Literatuur Adriaan van Dis schreef een roman over de liefdesrelatie die hij decennialang verzweeg. Zijn zinnen tillen de werkelijkheid op in een spel met verbeelding en werkelijkheid, waarbij ook tragiek niet helemaal kan worden buitengesloten.
Adriaan van Dis, 2008.
Kijk, een idylle. Een duin, meeuwen, licht in schemerige kleuren en daar kleden twee mensen zich uit. „We rennen naar beneden, springen over wier en door badgasten achtergelaten rommel, spoelen onze voeten in lauwe plassen, lopen op onze tenen over de schelpenrand – scheermessen en gebroken mossels – en dan over de zilveren ribbels de branding in.”
Adriaan van Dis: Alles voor de reis. Augustus/Atlas Contact, 197 blz. € 22,99
Nog vóór de titelpagina, op die bladzijden die in boeken nooit iets betekenen, zelfs geen nummer hebben, begint Adriaan van Dis (1946) al met vertellen, met haast dus, en met gusto, het gaat niet om feiten maar om gevoel, om taferelen die tonen hoe de verteller opgetild wordt door de liefde, de romantiek: „De zon krijgt zinkend vleugels.” Tot de scène van tegenwoordige tijd naar verleden tijd schakelt en de verteller er zo voor uitkomt dat dit een herinnering is („Zoals jij wegdreef, zo diep als de zee en raadselachtig mooi”) of misschien een fantasme, uitlopend op een rouwklacht: „Laten we zwemmen, liefste. Laten we spelen dat je leeft.”
Het is meteen een uitstekend antwoord voor wie zich op voorhand afvroeg waarom je Alles voor de reis eigenlijk zou willen lezen – de roman die Adriaan van Dis schreef over de liefdesrelatie die hij decennialang had, maar moest verzwijgen. Je kunt als lezer denken: what’s in it for me? Nou, dat dus: zinnen die de werkelijkheid optillen, want Van Dis’ autofictie biedt altijd meer dan een verhaaltje. Literatuur namelijk, want zoals je in die beginscène al kunt lezen: in dat optillen zit iets dubbelzinnigs.
Je ziet de verteller zijn best doen om een idylle te scheppen, je ziet de handeling van het vertellen in het oog springen. Je ziet de kleur die hij eraan geeft. Het barst van het geluk, maar we kunnen niet buiten beschouwing laten dat er over rommel en scherven van schelpen heen gesprongen moet worden, dat de mossels misschien wel liggen te rotten, dat de zon ‘zinkt’. Dat kun je moeilijk níét symbolisch lezen. Een bladzijde verder heet Alles voor de reis dan ook een „roman over liefde en leugens”. Dat voelt meteen tragisch.
Het is dus zowel literair (want dubbelzinnig, beladen) als handig wat Van Dis doet, waarmee hij bovendien de aandacht weet af te leiden van de sleutelroman-achtige kant van dit boek. Want dit verhaal wortelt in de werkelijkheid. Van Dis had zo’n verzwegen relatie, jarenlang, met een vrouw die ook nog een ander had. Ze leidde gescheiden levens met haar twee mannen, die dat wisten maar verder zo weinig mogelijk van de andere kant mochten weten. Waarbij Van Dis het onderspit dolf, want hij was de geheime minnaar, de ander de publieke. Over de driehoeksverhouding werd niet gesproken, al was het een publiek geheim en zou je kunnen zeggen dat bij haar overlijden het embargo verbroken werd. „Ik ga je met wildvreemden delen”, zegt de verteller dan ook voortvarend, rechtstreeks tot ‘Eefje’, aan het begin van de roman. Aan het einde vraagt hij haar nog: „Ben je nu boos? Verklap ik geheimen?”
Desalniettemin heeft Van Dis dus besloten dat het tijd is voor zijn verhaal, geen geheimzinnigheid meer. Al lispelt de verteller in het nawoord: „Alles is waar behalve wat ik heb verzonnen.” Het ligt het meest voor de hand om de structuur van Alles voor de reis als een verzonnen constructie te zien, het beschrevene als waarheid – met dien verstande dat het wellicht ook een eenzijdige, subjectieve waarheid is, wánt waarheid volgens een verteller die zelf skin in the game heeft.
De structuur is die van een reeks terugblikken: Eefje is ziek, ligt in een hospice, want daar kan de verteller onbeperkt in haar gezelschap verkeren en halen ze herinneringen op aan hun gezamenlijke avonturen. Aan reisjes, om interviewkandidaten te scouten voor het tv-programma waar ze samen aan werkten, de hele wereld over, van Québec („Onze chauffeur was een oude jager. Hij mengde zijn gin met sneeuw”) tot Beijing („op de stoep bij Ai Weiwei – die niet thuis was”). Aan de vele dagen in haar strandhuisje aan de Noordzeekust, aan de rand van de wereld waar er genoeg privacy was om zich te laten gaan. Om naakt te zwemmen en elkaar onder het wateroppervlak te beminnen („De algen zalfden ons duet”), maar ook eenvoudigweg om onbespied samen te kunnen zijn.
Gloedvolle evocaties zijn het, een rijkdom. En soms vooral leuk. Vermakelijke, sterke verhalen waarin het stel in de bosjes plast op een grand cru-wijndomein of door de lokale Senegalese bevolking richting een strand met een aangespoelde requin (haai) getrokken wordt. Die anekdotes geven de indruk dat ze verteld worden omdat ze nu eenmaal waargebeurd zijn, want binnen de roman hebben ze niet per se iets betekenisvols of inzichtelijks toe te voegen.
