Ruimtelijke ordening Nederland gaat de komende decennia flink op de schop. Het is belangrijk dat we daarbij niet kijken naar de belangen van nú, vindt Peter Pelzer, maar die van de toekomst.
Stel, het is 2040. We zijn begonnen met de bouw van IJstad maar door toenemende droogte moet het waterpeil van het Markermeer omhoog. De dijken en het maaiveld zullen flink verhoogd moeten worden, daar is zand en geld voor nodig. Hadden we die stad toch maar drijvend gemaakt, in plaats van terug te vallen op het bekende ontpolderen. Netbeheerders hebben inmiddels ruim 200 miljard euro uitgegeven, zoals PwC al in 2024 voorspelde, maar een flink deel van al die kabels en leidingen ligt niet op de goede plek. Aardgas is weliswaar verdwenen, maar de onderliggende ruimtelijke logica niet. En het is gelukt om buffers aan te leggen rondom natuurgebieden en zo het stikstofslot wat open te morrelen, maar de landbouw dient nog steeds vooral economische belangen, niet het landschap.
Peter Pelzer is hoogleraar Ruimtelijke Planning en Strategie aan de TU Delft. Deze bijdrage is gebaseerd op de intreerede die hij op 12 december uitsprak.
Bovenstaande is een gedachteoefening, maar niet uit de lucht gegrepen. De ruimtelijke inrichting van Nederland gaat de komende decennia op de schop. Er zal ruimte gemaakt moeten worden voor bijvoorbeeld defensie en woningbouw en, pijnlijker, er zullen ruimteclaims opgegeven moeten worden, zoals een deel van het traditionele landbouwareaal. Met deze ‘wederombouw’ proberen we het land zo goed mogelijk na te laten aan onze kleinkinderen.
Juist in de ruimtelijke ordening weegt die verantwoordelijkheid naar de toekomst zwaar, want ruimtelijke ingrepen zijn in belangrijke mate onomkeerbaar. Een polder die een woonwijk wordt kun je niet zomaar terugveranderen. De Afsluitdijk of Zeesluis IJmuiden weghalen zou een miljarden kostende herinrichting van het landschap betekenen. Die onomkeerbaarheid betekent niet dat we de ruimte altijd maar moeten laten zoals die nu is, wél dat we onze keuzes in het nu moeten zien in het licht van de toekomst. Bijvoorbeeld door bij de locatiekeuze van woningbouw honderd jaar vooruit te kijken.
In het politieke debat komt dit langetermijnperspectief er bekaaid vanaf. Het heden dringt vaak voor. Ook in het tussenverslag uit de formatie dat Rob Jetten en Henri Bontenbal begin december publiceerden, ging het vooral over snel woningen realiseren, veel minder over de ruimtelijke toekomst van Nederland. Begrijpelijk is het wel: het nu is veel tastbaarder dan de lange termijn, de wooncrisis ervaren we in het heden, de gevolgen van bouwen op ongeschikte locaties pas over een paar decennia.
Hoe kan het anders? Drie uitgangspunten kunnen helpen om verantwoordelijkheid voor de toekomst te nemen.
Ten eerste: probeer onomkeerbaar verlies te voorkomen. Bij ingrepen in de ruimte is iets van verlies voor toekomstige generaties niet te voorkomen. De vraag daarbij is of er sprake is van problematisch, onomkeerbaar verlies.
Engels raaigras is in onze weilanden alomtegenwoordig (‘grasfalt’), toekomstige generaties kunnen best toe met wat minder raaigras en wat meer biodiversiteit. Of gevoeliger: bouwen op de voor wonen geschikte zandgronden van de Veluwe en Utrechtse Heuvelrug is ecologisch helemaal niet zo gek, de dennen- en sparrenbossen die daar staan, zijn er in Scandinavië genoeg. Maar voor iemand die iedere dag van zo’n bos geniet, zal deze verandering wel degelijk als een onomkeerbaar verlies ervaren worden. Er zou meer debat zou moeten zijn over wat we echt willen behouden en welk verlies we accepteren.
Het tweede principe is dat een ruimtelijke verandering op meerdere gebieden logisch moet zijn. Verstedelijken rond Eindhoven is bijvoorbeeld zowel economisch als qua bodem een goed idee. Datzelfde geldt voor verstedelijking rondom Driebergen-Zeist: die vindt plaats in de buurt van stedelijke kernen, op zandgrond, en nabij een intercitystation en een oprit van de A12.
Wat dit betreft is er een belangrijke rol weggelegd voor netbeheerders en waterschappen. Traditioneel hebben zij een terughoudende en reactieve houding. Maar behalve waarschuwen, moeten ze voortaan ook scherper aangeven waar functies wél passen, met het oog op het water-, bodem en energiesysteem van de toekomst.
De perfecte keuze is niet altijd mogelijk. Dus het is ten derde verstandig omkeerbare keuzes te maken in situaties waarin de onzekerheid groot is. We weten niet wat de precieze gevolgen van klimaatverandering zullen zijn, hoe onze bevolkingssamenstelling zich gaat ontwikkelen en wat AI zal betekenen met het woon-werkverkeer. Omkeerbare ruimtelijke ordening houdt dan in dat we bijvoorbeeld vaker kiezen voor drijvend of modulair bouwen, of vaker tijdelijke bestemmingen aan gebouwen geven.
Het demissionaire kabinet presenteerde afgelopen september een ontwerpnota over de toekomstige ruimtelijke ordening van Nederland. Het is goed dat het document er is, maar deze Ontwerp-Nota Ruimte is nog te veel een optelsom van de belangen die nu spelen. Het volgende kabinet gaat de definitieve nota vaststellen. Ruimte maken voor de toekomstige generaties moet daarbij vooropstaan.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC