft. Toch is het kabinet wel erg voorzichtig als het om de toegevoegde waarde van leden gaat, de Raad van State betoogde eerder dat een democratische structuur op zichzelf al nuttig is voor „het bevorderen van een weerbare democratie”. In veel Europese landen zijn leden een wettelijke vereiste.
Politieke partijen leven zo zelf het voorbeeld voor van de democratie, met inspraak en open debat. Dit maakt het parlementair stelsel minder kwetsbaar voor de grillen van eenmanspartijen met autocratische trekken. In het D66-voorstel zit de juiste balans: maak leden verplicht, maar laat de inrichting van een politieke partij verder zo veel mogelijk vrij.
Source: NRC