Home

Waarom moet alles toch altijd naar dennen of lavendel ruiken?

Vroeger stonken huizen naar viezigheid, nu ruiken ze naar allerlei aroma’s die via stekkers, kaarsen en stokjes worden verspreid. En het wordt alleen maar erger, want geur is handel.

is cultuurverslaggever bij de Volkskrant.

Er bestaan natuurlijk prangender kwesties dan de vraag waarom alles zo nodig naar lavendel of dennen moet ruiken, maar deze popt toch ook met grote regelmaat op in mijn hoofd, bijvoorbeeld als ik weer eens nietsvermoedend een papieren zakdoekje uit een pakje pel en de penetrante nepgeur van een of andere plant of boom me in het gezicht slaat.

Ook kun je bijna geen ruimte meer betreden zonder te worden overvallen door de chemische aroma’s die door geniepig opgestelde geurstokjes of -kaarsen of -stekkers worden verspreid. Wasmiddel zonder luchtje is nauwelijks te vinden, zelfs wc-papier wordt geparfumeerd. Waarom mogen de dingen niet gewoon naar zichzelf ruiken?

Hoeveel rust, reinheid en regelmaat heeft een mens nodig? Volkskrantverslaggever Wilma de Rek, tevens auteur van het boek Rust, reinheid en regelmaat, gaat in een serie op zoek naar antwoorden. Lees hier de andere artikelen terug.

Een beerput in Parijs

In zijn boek Pestdamp en bloesemgeur (1982), over de geschiedenis van de geurwaarneming, citeert de Franse cultuurhistoricus Alain Corbin de Schotse arts John Arbuthnot, die begin 18de eeuw in een essay schreef dat ‘ieder dier van nature geschapen is om gebruik te maken van zuivere, natuurlijke en vrije lucht’. Een man naar mijn hart.

Pestdamp en bloesemgeur gaat over de ‘ontgeuring’ van de westerse samenlevingen in de 18de en 19de eeuw, toen de oprukkende hygiëne korte metten begon te maken met de smerige luchten van rottend afval, moerassen, kadavers en uitwerpselen. Miasma’s, werden die luchten genoemd, naar het Griekse woord voor verontreiniging. Ze werden gevreesd omdat alom werd aangenomen dat je van vieze lucht ziek kon worden en er zelfs aan dood kon gaan.

Soms gebeurde dat ook. In zijn boek beschrijft Corbin de schoonmaakwerkzaamheden, eind 18de eeuw, van een beerput in Parijs. Die ligt vol met de resten van kadavers die daar door studenten van de medische faculteit zijn ingegooid en verspreidt een weerzinwekkende lucht. Een van de putjesscheppers glijdt uit en sterft een pijnlijke dood door de stank. Een man die de lucht inademt die uit de mond van de stervende komt, valt in zwijm.

Tamelijk geurloze tijd

Ook in huizen en openbare ruimtes hing in de 18de en 19de eeuw een verschrikkelijke lucht, schrijft Corbin. In het Louvre, de Tuilerieën en zelfs de Opera werden mensen ‘achtervolgd door de kwalijke geur en stank van de privaten’. Uitwerpselen lagen niet alleen in de lanen maar ook in de huurrijtuigen. In andere steden was het niet anders. Mensen stonken zelf ook, maar die luchtjes werden niet per se als vies ervaren. Wie het zich kon permitteren gooide er een parfum tegenaan om de miserabele lichaamsgeur te verbloemen.

Vergeleken met vroeger leven we in een tamelijk geurloze tijd. Maar zijn we niet doorgeslagen, en wel zodanig dat inmiddels sprake is van een zekere geurintolerantie?

Een beetje wel, beaamt psycholoog Monique Smeets, hoogleraar sensorische systemen in sociale context aan de Universiteit Utrecht. Smeets vertelt dat ze laatst een gebakken visje had gekocht en daar bijna niet mee de bus in durfde: ‘Ik voelde me bezwaard dat ik die lucht verspreidde en was bang dat ik er opmerkingen over zou krijgen. Want dat gebeurt tegenwoordig snel, mensen zijn zeer kritisch op dat soort luchtjes.’

Toegevoegde neparoma’s daarentegen zijn populairder dan ooit. Smeets: ‘Wasmiddelen worden vaak meer gekocht op de geur dan op de functionaliteit van het product. Voor mensen die daar juist niet naar op zoek zijn, zoals jij, wordt het ingewikkelder, maar de meeste mensen willen graag geur op hun wasgoed. Ze associëren het met ‘schoon’ en worden er blij van. Je kunt zelfs geurparels kopen! Dan was je je spullen dus met een wasmiddel en wasverzachter waar al een geur aan zit, en voeg je er ook nog eens geurparels aan toe. Kennelijk is er een markt voor.’

Vooral natuurlijk ruikende geuren, zoals dennen en lavendel, zijn populair, zegt Smeets.

Een placebo-effect is ook een effect

Of de moderne geurterreur een kwestie is van vraag of van aanbod is een ingewikkelde kwestie. Smeets: ‘Vaststaat dat er al enkele tientallen jaren sprake is van een toenemende belangstelling voor functional fragrance. Dat wil zeggen: de claim dat bepaalde geuren, zoals sinaasappel, dennen, lavendel of pepermunt, bepaalde effecten hebben op de cognitieve vermogens of stemming van mensen.

Die mechanismen zijn ook onderzocht, vooral door psychologen. Ze worden meestal gefinancierd door de geurtjesindustrie; door bedrijven die zich verenigd hebben en subsidies uitdelen. Ik heb zelf vroeger ook dergelijke subsidies ontvangen, het is de enige manier om dat onderzoek te doen en ik heb nooit enige druk ervaren.’

Geur is handel. In Nederland ontstond in het midden van de 19de eeuw een bloeiende geur- en smaakstoffenindustrie, mogelijk gemaakt door de opkomst van de chemie. In 1870 richtte apotheker H. Butter in Zwolle de eerste echte ‘essencefabriek’ van Nederland op, vele andere volgden. Het hoofdkantoor van International Flavors & Fragrances, een van de marktleiders op het gebied van geur- en smaaktechnologie, zit in Hilversum.

Zelf plukte Smeets onlangs ook een zakdoekje met dennengeur uit een pakje. ‘Ik vond het vooral briljant bedacht. Van dennengeur weten we dat hij de perceptie geeft dat de neus opengaat. Dat hoeft niet per se zo te zijn, maar het gevoel is er. Geur is ontzettend goed te koppelen aan een bepaalde beleving. Als een geur een keer een gevoel heeft opgeroepen, is de kans groot dat hij dat een volgende keer weer doet. En dan heeft hij dus effect.’ Een placebo-effect? ‘Wellicht. Maar een placebo-effect is ook een effect.’

Ons reukzintuig dient ons attent te maken op het feit dat ergens onder de bank een muis ligt te ontbinden of dat op zolder een kaars de boel in brand heeft gezet – raken onze neuzen niet afgestompt door al die nepluchtjes? Smeets: ‘Die signaalfunctie komt niet in gevaar. Het reukzintuig is niet ingesteld op langdurig genot, het is erop gericht om veranderingen waar te nemen. En de geur van brand of een ontbindende muis is zo sterk dat hij alles penetreert.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next