Daardoor zou je Alles voor de reis ook ietwat rommelig kunnen vinden, wat willekeurig soms, ongepolijst, losjes. De werkelijkheid werd hier inderdaad niet strakgetrokken en van redundanties ontdaan omdat de romankunst nu eenmaal eenheid zou eisen. Maar: dat is niet echt een bezwaar. Het zet je namelijk op het spoor van een interessantere interpretatie – ga er iets verder boven hangen en neem aan dat de verteller wel degelijk vindt dat dit allemaal betekenisvol is. Dan geeft de daad van het vertellen op zich al betekenis, meer nog dan de inhoud van wat er verteld wordt. Zo wordt de verteller een personage en kun je zijn keuzes aan interpretatie onderwerpen.
Wat dan bijvoorbeeld te denken van hoe goedmoedig hij vertelt over de zuinigheid van Eefje, die in hotels „in een handomdraai drie boterkuipjes in haar tas wist weg te moffelen”? Over haar onverzettelijke radicaliteit? Haar geheimzinnigheid? Nee, ze deelden „niet álles” met elkaar, want, zo zegt de verteller: „Zo bleef veel spannend.” Kan wel wezen, maar met zo’n antwoord maakt de verteller ook wel erg gemakkelijk van de nood een deugd. Bij elkaar opgeteld heeft Eefje wel veel eigenschappen die de verteller altijd heeft geaccepteerd en zelfs gewaardeerd als eigenzinnig en karakteristiek, maar die je als buitenstaander ook ronduit lastig zou kunnen noemen. Alles moest op haar manier.
En hij cijferde zich dan weg. Maar ja, dat paste hem, zo was hij gebakken: „Aanpassen was een wachtwoord in mijn jeugd.” Dat kennen we van Van Dis, het is een constante in zijn oeuvre. Keurig moest en zou hij zijn. Moeilijke dingen kon je ook voor je houden, privédingen verzwijgen, onwelgevalligheden wegpoetsen. Zo vergaat het in dit boek bijvoorbeeld zijn kinderwens, die met Eefje nooit tot méér leidde dan een imaginair meisje, ‘Meeuwtje’ – het boek barst trouwens van de zeemeeuwen en aanverwante vogelsymboliek, van nesten en nesteldrang tot ‘hebban olla vogala’. Maar: voor wie het wil zien. Het is een motief, maar enigszins verdekt, als geheime boodschappen bijna, en dat is veelzeggend. De pijn is er, maar als ondertoon. Liever dan over moeilijks te mokken bezingt de verteller het leuke, het liefdevolle. Doe nog maar zo’n avontuur, Parijs, Shakespeare! Of een mooi gedicht!
Die karakterzwakte heeft Eefje in hun geheime driehoeksverhouding mooi kunnen uitbuiten, al zou de verteller het nooit zo noemen. Maar dat is misschien juist zijn tragiek. „Ik ben bang voor pijn”, stelt hij wel, in een knap gelaagde scène waar de fictie het van de realiteit overneemt, in een bijna-SM-scène met schilder Francis Bacon (!), waar vluchtig ook zijn nooit volledig uitgeleefde homo- of biseksualiteit een psychoanalytische achtergrond van geslagen zoons en getraumatiseerde vaders krijgt. Waarna de verteller ook memoreert dat Eefje hem bij de traumaverwerking heeft geholpen: „We hebben in de duinen achter ons oude huis gestaan, daar waar hij tekeerging. En daar heeft ze mij tot tranen gestreeld.”
Waarmee hij toch weer op een positieve noot eindigt. Want Alles voor de reis is geenszins wraakzuchtig, miskend of boos. Hoogstens vilein tegenover de tweede man in de verhouding, maar dat zouden we als een terugbetaling met gelijke munt kunnen beschouwen: „Een scheiding zou de Ander verwonden. Of erger: hij dreigde met erger… Ik moest hem ontzien.” Al was dat laatste dus weer iets wat Eefje bepaalde. Maar over haar geen kwaad woord. Immers: de liefde.
Het is pijnlijk om te zien hoeveel de verteller met de mantel der liefde heeft toegedekt, en eigenlijk ook hoeveel Van Dis nog steeds toedekt, met alle nadruk die hij legt op de liefde.
Of lees je het dan te rechtstreeks, te veel als memoir, die ongepolijst en daarom onaf is, waarin de schrijver er niet in slaagt door te pakken en écht te beschuldigen? Misschien is het een teken des tijds om er zo naar te kijken, met in het achterhoofd de vorig jaar verschenen memoirs Beladen huis van Christien Brinkgreve en Schaduwweduwe van Christine Visser. Zij rekenden nadrukkelijk af met de knechtende mannen die zij liefhadden, terwijl Van Dis nauwelijks de vraag stelt hoe hij zichzelf toch zoveel toegeeflijkheid heeft kunnen toestaan, waarom hij alles „pikte”. Het geluk was te groot om op te geven, schrijft hij wel.
Het voelt dus een beetje alsof je tegen het boek in leest, als je wél blijft haken aan de pijn – en als je het feit dat de verteller niet tot boosheid overgaat, beschouwt als onvermogen. Maar voor zo’n lezing biedt Alles voor de reis, met al zijn donkere ondertonen, wel alle literaire aanknopingspunten. Het verhaal wordt er alleen maar beter van: gelaagder, zowel pijnlijker, als tragischer, als liefdevoller.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC